Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2017-11-23
ECLI:NL:RBGEL:2017:6051
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: 17/3592 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 november 2017 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. M.M. de Roon), en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (DUO) te Groningen, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 20 maart 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiseres toegekende subsidie in de vorm van een lerarenbeurs voor de studiejaren 2011-2012, 2012-2013 en 2013-2014 definitief vastgesteld op een bedrag van € 3.866,40. Bij besluit van 1 juni 2017 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiseres deels gegrond verklaard en voor het overige kennelijk ongegrond. Bij besluit van 2 juni 2017 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het besluit van 20 maart 2017 herzien en het subsidiebedrag definitief vastgesteld op € 5.448,28. Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.C. Rots. Overwegingen 1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. 1.1 Eiseres heeft op 9 mei 2011 een Aanvraag lerarenbeurs voor scholing 2011-2012 ingediend voor de opleiding B Algemene Cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit Nederland. Daarbij heeft eiseres vermeld dat opleiding start op 1 augustus 2011 en drie jaar duurt. 1.2 Bij besluit van 5 juli 2011 heeft verweerder de aanvraag gehonoreerd en aan eiseres een subsidie voor studiekosten voor het jaar 2011-2012 toegekend van € 2.881,20. Verweerder heeft hierbij medegedeeld dat dit bedrag als voorschot wordt uitgekeerd en dat de subsidie is verleend voor de (resterende) nominale duur van de opleiding met een maximum van drie jaar. Tevens heeft verweerder medegedeeld dat aan de subsidieverlening voorwaarden zijn gekoppeld, waaronder de voorwaarde dat de opleiding binnen zes jaar met goed gevolgd wordt afgerond. Bij besluiten van 10 augustus 2012 en 4 september 2013 heeft verweerder aan eiseres wederom een subsidie voor studiekosten toegekend van telkens € 2.881,20 voor de studiejaren 2012-2013 en 2013-2014. 1.3 Bij brief van 6 maart 2017 heeft verweerder eiseres gevraagd om bewijsstukken te sturen ter vaststelling van het subsidiebedrag. Eiseres heeft vervolgens bewijsstukken ingezonden, bestaande uit een afschrift van haar getuigschrift wetenschappelijk onderwijs van de bacheloropleiding Algemene cultuurwetenschappen, gedateerd op 22 februari 2016, en de door haar in termijnen betaalde facturen aan de Open Universiteit. 1.4 In het bestreden besluit II heeft verweerder het subsidiebedrag als volgt definitief vastgesteld: Studiejaar Toegekend subsidiebedrag Vastgesteld subsidiebedrag Nabetaling of vordering 2011-2012 € 2.881,20 € 2.469,88 - € 411,32 2012-2013 € 2.881,20 € 1.880,40 - € 1.000,80 2013-2014 € 2.881,20 € 1.098,- - € 1.783,20 Totaal € 8.643,60 € 5.448,28 - € 3.195,32 2. Tussen partijen is in geschil of verweerder het subsidiebedrag voor de studiejaren 2011-2012, 2012-2013 en 2013-2014 in redelijkheid heeft kunnen vaststellen zoals hiervoor onder 1.4 beschreven. 3.1 Eiseres stelt zich op het standpunt dat de aan haar toegekende subsidie dient te worden vastgesteld op een bedrag van € 8.643,60, oftewel het gehele aan haar toegekende subsidiebedrag. Eiseres voert hiertoe aan zij aan de door verweerder gestelde voorwaarden heeft voldaan, aangezien zij haar studie binnen een termijn van zes jaar heeft afgerond en het toegekende subsidiebedrag aan de vooraf afgesproken module- en studiekosten heeft besteed. Ook was het volgens eiseres voor haar redelijkerwijs niet duidelijk dat zij slechts aanspraak maakte op subsidie voor de werkelijke studiekosten over een periode van maximaal drie jaar. 3.2 Volgens verweerder wordt de subsidie verstrekt per studiejaar. Dat er bij een opleiding aan de Open Univers 3.6 De rechtbank dient zich, gelet op het bepaalde in artikel 4:32 van