Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2017-11-01
ECLI:NL:RBGEL:2017:5668
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: AWB 17/2383 en 17/2688 uitspraak van de meervoudige kamer van in de zaken tussen [eiser 1] , [eiseres 1] , [eiser 2] , [eiseres 2] , [eiseres 3] , [eiser 3] , [eiseres 4] , [eiseres 5] , [eiser 4] , [eiseres 6] en [eiser 5] , allen te [woonplaats] , (hierna: eisers 1); en [eiser 6] en [eiseres 7] , beiden te [woonplaats] , (hierna: eisers 2), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Harderwijk , verweerder. Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de vennootschap ‘ Veluwe Transferium Boekhorst B.V .’ gevestigd te Heerhugowaard, vergunninghoudster Procesverloop Bij besluit van 7 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan de derde-partij een omgevingsvergunning verleend. Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het beroep van eisers 1 staat bekend onder zaaknummer 17/2383. Het beroep van eisers 2 staat bekend onder zaaknummer 17/2688. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2017. Namens eisers 1 zijn verschenen [eiser 1] , [eiseres 3] en [eiser 4] . Namens eisers 2 zijn verschenen [eiser 6] en [eiseres 7] , vergezeld door [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, ir. C. van den Bedem en G. Maatkamp. Namens derde-partij zijn verschenen mr. J.R. Dobbelsteijn-Bisschops, ing. E. Jongenotter en ing. M. Bosman. Overwegingen Inleiding 1. De derde-partij heeft op 20 september 2016 bij verweerder gevraagd om verlening van een omgevingsvergunning voor het herontwikkelen van diverse percelen aan de [adres 1] voor recreatie en horeca. Het project bestaat uit vijf deelgebieden: Deelgebied 1 omvat de bestaande carpoolplaats, de P-Veluwe, een camperplaats, een fietsenstalling en een uitkijktoren van Van der Valk; Deelgebied 2 “Nature” omvat een pedal-plaza met een oppervlakte van 300 m² met daarin faciliteiten voor onderhoud van fietsen, een sportvoorziening voor spinnen, fitness en andere indoor sporten, alsmede fietsgerelateerde detailhandel. En verder een vijftal boomhutten met daarin overnachtingsfaciliteiten, een picknickplek met speeltuin en ziplines; Deelgebied 3 “Horeca” omvat een familierestaurant van 800 m² en twee fastfoodrestaurants van ieder 400 m², alsmede een boerderijwinkel van 100 m²; Deelgebied 4 “Duurzaam mobiliteitspunt” omvat een tankstation met overkapping, shop, wasboxen en boedelbak en (elektrische) autoverhuur, met bijbehorende laadpunten, met een oppervlakte van in totaal 3.000 m²; Deelgebied 5 “Adventure en informatie” heeft betrekking op het perceel Boekhorstlaan 1 en voorziet in een informatiecentrum van 200 m² met recreatieve voorzieningen in de vorm van onder meer een tokkelbaan / zipline. Daarnaast wordt aan de noordwestzijde van het plangebied een leisure-room van 150 m² voorzien, evenals een verwijstoren met een hoogte van 30 meter. De derde-partij heeft ervoor gekozen om de omgevingsvergunning gefaseerd aan te vragen met toepassing van artikel 2.5, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo. De voorliggende eerste fase heeft uitsluitend betrekking op het met het bestemmingsplan strijdige gebruik op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. In de tweede fase zullen de omgevingsvergunningen voor de activiteiten “uitvoeren van een werk”, “bouwen”, “slopen” en “kappen” worden aangevraagd. Verweerder heeft in het bestreden besluit een omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo. Deze omgevingsvergunning is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De ontwerp-omgevingsvergunning heeft vanaf 27 oktober 2016 gedurende 6 weken terinzage gelegen. Eisers 1 hebben een zienswijze ingediend. Ontvankelijkheid van het door eisers 2 ingestelde bero In het voorliggende geval hebben eisers 2 er zelf voor gekozen om afstand te doen van hun mogelijkheid om bezwaren in te dienen tegen de omgevingsvergunning. Deze keuze dient in beginsel voor hun eigen risico te blijven. 