Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2017-11-17
ECLI:NL:RBGEL:2017:5912
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: AWB 16/7967 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiser], te [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr. P.H.M. Kemperman), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zevenaar te Zevenaar, verweerder. Procesverloop Bij brief van 27 december 2016 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder op zijn verzoek om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) van 1 juli 2016. Bij besluit van 19 januari 2017 heeft verweerder alsnog beslist op het verzoek van eiser. Ook heeft verweerder op 15 juni 2017 een beslissing op bezwaar genomen. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het beroep van eiser geacht mede te zijn gericht tegen het alsnog genomen besluit. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde H. Marinus. Overwegingen 1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser verzoekt op 1 juli 2016 om de volgende documenten over de periode van 1 januari 2016 tot heden: “De contracten die zijn afgesloten met adviseurs wie B&W hebben ingeschakeld in het kader van de raadsenquête van het p.o. beleid, de rekeningen van deze adviseurs, de opdrachten en de andere documenten die hiermee te maken hebben.” Op 27 juli 2016 heeft verweerder de beslistermijn met vier weken verdaagd. Eiser heeft verweerder bij brief van 5 september 2016 in gebreke gesteld en aangemaand alsnog binnen twee weken een besluit te nemen. Op 10 november 2016 heeft eiser, na geen besluit te hebben ontvangen, de vaststelling van de dwangsom verzocht. Op 27 december 2016 heeft eiser beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing van verweerder. Verweerder heeft op 6 januari 2017 een dwangsom van € 220 vastgesteld wegens niet tijdig beslissen. Op 19 januari 2017 heeft verweerder beslist op het Wob-verzoek van eiser van 1 juli 2016. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb, heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. De rechtbank stelt vast dat met het besluit van 19 januari 2017 niet geheel aan het beroep is tegemoetgekomen, zodat het beroep van rechtswege tegen dit besluit is gericht. Eiser heeft op 14 februari 2017 bezwaar gemaakt tegen de besluiten van verweerder van 6 januari 2017 en 19 januari 2017. Verweerder heeft op 15 juni 2017 een beslissing op bezwaar genomen. Daarbij heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit van 6 januari 2017 ongegrond verklaard, het bezwaar tegen het besluit van 19 januari 2017 eveneens ongegrond verklaard en dit besluit in stand gelaten zij het onder verbetering van de motivering daarvan, en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit 2. De rechtbank stelt voorop dat het middel ‘beroep niet tijdig’ is bedoeld om een bestuursorgaan te bewegen een reëel besluit te nemen. Nu verweerder, hangende beroep, alsnog dat reële besluit heeft genomen, is het processuele belang van eiser bij een rechterlijk oordeel over het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag vervallen. De rechtbank zal het beroep in zoverre dan ook niet-ontvankelijk verklaren wegens het vervallen van procesbelang. Het besluit van 6 januari 2017 over de dwangsom 3. Verweerder heeft op 6 januari 2017 een dwangsom van € 220 toegekend, wegens het niet tijdig beslissen op het Wob-verzoek van eiser. 4. Eiser kan zich met de hoogte van de dwangsom niet verenigen en stelt zich op het standpunt dat over de periode na 30 september 2016 ten onrechte geen dwangsom is toegekend. De dwangsom moet hierdoor in totaal € 1.260 bedragen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat alleen over de periode van 20 september 2016 tot en met 30 september 2016 een dwang Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (de Afdeling), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1659), is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, dat document toch onder het bestuursorgaan berust. 10. De rechtbank heeft geen concrete aanknopingspunten voor de stelling van eiser dat er meer relevante documenten zijn dan de documenten die (gedeeltelijk) openbaar zijn gemaakt dan wel documenten welke zijn geweigerd en waar alleen de rechtbank kennis van mag nemen. Gelet op verweerders uitgebreide en gedetailleerde toelichting ter zitting over de wijze waarop naar documenten is gezocht is de rechtbank van oordeel dat dit adequaat is geweest. 13. De rechtbank overweegt als volgt. 14. Artikel 11, eerste lid, van de Wob luidt: In geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, wordt geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat, met het oog op een goede en democratische bestuursvoering, over persoonlijke beleidsopvattingen informatie kan worden verstrekt in niet tot personen herleidbare vorm. Indien degene die deze opvattingen heeft geuit of zich erachter heeft gesteld, daarmee heeft ingestemd, kan de informatie in tot personen herleidbare vorm worden verstrekt. Onder ‘intern beraad’ wordt verstaan: het beraad over een bestuurlijke aangelegenheid binnen een bestuursorgaan, dan wel binnen een kring van bestuursorganen in het kader van de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor een bestuurlijke aangelegenheid (artikel 1, aanhef en onder c, van de Wob). Onder ‘persoonlijke beleidsopvatting’ wordt verstaan: een opvatting, voorstel, aanbeveling of conclusie van een of meer personen over een bestuurlijke aangelegenheid en de daartoe door hen aangevoerde argumenten, aldus artikel 1, aanhef en onder f, van de Wob. 15. Zoals de Afdeling onder meer heeft overwogen in de uitspraak van 21 december 2016, (ECLI:NL:RVS:2016:3428), kunnen ook documenten afkomstig van derden die niet tot de kring van de overheid behoren, worden aangemerkt als documenten die zijn opgemaakt ten behoeve van intern beraad indien de documenten met dat oogmerk zijn opgesteld. Het interne karakter van het beraad komt evenwel te vervallen wanneer daaraan het karakter van advisering of gestructureerd overleg moet worden toegekend (Kamerstukken II 1986/87, 19 859, nr. 3, blz. 13). Het enkele feit dat het college zich meermaals door dezelfde juridische adviseur laat adviseren, brengt niet met zich dat reeds daarom daaraan het karakter van advisering of gestructureerd overleg als bedoeld in voornoemd kamerstuk moet worden toegekend. 16. Na met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis te hebben genomen van de door verweerder vertrouwelijk overgelegde stukken is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat het hierbij gaat om documenten opgesteld ten behoeve van intern beraad, inhoudende persoonlijke beleidsopvattingen. Voor zover daarin ook feitelijke informatie is opgenomen stelt de rechtbank vast dat deze informatie zodanig verweven is met de persoonlijke beleidsopvattingen dat deze niet kan worden verstrekt. Verweerder is gelet hierop niet gehouden deze informatie openbaar te maken. 17. Het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 15 juni 2017 is ongegrond. 18. Omdat eiser beroep heeft moeten instellen om te bereiken dat verweerder op het Wob-verzoek zou beslissen (het beroep tegen het niet tijdig beslissen), zal de rechtbank verweerder veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Ten aanzien van de door verweerder geuite twijfels over of sprake is van beroepsmatig verleen