Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2017-11-21
ECLI:NL:RBGEL:2017:5952
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: 17/1328 uitspraak van de meervoudige kamer van21 november 2017 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. J.W. van der Sloot), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld te Barneveld, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 7 september 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser per 10 juni 2016 een uitkering toegekend op grond van de Participatiewet (PW). Bij besluit van 18 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, zijn broer [naam 1] en vestigingscoaches [naam 2] en [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door H.M. van de Bos en J. Brink. Overwegingen 1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser is afkomstig uit Syrië. Hij woont met andere statushouders (waaronder zijn broer, [naam 1] ) in een woning aan de [adres] in [woonplaats] . De zes kamers in deze woning worden verhuurd door gemeente Barneveld. Uit de huurovereenkomst van eiser blijkt dat hij in kamer 6 woont en dat zijn huur € 229,- per maand bedraagt. 2. Eiser heeft een bijstandsuitkering aangevraagd. Verweerder heeft deze aanvraag toegekend. Omdat er vijf medebewoners zijn, is volgens verweerder de kostendelersnorm van artikel 22a van de PW van toepassing. Daarmee zou eiser recht hebben op een bijstandsuitkering ter hoogte van € 509,51 per maand. Verweerder heeft de bijstand van eiser vervolgens op grond van artikel 18, eerste lid, van de PW afgestemd op zijn individuele situatie en verhoogd naar € 694,79. 3. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte de kostendelersnorm op zijn uitkering heeft toegepast. Eiser voert aan dat hij een commerciële huurprijs betaalt, waardoor de uitzondering van artikel 19a, eerste lid, onder c, van de PW van toepassing is. Verweerder had volgens hem moeten onderzoeken of zijn huurprijs in verhouding staat tot zijn specifieke huurgenot. Volgens eiser is sprake van een voor de betreffende woonruimte in het economisch verkeer gebruikelijke prijs, die in verhouding staat tot de geleverde diensten en die periodiek wordt aangepast. Hij wijst erop dat zijn huurprijs is gebaseerd op het puntentellingssysteem van de Huurcommissie (huurprijscheck) en dus in het economisch verkeer gebruikelijk is. Bovendien gaat het om onzelfstandige woonruimte die minder ruim is dan verweerder stelt, gelegen in het buitengebied, nabij de vuilnisbelt en het spoor en met een keuken en woonkamer die alleen via buiten bereikbaar zijn. Eiser voert verder aan dat de door verweerder gebruikte referentieobjecten ongeschikt zijn voor een vergelijking, nu het daar bijvoorbeeld gaat om zelfstandige woonruimte in het centrum van [woonplaats] . Door eiser is informatie aangeleverd van een woning aan de [adres] . Op dit adres worden volgens hem kamers die met de zijne vergelijkbaar zijn tegen een vergelijkbare prijs verhuurd. 4. Uit artikel 22a van de PW blijkt dat voor de ongehuwde die ouder is dan 21 jaar en die een of meer kostendelende medebewoners heeft, de norm per kalendermaand is: ((40% + A × 30%) / A) × B Hierbij staat A voor het totaal aantal kostendelende medebewoners plus de belanghebbende zelf en B voor de norm van artikel 21, aanhef en onder b van de PW. 5. Op grond van artikel 19a, eerste lid, van de Pw wordt onder kostendelende medebewoner verstaan de persoon van 21 jaar of ouder die in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft. Uit artikel 19a, eerste lid, onder c, van de PW blijkt dat de kostendelersnorm niet van toepassing is op degene die met medebewoners hoofdverblijf heeft in dezelfde woning, maar die daar woont op basis van een schriftelijke overeenkomst, waarbij een commerciële