Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2017-11-22
ECLI:NL:RBGEL:2017:6008
vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem zaakgegevens 5819200 \ CV EXPL 17-4977 \ 668 \ 31810 en 6007141 \ CV EXPL 17-7598 \ 668 \ 31810 uitspraak van 22 november 2017 vonnis in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 5819200 \ CV EXPL 17-4977 van 1. [eisende partij sub 1] wonende te [woonplaats] 2. [eisende partij sub 2] wonende te [woonplaats] 3. [eisende partij sub 3] wonende te [woonplaats] 4. [eisende partij sub 4] wonende te [woonplaats] 5. [eisende partij sub 5] wonende te [woonplaats] 6. [eisende partij sub 6] wonende te [woonplaats] 7. [eisende partij sub 7] wonende te [woonplaats] 8. [eisende partij sub 8] wonende te [woonplaats] 9. [eisende partij sub 9] wonende te [woonplaats] 10. [eisende partij sub 10] wonende te [woonplaats] eisende partijen gemachtigde mr. J.A.M.P. Keijser tegen de stichting Stichting Obligatiehouders Rijnvast gevestigd te Arnhem gedaagde partij procederend in persoon. Gedaagde partij wordt hierna als de Stichting aangeduid, eisers worden als eisers, maar ook bij hun namen dan wel als de obligatiehouders aangeduid. en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 6007141 \ CV EXPL 17-7598 van 1. [eisende partij sub 1] wonende te [woonplaats] 2. [eisende partij sub 2] wonende te [woonplaats] 3. [eisende partij sub 3] wonende te [woonplaats] 4. [eisende partij sub 4] wonende te [woonplaats] 5. [eisende partij sub 5] wonende te [woonplaats] 6. [eisende partij sub 6] wonende te [woonplaats] 7. [eiser sub 7] wonende te [woonplaats] 8. [eisende partij sub 8] wonende te [woonplaats] 9. [eisende partij sub 9] wonende te [woonplaats] 10. [eisende partij sub 10] wonende te [woonplaats] eisende partijen gemachtigde mr. J.A.M.P. Keijser tegen de besloten vennootschap Rijnvast Obligatiefonds Duitsland 1 B.V. gevestigd te Arnhem gedaagde partij gemachtigde mr. P.J.A. Plattel Gedaagde partij wordt hierna als Rijnvast aangeduid, eisers worden als eisers, maar ook bij hun namen dan wel als de obligatiehouders aangeduid. 1 De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: 1.1. in de zaak 17-4977 tegen de Stichting: - het tussenvonnis van 5 april 2017 en de daarin genoemde processtukken - de brief van 9 oktober 2017 met bijlagen van eisers - de comparitie van partijen van 1 november 2017 - de pleitnotities van eisers. 1.2. Hierna is vonnis bepaald. 1.3. in de zaak 17-7598 tegen Rijnvast: - de dagvaarding van 16 mei 2017 met producties - de conclusie van antwoord met producties - de brief van 9 oktober 2017 met bijlagen van eisers - de comparitie van partijen van 1 november 2017 - de pleitnotities van eisers. 1.4. Hierna is vonnis bepaald. in beide zaken 1.5. Bij brieven van 11 oktober 2017 heeft de gemachtigde van eisers in beide zaken ten behoeve van de comparitie een schriftelijke reactie met aanvullende producties aan de kantonrechter gestuurd. In die reactie gaan eisers in op de stellingen van Rijnvast en de Stichting in de conclusies van antwoord en de daarbij door hen in het geding gebrachte stukken. Rijnvast heeft bij faxbericht van haar gemachtigde van 12 oktober 2017 bezwaar gemaakt tegen deze gang van zaken en gesteld dat het hier een verkapte conclusie van repliek betreft. De kantonrechter heeft partijen voorafgaand aan de comparitie schriftelijk bericht dat voor zover de brieven van de gemachtigde van eisers van 11 oktober 2017 conclusies van repliek zouden betreffen, de beide brieven niet worden gelezen en dat de comparitie zal aanvangen met voor elk van beide gemachtigden 15 minuten spreektijd en de mogelijkheid voor korte reacties over en weer. Voor zover door eisers bij gelegenheid van de comparitie op de inhoud van de brieven van 11 oktober 2017 en de daarbij gevoegde producties is ingegaan en daarop bij die gelegenheid van de zijde van Rijnvast is gereageerd, zal daarmee, voor zover voor de beoordeling nodig, door de kantonrechter rekening worden gehouden. 