de Awb, te beperken tot het beoordelen van de vaststelling van de subsidie over het (totale) subsidietijdvak. De (deel)subsidietijdvakken betreffen hier de studiejaren 2011-2012, 2012-2013 en 2013-2014. In artikel 1.1., aanhef en onder k, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek is bepaald dat onder "studiejaar" wordt verstaan: het tijdvak dat aanvangt op 1 september en eindigt op 31 augustus van het daaropvolgende jaar. 3.7 In het bestreden besluit I heeft verweerder uiteengezet dat er voor de vaststelling van de subsidie voor de betreffende studiejaren een berekening is gemaakt aan de hand van de door eiseres verstrekte betaalbewijzen en het overzicht van de behaalde studiepunten. Hierbij is volgens verweerder bekeken welke bedragen in de desbetreffende studiejaren zijn betaald. Hierbij tellen alleen de bedragen voor modules mee, niet een bedrag voor een vrijstellingsverzoek of administratiekosten. Daarnaast heeft verweerder uit coulanceoverwegingen voor het studiejaar 2011-2012 ook de termijnen die eiseres heeft voldaan in dit studiejaar voor de modules die zijn aangekocht voorafgaand aan dit studiejaar meegenomen. Een nadere specificatie van de wijze waarop de vastgestelde en teruggevorderde subsidiebedragen per subsidietijdvak zijn berekend ontbreekt echter in de bestreden besluiten. Pas in een, op verzoek van de rechtbank, ingezonden brief van 23 oktober 2017, alsmede een nadere toelichting op deze brief ter zitting, heeft verweerder de berekening inzichtelijk kunnen maken. De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat verweerder de termijnen die onderaan de desbetreffende facturen staan vermeld met een vervaldatum in het desbetreffende studiejaar heeft meegenomen in de vaststelling. Ten aanzien van het studiejaar 2011-2012 zijn daar de termijnen met een vervaldatum voor 1 september 2011 nog aan toegevoegd. De administratiekosten zijn hierbij buiten beschouwing gelaten. Uitzondering hierop is de factuur van 25 juni 2012. De op deze factuur vermelde administratiekosten zijn (per abuis) wel meegenomen. Op de bedragen is vervolgens per studiejaar twee keer tien procent opgeteld voor reiskosten en studiemiddelen. Als deze berekening wordt gevolgd komen de vastgestelde en teruggevorderde subsidiebedragen overeen met de in het bestreden besluit II vermelde bedragen. De beroepsgrond slaagt niet. 4.1 Eiseres voert verder aan dat verweerder rekening had moeten houden met haar persoonlijke situatie en het modulesysteem dat de Open Universiteit hanteert. Eiseres heeft tijdens haar studie twee kinderen gekregen, waardoor haar studie een tijdje stil heeft gelegen. Aangekochte modules dienen echter binnen één jaar afgerond te zijn. Als gevolg hiervan was eiseres niet in staat om de modules die zij per studiejaar nodig zou hebben in één keer af te nemen. Door het aanmelden voor teveel modules liep eiseres namelijk het risico dat de geldigheid verliep en zij de module voor een tweede maal aan zou moeten schaffen. Eiseres stelt dat zij door het vasthouden van verweerder aan de letter van de wet wordt benadeeld ten opzichte van studenten aan de ‘reguliere’ universiteiten. 4.2 Volgens verweerder levert de persoonlijke situatie geen bijzondere omstandigheid op als bedoeld in artikel 33 van de Regeling. Volgens verweerder heeft het krijgen van kinderen eiseres niet belet om aan de subsidieverplichting te voldoen. Ook is het volgens verweerder de eigen keuze van eiseres geweest om een studie te volgen aan de Open Universiteit en niet aan een ‘reguliere’ universiteit. Dat zij door de systematiek van de Open Universiteit niet alle modules binnen de subsidieperiode heeft kunnen aankopen is volgens verweerder dan ook niet aan te merken als een bijzondere omstandigheid. 4.3 In artikel 33 van de Regeling is bepaald dat de minister voor bepaalde gevallen de regeling buiten toepassing kan verklaren of daarvan kan afwijken, voor zover deze toepassing, gelet op