2.6. Naar het oordeel van de rechtbank is de met vergunninghouder afgesloten overeenkomst echter zodanig onredelijk dat in dit geval daarop een uitzondering moet worden gemaakt. De overeenkomst is bijzonder onevenwichtig ten aanzien van eisers 2, aangezien op de ontwikkelaar slechts een tijdelijke inspanningsverplichting rustte om een vergelijkbare woning te vinden, terwijl eisers afstand doen van hun bezwaar- en beroepsrecht. Dit kan voor hun verstrekkende gevolgen hebben, aangezien een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo als grondslag voor onteigening kan dienen. Daarnaast kan op grond van artikel 3:10 van de Wro ook geen zienswijze tegen het toekomstige ontwerp-bestemmingsplan voor hun perceel worden ingediend. Gelet op het voorgaande kan het eisers 2, naar het oordeel van de rechtbank, redelijkerwijs niet worden verweten dat zij geen zienswijze hebben ingediend tegen de omgevingsvergunning. 2.7. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eisers 2 ontvankelijk is. Ladder duurzame verstedelijking 3. In de ruimtelijke onderbouwing en de daarbij behorende bijlage “Onderbouwing Ladder duurzame verstedelijking” is verweerder ingegaan op de Ladder voor duurzame verstedelijking. In de onderbouwing wordt geconcludeerd dat het initiatief zowel aan de eerste trede (regionale behoefte) als de tweede trede (transformatie) voldoet. Eisers 2 hebben in hun beroepschrift slechts in algemene zin gesteld dat het onderzoek niet voldoet en dat het plan in strijd is met de eerste en tweede trede van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Deze niet onderbouwde stelling is onvoldoende voor het oordeel dat de omgevingsvergunning in strijd is met de Ladder voor duurzame verstedelijking. De beroepsgrond faalt. Uitvoerbaarheid en goed woon- en leefklimaat 4.1. Eisers 2 betogen dat de ontwikkeling niet uitvoerbaar is omdat vergunninghouder hun perceel niet in eigendom heeft. Volgens eisers 2 is verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet ingegaan op de gevolgen van de ontwikkeling op hun woon- en leefklimaat. 4.2. Artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder f, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) luidt als volgt “Een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor gaan vergezeld van een toelichting, waarin zijn neergelegd: […]; f. de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan.” Op grond van artikel 5:20 van het Besluit omgevingsrecht is deze bepaling ook van toepassing op de voorliggende omgevingsvergunning. 4.3. In de uitspraak van 21 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1662) heeft de Afdeling in het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan overwogen dat een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder ook de financiële uitvoerbaarheid is begrepen, slechts kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan of plandeel niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar. Naar het oordeel van de rechtbank is deze jurisprudentie van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo. 4.4. In de ruimtelijke onderbouwing bij de omgevingsvergunning heeft verweerder in hoofdstuk 5 overwogen dat de percelen [adres 1] ( [kadestraal] ), [adres 2] ( [kadestraal] , [adres 3] ( [kadestraal] , [adres 4] [kadestraal] , [adres 5] [kadestraal] en [kadestraal] . [kadestraal] in particulier bezit zijn. De overige percelen in het plangebied zijn in eigendom bij de gemeente Harderwijk. Met de gemeente Harderwijk heeft derde-partij een anterieure overeenkomst gesloten over de herontwikkeling van het gebied. Volgens Dit is een aanzienlijk verschil en voor beide aannames geldt dat deze onvoldoende zijn onderbouwd. In