2 De feiten in beide zaken 2.1. Eisers houden obligaties van Rijnvast. Rijnvast houdt zich onder meer bezig 15. Uitoefening van rechten 15.1 Op elk moment, nadat de Obligaties onmiddellijk betaalbaar zijn geworden, kan de Stichting naar haar oordeel en zonder verdere bekendmaking een procedure tegen de Emittent beginnen waarvan de Stichting meent dat deze nodig is om de bepalingen van deze Obligatievoorwaarden af te dwingen. De Stichting kan deze procedure slechts beginnen ofwel op eigen initiatief, mits de vergadering van Obligatiehouders het starten van de procedure vooraf bij een Gekwalificeerd Besluit (als gedefinieerd in artikel 17) heeft goedgekeurd ofwel indien zij hiertoe is verzocht door de vergadering van Obligatiehouders krachtens een Gekwalificeerd Besluit, met uitzondering van de spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 15.4. hierna. 15.2 Een individuele Obligatiehouder mag slechts een procedure beginnen tegen de Emittent op het moment dat de Stichting nalaat een procedure te starten binnen een afzienbare tijd en dit verzuim voortduurt. 17 Stemmingen (…) 17.2 Tenzij het een Gekwalificeerd Besluit (als gedefinieerd in artikel 17.6) betreft, worden besluiten in de vergadering van Obligatiehouders genomen met een absolute meerderheid van stemmen. (…) 17.6 In het geval dat de besluiten van de vergadering van Obligatiehouders betrekking hebben op onderwerpen zoals hieronder beschreven, kunnen deze slechts genomen worden met een meerderheid van tweederde (2/3) gedeelte van de uitgebrachte stemmen in een vergadering waarin ten minste tweederde (2/3) gedeelte van het totaal aantal uitstaande Obligaties aanwezig of vertegenwoordigd is ( “Gekwalificeerd Besluit” ). Deze onderwerpen hebben betrekking op: (…) (ii) het verminderen van het nominale bedrag van de Obligaties en/of de Rente op de Obligaties, (…); Bijlage 6: Trustakte (…) IN AANMERKING NEMENDE DAT: (…) C. de houders van de obligaties (de ‘Obligatiehouders’ ) de behartiging van hun belangen en het beheer en, indien noodzakelijk, de uitwinning van het hypotheekrecht voor en ten behoeve van de gezamenlijke Obligatiehouders wensen te centraliseren bij de Stichting, waarbij de Stichting een eigen, exclusief (onder uitsluiting van de Obligatiehouders) vorderingsrecht verkrijgt jegens de Emittent; D. de Stichting zich bereid heeft verklaard en daartoe geëquipeerd is om ter zake van de Obligatielening op te treden namens de Obligatiehouders, zulks ten titel van bewindvoering, een en ander overeenkomstig de bepalingen in deze trustakte (de ‘Trustakte’ ). Komen hierbij als volgt overeen: (…) PARALLEL DEBT ARTIKEL 3 3.1 De Stichting zal als schuldeiser een eigen, exclusief vorderingsrecht hebben jegens de Emittent tot nakoming door de Emittent van al haar verplichtingen jegens de Obligatiehouders onder de Obligatielening en tevens naar eigen goeddunken – doch te allen tijde met inachtneming van de belangen van de Obligatiehouders – over de rechten van de Obligatiehouders onder de Obligatievoorwaarden kunnen beschikken. De Obligatiehouders kunnen geen eigen, individuele vorderingsrechten en/of rechtstreekse acties jegens de Emittent instellen. 3.2 De (vorderings)rechten van de Obligatiehouders, zowel jegens de Emittent als jegens derden, worden zonder tussenkomst, medewerking van of ruggespraak met de Obligatiehouders uitgeoefend door de Stichting, (…). STICHTING ARTIKEL 8 (…) 8.10 De Stichting is ter zake van de taak, door haar bij deze Trustakte op zich genomen, niet verder aansprakelijk jegens de Obligatiehouders en de Emittent dan voor grove schuld of grove opzet in de uitvoering van haar taken. (…) 8.11 De Stichting handelt in het belang van alle Obligatiehouders gezamenlijk en is niet verplicht het belang van een individuele Obligatiehouder in acht te nemen. 2.4. In de artikelen 8.3 en 8.5 van de Trustakte staan bepalingen die gelijkluidend zijn aan de artikelen 13.1 en 13.5 van de Obligatievoorwaarden. 