Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2017-11-01
ECLI:NL:RBGEL:2017:5663
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: AWB 16/1743 Uitspraak van de meervoudige kamer van in de zaak tussen [eiseres], te [woonplaats], eiseres (gemachtigde: mr. R.J.G. Laan), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Putten, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 23 april 2014 (hierna: primair besluit) heeft verweerder aan eiseres negen lasten onder dwangsom opgelegd. Op 27 mei 2014 heeft eiseres bezwaar tegen het primaire besluit gemaakt. Bij besluit van 2 februari 2016 (hierna: bestreden besluit) heeft verweerder, op grondslag van het bezwaar, één last onder dwangsom herroepen en de overige acht lasten onder dwangsom in stand gelaten. Op 16 maart 2016 heeft eiseres beroep tegen het bestreden besluit ingesteld. Op 11 augustus 2017 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Op 5 september 2017 heeft verweerder het beroep tijdens een zitting behandeld. De gemachtigde van eiseres was daarbij aanwezig; hij werd vergezeld door [betrokkene] (werkzaam bij eiseres). Verweerder liet zich vertegenwoordigen door H. Ben Kaddour en J. Westerink. De rechtbank heeft de termijn voor het doen van een uitspraak verlengd. Overwegingen Inleiding 1.1. Eiseres exploiteert op het perceel [locatie] te [woonplaats] een bedrijf dat zich voornamelijk bezighoudt met inzameling, verwerking, transport en verhandeling van diverse organische restproducten (hierna: bedrijf). 1.2. Bij besluit van 15 mei 2008 (hierna: milieuvergunning) is aan eiseres een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben voor het bedrijf. Aan de milieuvergunning zijn diverse voorschriften (hierna: voorschriften) verbonden. 1.3. In 2013 was verweerder bevoegd tot het houden van toezicht op naleving van de milieuvergunning en de voorschriften. Verweerder heeft die bevoegdheid nog steeds. 1.4. Enige bij de gemeente Putten werkzame toezichthouders hebben het bedrijf bezocht – onder meer op 22 augustus 2013, 26 augustus 2013, 10 december 2013, 11 december 2013 en 28 februari 2014 – om te bezien of eiseres alle voor haar geldende regels volledig naleeft. Van die bezoeken zijn rapporten opgesteld. 1.5. Ook het Programmateam ketentoezicht Gelderse omgevingsdiensten – waarin de Omgevingsdienst Noord-Veluwe, het regionaal milieuteam van de politie Noord- en Oost-Gelderland, de provincie Gelderland en het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen (hierna: LMA) zijn vertegenwoordigd – heeft onderzoek naar de handelwijze van het bedrijf verricht. De bevindingen en conclusies van het team zijn neergelegd in een rapport gedateerd 10 februari 2014 (hierna: programmateam-rapport). 1.6. Uit de zojuist bedoelde rapporten is door verweerder geconcludeerd dat eiseres een aantal voorschriften en sommige bepalingen van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) heeft overtreden, en dat aanleiding bestaat om tegen die overtredingen handhavend op te treden. 2.1. Het primaire besluit bevat de navolgende lasten: (1) het sluiten van een flappengordijn tussen de ingang van de loods en de overkapping; (2) het zodanig verpakken van afvalstoffen dat geen geurhinder kan ontstaan; (3) het minimaal eenmaal per drie jaren vervangen van filtermateriaal; (4) het jaarlijks opstellen van een rapportage waarin de gegevens van de goedgekeurde AO/IC zijn verwerkt; (5) het uiterlijk per 1 april van elk kalenderjaar overleggen van een sluitende massabalans over het voorgaande kalenderjaar; (6) het handelen conform de procedures met betrekking tot het acceptatie- en verwerkingsbeleid en de administratieve organisatie en interne controle en de wijzigingen daarop; (7) het registreren van alle binnenkomende en vrijkomende afvalstoffen; (8) het melden van ontvangst van afvalstoffen aan het LMA conform de wettelijke voorschriften; (9) het melden van afgifte van afvalstoffen aan het LMA conform de wettelijke voorschriften. 2.2. In het primaire besluit is bepaald dat eiseres dwangsommen verbeurt als – na het verstrijken van de begunstigingstermijn – wordt geconstateerd dat zij niet 5.3 Eiseres heeft niet gesteld – en het procesdossier geeft geen aanleiding tot de veronderstelling – dat op 2 februari 2016 plannen bestonden om één of meer voorschriften ten gunste van haar aan te passen. Toen het bestreden besluit werd genomen, bestond dus geen concreet zicht op legalisering van de situaties waartegen verweerder handhavend heeft opgetreden. 5.4. De in rechtsoverwegingen 3.2 aangehaalde stellingen over de lasten 1,2, 4, 5, 6 en 7 kunnen worden samengevat tot de beroepsgrond dat het bestreden besluit in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt en overweegt daartoe het volgende. 5.5. Door eiseres zijn tot nu toe geen dwangsommen verbeurd, ondanks diverse controles die na het nemen van het primaire besluit hebben plaatsgevonden. Hieruit kan worden afgeleid dat de lasten 1, 2, 4, 5, 6 en 7 sinds 23 april 2014 niet zijn geschonden, maar ook dat het voor eiseres goed mogelijk is om de in rechtsoverweging 5.1 aangeduide voorschriften adequaat na te leven. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres nooit aanleiding heeft gezien om de rechtmatigheid van die voorschriften ter discussie te stellen. 