Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2017-11-14
ECLI:NL:RBGEL:2017:5826
RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer : 05/740137-16 Datum uitspraak : 14 november 2017 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland tegen [verdachte] geboren op [geboortedatum 1] 1977 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , raadsman: mr. A. Winters, advocaat te Boxmeer. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 januari 2017, 7 maart 2017, 27 juni 2017 en 31 oktober 2017. 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij (op één of meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 15 augustus 2015 tot en met 15 oktober 2016 te Groesbeek, in ieder geval in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] , buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , door geslachtsgemeenschap met haar te hebben en/of met haar te tongzoenen, terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt; althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt: hij (op één of meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 15 augustus 2015 tot en met 15 oktober 2016 te Groesbeek, in ieder geval in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] , buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd door met die [slachtoffer] te tongzoenen, terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs De feiten Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. In de periode van 15 augustus 2015 tot en met 15 oktober 2015 hebben verdachte en [slachtoffer] meerdere keren met elkaar getongzoend in de horecagelegenheid van verdachte in Groesbeek. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primaire feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte en aangeefster geslachtsgemeenschap met elkaar hebben gehad. De verklaring van aangeefster is niet betrouwbaar en wordt niet gesteund door ander bewijs. De raadsman heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het tongzoenen geen seksueel binnendringen, zoals primair ten laste gelegd, kan opleveren maar hoogstens het subsidiair tenlastegelegde plegen van ontuchtige handelingen. Beoordeling door de rechtbank De beoordeling van zedenmisdrijven kenmerkt zich door het feit dat in de regel slechts twee personen aanwezig zijn bij de veronderstelde seksuele handeling: het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader. Indien deze veronderstelde dader de seksuele handeling ontkent, zoals in deze zaak ten dele het geval is, is als direct bewijs in de regel slechts de verklaring van het veronderstelde slachtoffer beschikbaar. De enkele verklaring van één getuige is echter onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen ingevolge artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in de zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. In deze zaak verklaart aangeefster dat het in de avond, rond 15 september 2015, verder is gegaan dan tongzoenen tussen haar en verdachte. Zij verklaart daarover dat zij eten moest brengen naar de persoon die boven het café van verdachte woont, waar zij toen werkzaam was. Verdachte had aan haar eerder op die avond al signalen gegeven dat hij meer van haar wilde. Toen aangeefster het eten boven had gebracht stond verdachte ineens achter haar en vanaf Volgens de WhatsApp-conversatie heeft zij op 16 september 2015 gewerkt; - de dag daarna, op 17 september 2015, is er voor de verdachte blijkens de WhatsApp-conversatie een reden om ergens spijt van te hebben dat volgens hem met de leeftijd van aangeefster te maken heeft. Het leeftijdsverschil tussen hem en aangeefster is 23 jaar; - een paar dagen daarna, op 21 september 2015 spreken verdachte en aangeefster over dat “dat ene” wel tussen hun moet blijven waarbij verdachte zegt dat hij daarvoor wel zorgt. In haar aangifte verklaart aangeefster dat zij hadden afgesproken dat zij niet zouden vertellen dat zij seks hadden gehad, maar alleen zouden zeggen dat zij elkaar een kus hadden gegeven; - op de schermafdrukken is leesbaar dat verdachte een bericht stuurt dat hij zijn toenmalige vriendin niet heeft verteld dat hij en aangeefster “halve seks” hebben gehad. Dit strookt allereerst met de afspraak waar aangeefster over verklaart, dat zij niet zouden vertellen over de seks, alleen over kussen, en ten tweede strookt dit met de omschrijving van aangeefster over de seks: dat het maar even duurde en dat verdachte niet klaar is gekomen. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van aangeefster betrouwbaar is en voldoende wordt ondersteund door ander bewijsmateriaal. De rechtbank verwerpt het betrouwbaarheidsverweer van de raadsman dus. Dit betekent dat de rechtbank het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen acht. Ook de ten laste gelegde tongzoen plaatst de rechtbank binnen het primair tenlastegelegde. Ieder lichamelijk binnendringen met een seksuele strekking valt daaronder en in deze zaak is dat met een afgedwongen tongzoen – afgedwongen vanwege het gezag dat verdachte over aangeefster had nu zij zijn werknemer was die 23 jaar jonger was – aan de orde.De rechtbank gaat in haar bewezenverklaring uit van een kortere periode dan aan verdachte ten laste is gelegd. 