2.5. De obligaties kennen couponrente en winstdelende of bonusrente. Couponrente is de rente die elke obligatie draagt over haar nominale waarde vanaf het moment van storti In de bijbehorende annex 1 staat, voor zover van belang, het volgende vermeld: Agendapunt 5 Voorstel van besluit : de Vergadering van Obligatiehouders besluit, (…), (a) tot instemming met de uitvoering van het hierbij als Bijlage 1 aangehechte voorstel van de Vennootschap tot verkoop en levering van het door haar in eigendom gehouden Object te Düsseldorf, onder gelijktijdige afwikkeling van de Obligatielening (“ Voorstel tot Afwikkeling ”). (b) het besluit van de Vergadering van Obligatiehouders tot (instemming met) verlening van machtiging aan de Stichting om met doorhaling van de in het kader van de Obligatielening door de Vennootschap verstrekte zekerheidsrechten (hypotheekrechten) in te stemmen, zodat de Objecten vrij van beslag, hypotheek en overige beperkte rechten kunnen worden verkocht en geleverd, een en ander conform het gestelde onder (a). 2.12. In het verslag van de vergadering van obligatiehouders van 16 november 2016 staat - voor zover relevant - het volgende vermeld: 3. De agenda wordt afgewerkt en leidt tot de volgende besluiten: (…) 4. De aanwezige obligatiehouders (vertegenwoordigende 78,81% van de uitstaande obligaties) besluiten per heden de heer [eisende partij sub 1] en de heer [persoon X] te ontslaan als bestuursleden van de Stichting Obligatiehouders Rijnvast met gelijktijdige benoeming van de heren [persoon Y] en [persoon Z] tot nieuwe bestuurders van de Stichting Obligatiehouders Rijnvast. 5. De obligatiehouders besluiten te stemmen vóór het voorstel van besluit als nader uiteengezet in agendapunt 5 (annex 1 bij de uitnodiging/agenda van 14 november 2016). (…) 2.13. Op 21 december 2016 heeft opnieuw een vergadering van obligatiehouders plaatsgevonden, waarin het voorstel tot (onder meer) renteverlaging opnieuw in stemming is gebracht en waarin opnieuw met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen tot (onder meer) de voorgestelde renteverlaging is besloten. Datzelfde geldt voor het voorgestelde ontslag van de bestuursleden van de Stichting met gelijktijdige benoeming van nieuwe bestuurders. 2.14. In de overwegingen van de voorzieningenrechter in deze rechtbank in zijn vonnis van 14 december 2016 werd het ontslag van de bestuursleden [eisende partij sub 1] en [persoon X] rechtmatig geacht. Vervolgens heeft Rijnvast op de voet van artikel 2:299 BW de rechtbank verzocht alsnog [persoon Z] en [persoon Y] dan wel Rijnvast Beheer B.V. tot bestuurders van de Stichting te benoemen. Bij beschikking van 30 december 2016 heeft de rechtbank dit verzoek afgewezen in verband met het risico van tegenstrijdige belangen, en de in het desbetreffende verzoekschrift meer subsidiair genoemde vennootschap [Rechtspersoon A] (hierna: [Rechtspersoon A] ) tot bestuurder benoemd. 2.15. Mede omdat [Rechtspersoon A] sedert jaren de accountant van Rijnvast is, heeft [eisende partij sub 1] , mede namens een aantal andere obligatiehouders, [Rechtspersoon A] als bestuurder van de Stichting op 30 december 2016 schriftelijk gesommeerd om alleen dan aan royement van de tweede hypotheek mee te werken als uit de koopsom voldoende aan de Stichting zou worden betaald om niet alleen de hoofdsom, maar ook de volledige couponrente aan de in de brief genoemde eisers te betalen. Volgens deze obligatiehouders verdroeg de bewering van Rijnvast dat betalingen aan obligatiehouders alleen maar via Rijnvast mochten lopen zich niet met onder andere artikel 13.2 OVW. Een sommatie van gelijke strekking is op 6 januari 2017 aan het bestuur van de Stichting gezonden. 2.16. De Stichting heeft op 4 januari 2017, middels haar bestuurder [Rechtspersoon A] , ingestemd met doorhaling van het hypotheekrecht. 2.17. Op of omstreeks 6 februari 2017 ontvingen de obligatiehouders van de Stichting de hoofdsommen (€ 5.000,00 per obligatie) terug. Zij ontvingen rond 24 februari 2017 € 375,00 (7,5%) per obligatie. 2.18. Eisers sub 1 tot en met 9 hebben op 28 februari 2017 derdenbeslag gelegd onder de ING Bank ter securering van hun vorderingen jegens de Stichting. 