5.6. Bij de beslissing over het in stand laten van een last die al enige tijd adequaat wordt nageleefd, gaat het niet alleen om de kans op herhaling van de geconstateerde overtreding, maar ook om de gevolgen die het wederom plegen van deze overtreding kan hebben. Het komt dus aan op de inschatting van het risico dat de herroeping van een last met zich brengt. Hierbij geldt dat een geringe kans op herhaling van een overtreding kan worden aangemerkt als een groot risico indien de gevolgen van deze overtreding ernstig zijn. 5.7. Bij het bepalen van het risico in de zojuist bedoelde zin beschikt het bestuursorgaan over beoordelingsvrijheid, en de bestuursrechter mag het gebruik van deze vrijheid slechts terughoudend toetsen. De rechtbank ziet onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder diens beoordelingsvrijheid in dit concrete geval heeft overschreden. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat slordig omgaan met de door het bedrijf verhandelde producten nadelige gevolgen voor de volksgezondheid kan krijgen. 5.8. Op basis van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder meer gewicht mocht hechten aan het algemeen belang bij het zo goed mogelijk beschermen van de volksgezondheid dan aan het individuele belang van eiseres bij het verlost raken van directe financiële consequenties wegens het schenden van een voorschrift. De lasten 8 en 9 6.1. De wettelijke voorschriften die hierna worden genoemd, zijn opgenomen in de bijlage die aan deze uitspraak is gehecht. 6.2. Artikel 10.1a van de Wm geldt krachtens de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn afvalstoffen (wet van 3 februari 2011, Staatsblad 2011, nummer 103). De parlementaire geschiedenis van die wet is te vinden in kamerstuk 32.392. 6.3. De artikelen 10.38 en 10.40 van de Wm gelden krachtens de Wet structuur beheer afvalstoffen (wet van 21 juni 2001, Staatsblad 2001, nummer 346). De parlementaire geschiedenis van die wet is te vinden in kamerstuk 26.638. 7.1. Buiten twijfel staat dat hoofdstuk 10 van de Wm verbindend is. Daarom onderzoekt de rechtbank of eiseres zich bezighoudt met activiteiten die krachtens artikel 10.38 van de Wm of artikel 10.40 van deze wet aan het LMA moeten worden gemeld. 7.2. De lasten 8 en 9 zijn algemeen geformuleerd, net als de motiveringen die eraan ten grondslag liggen. Verweerder heeft volstaan met de stelling dat “op 10 en 11 december 2013 is geconstateerd dat over de periode vanaf februari 2012 tot en met december 2013 geen ontvangstmeldingen [en afgiftemeldingen] aan het LMA zijn gedaan”. Uit de gedingstukken en de daarover ter zitting afgelegde verklaringen blijkt echter dat het gaat om de aan- en afvoer van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit stoffen die van dieren afkomstig zijn. Het geschil over de rechtmatigheid van de las De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op de lasten 8 en 9, onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. 9.6. Verweerder heeft het zojuist onderzoeks- en motiveringsgebrek nog niet hersteld. Reeds daarom ziet de rechtbank geen reden om die gebreken te passeren. 9.7. De rechtbank ziet evenmin aanleiding tot toepassing van de bestuurlijke lus, aangezien niet duidelijk is hoeveel tijd het nadere onderzoek naar de bevoegdheid tot oplegging van de lasten 8 en 9 in beslag zal nemen. Conclusie 10.1. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op de lasten 8 en 9, vernietigen, wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb (zorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit) en artikel 7:12, eerste lid, van deze wet (deugdelijke motivering van het bestreden besluit). 10.2. Nu de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren, moet verweerder het voor de behandeling van dit beroep betaalde griffierecht aan eiseres vergoeden. 10.3. De rechtbank zal verweerder veroordelen tot vergoeding van de proceskosten die eiseres tijdens de beroepsfase wegens de door mr. Laan verleende rechtsbijstand heeft gemaakt. De rechtbank stelt deze kosten – met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht – vast op een bedrag van € 990 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; met een waarde per punt van € 495 en de wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op de lasten 8 en 9; - laat het bestreden besluit voor het overige in stand; - draagt verweerder op wederom te beslissen op het bezwaar, voor zover dit betrekking heeft op de lasten 8 en 9; - gelast dat verweerder het voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht, groot € 334, aan eiseres vergoedt; - veroordeelt verweerder tot vergoeding van de door eiseres gemaakte proceskosten, tot een bedrag van € 990. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Koenraad, voorzitter, mr. R.J. Jue en mr. H.J.M. Besselink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Mengerink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening. Bijlage: Wet milieubeheer (zoals deze gold toen het bestreden besluit werd genomen) Artikel 10.1a 1. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de volgende stoffen, preparaten en voorwerpen: a. (…); b. (…); c. (…); e. (…); f. (…); g. (…); h. voor zover daarover bij of krachtens communautaire regelgeving regels zijn gesteld: 1°. dierlijke bijproducten, met inbegrip van verwerkte producten, in de zin van verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (verordening dierlijke bijproducten)(PbEU 2009, L 300), behalve die welke bestemd zijn om te worden verbrand of gestort of voor gebruik in een biogas- of composteerinstallatie; 2°. kadavers van niet door slachting gestorven dieren, met inbegrip van dieren die worden gedood om een epizoötie uit te roeien en overeenkomstig de onder 1° genoemde verordening nr. 1069/2009 worden verwijderd. 2. (…). Artikel 10.37 1. Het is verboden zich door afgifte aan een ander van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen te ontdoen. 2. Het