Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2017-11-01
ECLI:NL:RBGEL:2017:5660
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: AWB 16/5017 uitspraak van de meervoudige kamer van in de zaak tussen [eiser], te [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr. J. Ockhuijsen), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen , verweerder. Derde-partij: [belanghebbende]’, te [plaats], vergunninghoudster. Procesverloop Per formulier gedateerd 14 juni 2015 (hierna: aanvraag) heeft vergunninghoudster gevraagd om verlening van een omgevingsvergunning voor de interne verbouwing van een pand. Bij besluit van 22 februari 2016 (hierna: primair besluit) heeft verweerder de aanvraag toegewezen. Op 4 april 2016 heeft eiser bezwaar tegen het primaire besluit gemaakt. Bij besluit van 11 juli 2016 (hierna: bestreden besluit) heeft verweerder het primaire besluit, met een gewijzigde motivering, in stand gelaten. Op 19 augustus 2016 heeft eiser beroep tegen het bestreden besluit ingesteld. Op 29 december 2016 heeft vergunninghoudster een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven. Op 28 april 2017 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Op 28 augustus 2017 is het beroep tijdens een zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: - eiser, zijn gemachtigde en J.H.I. van Dijk; - S.K. Maassen en mr. C.M. Sly namens verweerder; - N.B.F. van der Doorn, mr. B.W.M. van Hoof en M. van der Plas namens vergunninghoudster Overwegingen Inleiding 1.1. Op het perceel dat kadastraal bekend staat als gemeente Nijmegen, [locatie] – en plaatselijk als [locatie] – staat een pand dat oorspronkelijk fungeerde als [locatie]. Op het perceel dat kadastraal bekend staat als gemeente Nijmegen, [locatie] – en plaatselijk als [locatie] – staat een pand dat oorspronkelijk fungeerde als [locatie]. 1.2. Het voormalig [locatie] is inmiddels intern verbouwd tot een complex met dertien wooneenheden. De omgevingsvergunning die deze verbouwing mogelijk heeft gemaakt, is onherroepelijk. 1.3. De voormalige [locatie] herbergt momenteel zes ateliers. Vergunninghoudster wil dit pand intern verbouwen tot een complex met vijf ateliers en veertien wooneenheden. De aanvraag strekt tot verkrijging van een omgevingsvergunning om dit bouw- en sloopplan (hierna: project) mogelijk te maken. Omvang van het geding 2.1. Eiser woont in een appartementencomplex dat grenst aan het perceel [locatie] en heeft zicht op de voormalige [locatie]. Hij vreest dat het door vergunninghoudster beoogde gebruik van dit gebouw zal leiden tot aantasting van zijn woongenot, in de vorm van extra parkeer- en geluidhinder. 2.2. Eiser heeft in het (aanvullend) beroepschrift geklaagd over de wijze waarop de aanvraag is gepubliceerd en over de voorbereidingsprocedure die is gevolgd om op de aanvraag te beslissen. Verder heeft hij betoogd dat het project zich niet verdraagt met de in de plaatselijke bouwverordening neergelegde eisen ten aanzien van parkeren en evenmin met de redelijke eisen van welstand. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat het project zonder onrechtmatige staatssteun financieel-economisch niet haalbaar is. 2.3 Ter zitting heeft eiser de beroepsgronden over de gevolgde voorbereidingsprocedure en over de strijd met redelijke eisen van welstand ingetrokken. De andere beroepsgronden heeft hij gehandhaafd. 2.4 Het geding beperkt zich bovendien tot de vraag of verweerder toestemming mocht geven voor activiteiten ‘bouwen’ en ‘gebruiken in strijd met het bestemmingsplan’. 3.1. De rechtbank komt niet toe aan een onderzoek naar de vraag of het project zonder staatssteun financieel-economisch niet haalbaar is. Daartoe overweegt zij het volgende. 3.2.1. Artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. 3.2.2. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming v Artikel 2.5.30, vierde lid, van de Bouwverordening bepaalt onder meer dat het bevoegd gezag de omgevingsvergunning in afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan verlenen indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, of voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte wordt voorzien. 5.4.1. Toen het bestreden besluit werd genomen, golden de door verweerder op 10 mei 2016 vastgestelde Beleidsregels parkeren. 5.4.2. Onderdeel C van hoofdstuk 2 van dit besluit luidt als volgt: “De (oude) beleidsregels ex artikel 2.5.30 van de Nijmeegse Bouwverordening zoals vastgesteld bij besluit van burgemeester en wethouders van 19 februari 2013 en gepubliceerd in het gemeenteblad GB2013-040, blijven van toepassing op omgevingvergunningsaanvragen die zijn ingediend vóór de datum van inwerkingtreding van onderhavige beleidsregels.” 5.4.3. Dit betekent dat verweerder bij de beslissing op de aanvraag en de heroverweging van het primaire besluit de door hem op 19 februari 2013 vastgestelde Beleidsregels parkeren (hierna: Beleidsregels) moest betrekken. 5.4.4. Volgens artikel 1, eerste lid, van de Beleidsregels hoeft bij de beantwoording van de vraag of wordt voorzien in voldoende parkeermogelijkheden, alleen rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van “het project”. 5.4.5. Bijlage 1 bij de Beleidsregels (hierna: Bijlage) bevat kengetallen – parkeernormen – die moeten worden gehanteerd bij het bepalen van de parkeerbehoefte die “het project” genereert. 5.5. Verweerder stelt dat het project voldoet aan het bepaalde in artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening. Ter onderbouwing van dit standpunt voert hij aan dat geen reden bestaat om rekening te houden met de nu ter plaatse bestaande parkeerproblemen, en dat de toekomstige parkeerbehoefte zal afnemen. In dit kader verwijst verweerder naar berekeningen die hij op 7 augustus 2015 en 4 juli 2016 heeft laten maken. 5.6. Eiser is van mening dat wel rekening moet worden gehouden met de nu ter plaatse bestaande parkeerproblemen, met het argument dat – na de realisering van het project –sprake zal zijn van een geheel nieuwe situatie. Daarnaast betoogt eiser dat verweerder de op 7 augustus 2015 en 4 juli 2016 gemaakte berekeningen niet aan het bestreden besluit ten grondslag mocht leggen. 5.7.1. De rechtbank stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of in dit geval wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening, het project dat is aangevraagd – dit wil zeggen: de interne verbouwing van de voormalige [locatie] – op zichzelf moet worden beschouwd. In dit kader constateert de rechtbank dat vergunninghoudster bewust heeft gekozen voor afzonderlijke vergunningaanvragen voor de verbouwing van het voormalig [locatie] en die van de voormalige [locatie], en dat de omgevingsvergunning voor de verbouwing van het voormalig [locatie] onherroepelijk is. 5.7.2. Gelet hierop mocht en mag verweerder bij de beantwoording van de vraag of het project voldoet aan de eisen die artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening stelt, alleen de parkeerbehoefte en parkeerruimte van de voormalige [locatie] betrekken. 5.7.3. Dit alles betekent dat verweerder de op 7 augustus 2015 en 4 juli 2016 gemaakte berekeningen ten onrechte aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Die berekeningen houden immers ook rekening met de parkeerbehoefte en parkeerruimte van het voormalig [locatie] toen dit pand als discotheek werd gebruikt. 5.7.4. Aan de hand van de Bijlage stelt de rechtbank – in navolging van verweerder – vast dat de aangevraagde activiteit leidt tot een extra behoefte van zes parkeerplaatsen. Op het eigen terrein van de voormalige [locatie] zijn echter geen parkeerplaatsen gesitueerd. Ook anderszins voorziet het project niet in extra parkeerplaatsen. 5.7.5. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat het project in strijd is met artikel 2.5.