het onderzoek van Witteveen+Bos wordt slechts aangegeven dat deze verdeling als uitgangspunt is genomen en dat deze globaal aansluit op de eerder gehanteerde verhouding. In het midden blijft echter waarom de verdeling van 70/30 als uitgangspunt is genomen. Ook de verhouding in de memo is onvoldoende onderbouwd. De enkele verhouding in het aantal motorvoertuigbewegingen tussen de N302 en de A28 acht de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat het merendeel van de verkeersbewegingen - in deze verhouding - in de richting van de afslag van de A28 plaats zal vinden. De beroepsgrond slaagt. 5.4. Omdat de verkeerstoename in de richting van het kruispunt Ceintuurbaan en Deventerweg/Leuvenumseweg onvoldoende is onderbouwd, en deze verkeerstoename ten grondslag heeft gelegen aan de berekeningen met betrekking tot de verkeerscirculatie op dit kruispunt in het onderzoek van Witteveen+Bos, slaagt de beroepsgrond ook op dit onderdeel. Het aantal verkeersbewegingen bepaalt voorts in hoeverre omwonenden geluidsoverlast in verband met een toename van verkeer ondervinden, zodat ook in zoverre de beroepsgrond slaagt. Luchtkwaliteit 6.1. Eisers 1 betogen dat door de toename van het aantal verkeersbewegingen de normen voor fijnstof nog verder zullen worden overschreden. 6.2. In paragraaf 4.5.6 van de ruimtelijke onderbouwing heeft verweerder berekend of de ontwikkeling al dan niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit met behulp van de NIBM-rekentool. Uit deze berekening blijkt dat de maximale bijdrage van 3.200 motorvoertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) voor stikstofdioxide (NO2) 4,45 microgram/m³ bedraagt. De bijdrage voor fijnstof (PM10) bedraagt 0,71 microgram/m³. De grens voor NIBM is 1,2 microgram/m³, zodat nader onderzoek noodzakelijk is. Volgens verweerder ligt de achtergrondconcentratie op maximaal 25 microgram per m³, zodat de grenswaarde niet wordt overschreden. 6.3. Ter zitting heeft Bosman aangegeven dat voor de berekening in de NIBM-tool is uitgegaan van 3.200 mvt/etmaal in plaats van 6.400 mvt/etmaal omdat slechts 50 % van de motorvoertuigbewegingen zich expres naar het plangebied begeven. De overige motorvoertuigbewegingen zijn autonome voertuigbewegingen die zich ook zonder deze ontwikkeling zouden begeven op de N302. 6.4. De rechtbank kan deze redenering niet volgen. Indien in de ruimtelijke onderbouwing wordt uitgegaan van 6.400 extra mvt/etmaal als gevolg van de ontwikkeling, dan dient in het kader van het onderzoek naar de gevolgen van deze verkeerstoename op de luchtkwaliteit ook van dit aantal te worden uitgegaan. Verweerder heeft daarom onvoldoende gemotiveerd waarom slechts van een toename van 3.200 mvt/etmaal kan worden uitgegaan. De beroepsgrond slaagt. Stemgeluid klimbos 7.1. Eisers 1 betogen dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet is ingegaan op stemgeluid van het klimbos. 7.2. Verweerder heeft voor de aan te houden richtafstand van de nieuwe functies ten opzichte van de woningen in de omgeving aansluiting gezocht bij de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering”. Deze VNG-brochure geeft indicatieve afstanden aan tussen rustige woonwijken en bedrijven met betrekking tot de aanvaardbaarheid van een plan vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Uit de VNG-brochure volgt dat de maximale richtafstand voor wat betreft het aspect “geluid” in dit geval 50 meter bedraagt. Deze afstand acht de rechtbank niet onredelijk, zeker niet gelet op de door verweerder aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BV5126). In deze uitspraak werd een richtafstand van 50 meter voor een natuurbelevingspark en klimbos aanvaardbaar geacht. 7.3. Nu de omwonenden woonachtig zijn op ongeveer 150 meter van het plangebied heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het stemgeluid