3 Bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: hij ( op één of meerdere tijdstippen ) in of omstreeks de periode van 15 augustus 2015 tot en met 15 oktober 2015 te Groesbeek, in ieder geval in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] , buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , door geslachtsgemeenschap met haar te hebben en /of met haar te tongzoenen, terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. 4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd 5 De strafbaarheid van het feit Het feit is strafbaar. 6 De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7. Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandelverplichting voor verdachtes verslavingsproblematiek en persoonlijkheidsproblematiek, een opname in een instelling voor begeleid wonen, een contactverbod met aangeefster en [naam 2] en het meewerken aa Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat het beoordelen van de vordering voor zover het de materiële schade betreft een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en de benadeelde partij daarom in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De raadsman heeft verder gesteld dat de gevraagde vergoeding voor immateriële schade aanzienlijk moet worden gematigd. Beoordeling door de rechtbank De raadsman heeft gesteld dat het causaal verband tussen het bewezenverklaarde en het tenlastegelegde niet vast te stellen is, nu meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de opname van de benadeelde partij waardoor zij niet meer kon werken. De rechtbank overweegt daarover als volgt. Uit het dossier komt naar voren dat er, zoals de verdediging met juistheid heeft aangevoerd, mogelijk ook andere omstandigheden zijn - dan het bewezen verklaarde feit - die ten grondslag liggen aan de opname van aangeefster in centrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie [naam 3] te [plaatsnaam] gedurende negen maanden (in in welke periode de benadeelde partij niet heeft kunnen werken). De aangifte en het onderzoek door de politie van het ten laste gelegde – en bewezen verklaarde – handelen van verdachte zijn echter de directe aanleiding geweest voor de opname. Op dat moment begint de schade te ontstaan en dat is voor de rechtbank leidend. Voor deze schade acht de rechtbank verdachte dan ook naar burgerlijk recht aansprakelijk. De materiële schade Ten aanzien van de schadepost [naam 4] van € 375,05 betekent dit dat de rechtbank deze post zal toewijzen. Die schade vloeit rechtstreeks voort uit het bewezen misdrijf en is daaraan ook geheel toe te rekenen. Ten aanzien van de schadepost [naam 5] betekent dit het volgende. De benadeelde partij heeft bij de vordering een termijn van 9,5 maanden gehanteerd. Nu het restaurant na januari 2016 is gesloten, zal de rechtbank een termijn van 3,5 maanden aanhouden. De toe te wijzen vergoeding komt dan neer op € 735,- (3,5 maanden x 60 werkuren per maand x € 3,50 uurloon). Voor het meer gevorderde ten aanzien van deze schadepost zal de benadeelde partij in de vordering niet ontvankelijk worden verklaard. De schadepost die ziet op studievertraging acht de rechtbank voldoende onderbouwd en daarmee aannemelijk. De rechtbank zal vergoeding van deze schade tot een bedrag van € 13.400,- dan ook toewijzen. Ten aanzien van de immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Aan de wettelijke vereisten voor toekenning van smartengeld is voldaan. Gelet op de aard en de ernst van de door verdachte teweeggebrachte schadeveroorzakende gedragingen en de gevolgen daarvan voor benadeelde partij – getuige haar slachtofferverklaring en wat in de vordering met bijlagen is vermeld – kent de rechtbank naar billijkheid een bedrag van € 2.500,00 aan smartengeld toe. Hierbij heeft de rechtbank rekening gehouden met bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen en zich beperkt tot (voor zover thans in te schatten) het deel van de schade dat in elk geval aan verdachte valt toe te rekenen. Wat betreft het meer of anders gevorderde aan immateriële schadevergoeding zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering, nu voor de behandeling van dat deel van de vordering een nadere onderbouwing nodig is. Dit levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij. De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 15 september 2015, zijnde de datum die in het midden van de bewezen verklaarde periode gelegen is. 8 De toegepaste wettelijke bepalingen De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 57 en 245 van het Wetboek van Strafrecht. 9 De beslissing De rechtbank