3 De v Vooropgesteld wordt dat met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen in een vergadering van obligatiehouders op 16 november 2016 -en nadien nogmaals, op 21 december 2016- de Stichting is gemachtigd om met doorhaling van het hypotheekrecht in te stemmen, zonder dat eerst betaling van de hoofdsommen (€ 5.000,00 per obligatie) en de volledige achterstallige couponrente aan eisers diende plaats te vinden dan wel diende te worden veilig gesteld. Voorts is met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen in beide vergaderingen besloten tot instemming met de uitvoering van het voorstel van Rijnvast tot afwikkeling van de obligatielening, onder meer inhoudende betaling van een éénmalige (coupon)rente van 7,5%, tegen finale kwijting. Voor de rechtsgeldigheid van deze (meerderheids)besluiten van de obligatiehoudersvergadering, waaraan ook eisers zijn gebonden, wordt verwezen naar r.ov. 4.22 e.v. 4.5. De stelling van eisers dat [Rechtspersoon A] als bestuurder van de Stichting zou hebben toegezegd, alvorens met doorhaling van het hypotheekrecht in te stemmen, zorg te zullen dragen voor betaling aan eisers van de hoofdsommen en de volledige achterstallige couponrente, althans betaling daarvan aan eisers veilig te zullen stellen, is door de Stichting gemotiveerd tegensproken, waartegenover eisers hun stelling niet nader hebben onderbouwd. Uit de producties 9, 10 en 11 die eisers bij brief van 11 oktober 2017 in het geding hebben gebracht, blijkt niet van een dergelijke toezegging. Evenmin hebben eisers daaromtrent enig expliciet bewijs aangeboden. Aan bewijslevering op dit punt wordt dan ook niet toegekomen. 4.6. Als deelnemers in het obligatiefonds Rijnvast zijn eisers gebonden aan de structuur van en de gang van zaken binnen het obligatiefonds, zoals neergelegd in de prospectus, in het bijzonder in de bepalingen van de Obligatievoorwaarden en de Trustakte. De overdracht van 80% van de obligaties aan Rijnvast Beheer (waarover meer in r.ov. 4.22), heeft daarin geen verandering gebracht. 4.7. De structuur van het obligatiefonds Rijnvast impliceert onder meer dat de Stichting ten behoeve van de gezamenlijke obligatiehouders de obligatiehoudersrechten uitoefent. Dit doet zij blijkens de Obligatievoorwaarden en de Trustakte op basis van exclusiviteit (artikelen 13.1 en 13.5 OVW en artikelen 3.1, slotzin, 3.2, 8.3 en 8.5 TA). Blijkens de preambule van de Obligatievoorwaarden en overweging D aan het begin van de Trustakte vindt de uitoefening van rechten door de Stichting, dat is dus de uitoefening van aan obligatiehouders toekomende rechten, plaats op basis van een bewindconstructie. Er is geen sprake van volmacht of vertegenwoordiging. De Stichting heeft een eigen rol bij het vervullen van haar taak als bewaarder (trustee) van het fondsvermogen. Daarbij moet zij zich laten leiden door de belangen van de gezamenlijke obligatiehouders. Tussen die algemene belangen en die van een minderheid van de obligatiehouders dient zij een eigen afweging te maken. De Stichting heeft dan ook een eigen verantwoordelijkheid en een grote mate van vrijheid voor het behartigen van de belangen van de obligatiehouders. De Stichting is niet verplicht het belang van een individuele obligatiehouder in acht te nemen (artikel 8.11 TA). 4.8. Naar de eigen inschatting van de Stichting was het voorstel dat Rijnvast in oktober 2016 aan alle obligatiehouders heeft gedaan, inhoudende dat Rijnvast Beheer alle obligaties zal overnemen en dat er, naast terugbetaling van de hoofdsom, een rente betaald zal worden van 7,5% over de inleg, tegen finale kwijting, afdoende om tot een finale afwikkeling van de obligatielening te komen. Tevens heeft de Stichting namens de gezamenlijke obligatiehouders de afweging gemaakt te kunnen instemmen met de doorhaling van het hypotheekrecht dat de Stichting voor de vorderingen van de obligatiehouders had op het pand in Düsseldorf. Alvorens met de doorhaling van het hypotheekrecht in te stemmen, heeft de Stichting bij Rijnvast bedongen dat een sti Weliswaar kan een belangenafweging ertoe leiden dat een conservatoir verhaalsbeslag behoort te blijven liggen totdat de afwijzing van de hoofdvordering in kracht van gewijsde is gegaan (zie HR 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1559), maar in deze zaak is daaromtrent niets gesteld of gebleken. 