Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2017-10-11
ECLI:NL:RBGEL:2017:5286
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: 17/216 uitspraak van de meervoudige kamer van 11 oktober 2017 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser, wettelijk vertegenwoordigd door [naam] , te Arnhem, (gemachtigde: mr. R. Karama), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem te Arnhem, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 8 juli 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een persoonsgebonden budget (pgb) van 20 uur per week voor jeugdhulp op grond van de Jeugdwet (Jw) in de vorm van informele zorg afgewezen. Bij besluit van 1 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2017. [naam] is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van eiser. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door L.E.W. Jansen, mr. M. van Wolfen, D. Schuurman en M. Otten. Overwegingen 1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. 1.1 Eiser, geboren op [geboortedatum] 2012, is gediagnosticeerd met Autistisch Spectrum Stoornis (ASS) en heeft een ontwikkelingsachterstand. Eiser heeft ernstige problemen met eten, spraak- en taalproblemen, vertoont een sterke mate van zelfbepalend gedrag en heeft moeite met veranderingen. Eiser woont bij zijn ouders en jongere broertje. Zijn vader heeft ook autisme en last van psychische klachten en werkt momenteel niet buitenshuis. Zijn moeder werkt als administratief medewerker bij [een Instantie] en heeft een aanstelling voor 36 uur per week. Door ouderschapsverlof en jaarlijks (kortdurend zorg)verlof op te nemen werkt zij feitelijk 27 uur per week. 1.2 Op basis van de indicatie van eiser heeft verweerder de volgende voorzieningen voor eiser en zijn ouders getroffen: - dagbehandeling bij [de Instelling] , sinds 18 mei 2015, vanaf 1 januari 2016 voor 9 dagdelen per week; - Discrete Trial Teaching (DTT) bij [de Instelling] , sinds 21 december 2015; - vervoer naar de dagbehandeling bij [de Instelling] , sinds 18 mei 2015; - ambulante gezinsondersteuning, via [de Instelling] (gespecialiseerde begeleiding), gestart op 18 mei 2015, sinds 2 april 2016 voor 2 uur per week; - praktische gezinsondersteuning via [de Instelling] , sinds 2 april 2016 voor 1 uur per week; - hulp bij het huishouden, sinds 10 juni 2016 voor 2 uur per week. Verweerder heeft aangeboden om 3-4 uur per week aan ambulante gezinsondersteuning en 2-6 uur per week aan praktische gezinsondersteuning in te zetten. De ouders van eiser hebben echter gekozen voor 2 uur ambulante gezinsondersteuning en 1 uur praktische gezinsondersteuning per week. 1.3 Eiser heeft in maart 2016 een pgb aangevraagd voor 20 uur per week voor informele zorg te verlenen door zijn moeder. 2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het gezin met het geheel van de reeds getroffen voorzieningen in voldoende mate ondersteund wordt bij de intensieve zorg voor eiser en verweerder hiermee aan de verplichting tot het treffen van voorzieningen voor jeugdhulp heeft voldaan. Volgens verweerder is niet gebleken dat de gespecialiseerde ambulante begeleiding niet volstaat en dat de moeder van eiser deze hulp zelf voor haar rekening dient te nemen. Om tegemoet te komen aan de behoefte van eiser om niet teveel verschillende gezichten te zien, heeft verweerder aangegeven dat de ambulante gezinsondersteuning en de praktische gezinsondersteuning door dezelfde persoon uitgevoerd kan worden. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het hier noodzakelijke professionele hulp betreft die door de moeder van eiser niet kan worden geleverd aangezien zij hiervoor niet gekwalificeerd is. 3. Namens eiser is aangevoerd dat hij de beste ontwikkeling heeft laten zien onder de begeleiding en zorg van zijn moeder. Eiser heeft derhalve de meeste baat bij begeleiding doo de mate van verplichting die voortvloeit uit het pgb en de daaraan verbonden voorwaarden voor de persoon van wie de jeugdhulp betrokken wordt. 4.3 Op grond van vorenstaande in 4.1 en 4.2 stelt de rechtbank vast dat verweerder bij een aanvraag voor jeugdhulp eerst dient te onderzoeken of een jeugdige of zijn ouders een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig hebben en zo ja, welke voorziening precies moet worden getroffen. Hierbij is het dus aan verweerder en niet aan de jeugdige of zijn ouders om te beoordelen welke voorziening het meest passend is. Pas daarna dient verweerder, indien de jeugdige of zijn ouders dit wensen, te onderzoeken of de jeugdige of zijn ouders in staat dienen te worden gesteld om de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden, al dan niet binnen het sociale netwerk, te betrekken door middel van het verstrekken van een pgb. 4.4 Hiervan uitgaande dient de rechtbank allereerst de vraag te beantwoorden of het onderzoek van verweerder naar de behoefte van eiser aan jeugdhulp voldoet aan de daaraan uit een oogpunt van zorgvuldigheid en motivering te stellen eisen. 4.5 Zoals de Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft overwogen in zijn uitspraak van 1 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1477) volgt uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 2.3 van de Jw dat het bestuursorgaan voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over jeugdhulp van belang zijnde feiten en af te wegen belangen. Dit brengt met zich dat wanneer een jeugdige of een ouder zich meldt met een vraag voor jeugdhulp het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder is. Vervolgens zal het college moeten vaststellen of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn. Eerst wanneer de problemen en stoornissen zijn vastgesteld, kan worden bepaald welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. Nadat de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht, moet worden onderzocht of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden. Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een voorziening van jeugdhulp te verlenen. Voor zover het onderzoek naar de nodige hulp, dan wel jeugdhulp specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet mogen ontbreken. De vorenbedoelde verschillende stadia van onderzoek vragen op die stadia aangepaste deskundigheid. Het college dient ervoor zorg te dragen dat die deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager. 4.6 Gelet op het in 4.5 weergegeven onderzoeks- en beoordelingskader, de stukken van het dossier en het verhandelde ter zitting is de rechtbank van oordeel dat verweerder het onderzoek naar de nodige hulp voldoende zorgvuldig heeft voorbereid en de op grond van het onderzoek vastgestelde benodigde hulp deugdelijk heeft gemotiveerd. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking. Verweerder is al langere tijd intensief betrokken bij het gezin van eiser. Aan de hand van een eerdere hulpvraag van het gezin, zoals die door de moeder van eiser is geformuleerd tijdens het gesprek met een wijkteamcoach op 24 maart 2015, heeft verweerder eiser geplaatst bij [de Instelling] , alwaar een observatie- en diagnostiektraject is uitgevoerd en is vastgesteld wat de problemen en stoornissen van eiser zijn. Vervolgens heeft verweerder, mede op basis van het advies van [de Instelling] en het betrokken wijkteam, bepaald welke hulp naar aard en omvang nodig is voor eiser en heeft