4.15. Omdat het beslag ten laste van de bankrekening van de Stichting bij ING Bank N.V. slechts een ondergeschikt onderdeel van het geschil betreft en hierover feitelijk geen of vrijwel geen partijdebat is gevoerd, rechtvaardigt de opheffing daarvan geen afzonderlijke proceskostenbeslissing. in de zaak 17-7598 tegen Rijnvast 4.16. Vooropgesteld wordt dat de Stichting een eigen, exclusief vorderingsrecht heeft jegens Rijnvast en eisers geen eigen, individuele vorderingsrechten en/of rechtstreekse acties jegens Rijnvast kunnen instellen (artikel 3.1 TA). Voorts is in artikel 13.1 OVW en het gelijkluidende artikel 8.3 TA bepaald dat de rechten en belangen van de obligatiehouders tegenover Rijnvast zonder hun tussenkomst, medewerking of inspraak door de Stichting worden uitgeoefend en behartigd en individuele obligatiehouders niet rechtstreeks kunnen optreden. 4.17. De Obligatievoorwaarden staan er voorts aan in de weg dat eisers een juridische procedure tegen Rijnvast beginnen. Een dergelijke procedure is begrepen onder de taak en last van de Stichting (artikel 15.1 OVW). Enkel wanneer de vergadering van obligatiehouders het starten van de procedure vooraf bij een gekwalificeerd besluit heeft goedgekeurd of bij een gekwalificeerd besluit de Stichting om een procedure tegen Rijnvast heeft verzocht en de Stichting vervolgens nalaat een procedure tegen Rijnvast te starten binnen een afzienbare tijd en dit verzuim voortduurt, mag een individuele obligatiehouder een procedure tegen Rijnvast beginnen (artikel 15.2 juncto 15.1 OVW). Gesteld noch gebleken is dat aan deze voorwaarden op het moment van dagvaarden was voldaan. De uitzonderingsgevallen, genoemd in artikel 15.4 OVW (reorganisatie, dreigend faillissement of dreigende surséance van betaling van de emittent) doen zich hier niet voor. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een situatie die daarmee op één lijn kan worden gesteld. 4.18. Gezien de mogelijkheid die artikel 15.2 OVW een individuele obligatiehouder (onder voorwaarden) biedt om een procedure tegen Rijnvast te beginnen, is van strijd met artikel 17 Grondwet, anders dan eisers betogen, geen sprake. Evenmin slaagt het beroep van eisers op nietigheid c.q. vernietigbaarheid van deze bepaling. De stelling van eisers dat hen iedere bevoegdheid wordt ontnomen om voor hun rechten op te komen, houdt immers geen stand. 4.19. Zouden eisers wel een procedure tegen Rijnvast kunnen beginnen, zo wordt ten overvloede overwogen, dan zouden hun vorderingen op grond van het navolgende evenzeer moeten worden afgewezen. 4.20. Eisers hebben als obligatiehouders vorderingen op Rijnvast. Op grond van artikel 6.1 OVW zijn de obligatiehouders, naast terugbetaling van hun inleg, gezamenlijk gerechtigd tot een winstdelende of bonusrente van 50% van het netto verkoopresultaat van de onroerende zaken van Rijnvast in Duitsland. In artikel 7.1 OVW staat voorts vermeld dat er een (coupon)rente over de inleg zal worden uitgekeerd van 7,5% per jaar over de eerste vijf jaar (1 januari 2009 tot 1 januari 2014) en 8% per jaar over de resterende vijf jaren van de obligatielening (1 januari 2014 tot 1 januari 2019). Hierop baseren eisers hun vorderingen. Daarbij zien eisers er echter aan voorbij dat met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen in een vergadering van obligatiehouders op 16 november 2016 -en nadien nogmaals, op 21 december 2016- tot instemming met het voorstel van Rijnvast tot afwikkeling van de obligatielening is besloten, inhoudende betaling van (slechts) een éénmalige (coupon)rente van 7,5%, tegen finale kwijting. Artikel 17.6 aanhef en onder (ii) OVW biedt daartoe de mogelijkheid. 4.21. De vereiste gekwalificeerde meerderheid van 2/3 van het aanta