Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2017-06-28
ECLI:NL:RBGEL:2017:3354
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,629 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: 16/7898
uitspraak van de meervoudige kamer van 28 juni 2017
in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. A.E.L.Th. Balkema),
en
[verweerder]
te [plaats] , verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 16 november 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag om bijstand ingevolge de Participatiewet (Pw) afgewezen.
Bij besluit van 21 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Vink.
Overwegingen
1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser ontvangt van het UWV een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) en een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW). Eiser heeft op 11 november 2016 (aanvullende) bijstand aangevraagd.
2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het inkomen van eiser (€ 978,09) meer bedraagt dan de op hem van toepassing zijnde bijstandsnorm
(€ 977,15) en dat hij daarom geen recht heeft op bijstand. Bij de berekening van het inkomen van eiser heeft verweerder met toepassing van de artikelen 10 tot en met 14 van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ (hierna: de Regeling) eisers aanspraak op vakantietoeslag over de WW-uitkering en de toeslag meegenomen in de berekening van het inkomen.
3. Eiser heeft aangevoerd dat het recht op bijstand per kalendermaand moet worden vastgesteld aan de hand van zijn feitelijke inkomsten per maand. Volgens eiser bedraagt zijn netto-uitkering op grond van de WW en de TW € 919,49 per maand exclusief vakantietoeslag en bedraagt de bijstand op grond van de Pw € 930,62 per maand exclusief vakantietoeslag. Volgens eiser wordt dit verschil veroorzaakt doordat in de Regeling voor de berekening van het vakantiegeld van de bijstand een percentage van 5 wordt gehanteerd en voor het inkomen uit WW en TW een percentage van 8.
Eiser stelt bovendien dat de Regeling onverbindend is omdat hij in strijd is met het gelijkheidsbeginsel van artikel 1 van de Grondwet, artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 12 van het Eerste Protocol bij het EVRM (bedoeld zal zijn artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM) en artikel 2 en 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR). De Regeling leidt er volgens eiser namelijk toe dat een weliswaar kleine groep mensen, waartoe eiser behoort, van wie het inkomen in 11 van de 12 maanden van het jaar feitelijk minder bedraagt dan de bijstandsnorm, ten onrechte gedurende 11 maanden geen aanvulling krijgt. Volgens eiser moet hem gelet op het voorgaande en gelet op het bepaalde in artikel 45 van de Pw voor het verschil tussen zijn maandelijkse inkomen en de bijstandsnorm leenbijstand worden verstrekt.
4. In artikel 19, eerste lid, van de Pw is, voor zover van belang, bepaald dat de alleenstaande recht heeft op algemene bijstand indien het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm.
In artikel 19, tweede lid, van de Pw is bepaald dat de hoogte van de algemene bijstand het verschil is tussen het inkomen en de bijstandsnorm.
Ingevolge het derde lid van dit artikel is in de algemene bijstand een vakantietoeslag begrepen van 5 procent van die bijstand.
In artikel 45, eerste lid, eerste volzin, van de Pw is bepaald dat de algemene bijstand per kalendermaand wordt vastgesteld en betaald.
Ingevolge artikel 32, eerste lid, van de Pw, voor zover van belang, wordt onder inkomen verstaan de op grond van artikel 31 Pw in aanmerking te nemen middelen voor zover deze betreffen socialezekerheidsuitkeringen en betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.
In artikel 31, vierde lid, van de Pw is bepaald dat bij ministeriële regeling regels worden gesteld met betrekking tot het in aanmerking nemen van de aanspraak op vakantietoeslag over een inkomen.
Ingevolge artikel 10 van de Regeling neemt het college, indien over het inkomen van de belanghebbende aanspraak op vakantietoeslag bestaat bij de vaststelling van de hoogte van de algemene bijstand mede de op grond van de artikelen 11, 12, 13 of 14 berekende aanspraak op vakantietoeslag in aanmerking.
Ingevolge artikel 12 van de Regeling, zoals dat artikel luidde ten tijde van belang, wordt, indien de belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid van de Algemene Ouderdomswet nog niet heeft bereikt, het in aanmerking te nemen inkomen loon uit vroegere arbeid betreft en voor de inhouding van loonheffing rekening is gehouden met de algemene heffingskorting, de aanspraak op vakantietoeslag vastgesteld aan de hand van de navolgende tabel, waarbij onder ‘ink’ het inkomen wordt verstaan.
bij een netto inkomen per maand
bedraagt de aanspraak
op vakantietoeslag
gelijk aan of meer dan
en minder dan
€
0,00
€
473,38
8,00%
x ink
€
473,38
€
511,17
5,08%
x ink
€
511,17
€
1163,27
8,00%
x ink
- €
14,95
€
1163,27
7,54%
x ink
- €
14,09
5. In geval van een aanvraag om bijstand loopt de beoordelingsperiode vanaf de datum met ingang waarvan bijstand wordt aangevraagd tot en met de datum van het primaire besluit. De beoordelingsperiode loopt derhalve van 11 november 2016 tot en met 16 november 2016.
6. De rechtbank is van oordeel dat uit het onder 4. weergegeven wettelijk kader voortvloeit dat verweerder de aanvraag om bijstand terecht heeft afgewezen. Niet in geschil is dat verweerder is uitgegaan van het juiste inkomen en de tabel in artikel 12 van de Regeling juist heeft toegepast. Dat in artikel 45 van de Pw is bepaald dat de algemene bijstand per kalendermaand wordt vastgesteld laat onverlet dat dit dient te geschieden met inachtneming van de op grond van artikel 31, vierde lid, van de Pw vastgestelde Regeling.
7. Het betoog van eiser dat de Regeling in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en daarom onverbindend is treft evenmin doel. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is nodig dat sprake is van gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld en er bovendien voor die ongelijke behandeling geen objectieve en redelijke rechtvaardiging is. Naar het oordeel van de rechtbank is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen geen sprake. Zo er al sprake zou zijn van ongelijkheden, dan is daarvoor met de hierna genoemde delen uit de wetsgeschiedenis een objectieve en redelijke rechtvaardiging gegeven.
8.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C.G. Okhuizen, voorzitter, mr. E.C.E. Marechal en mr. L. van den Berg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier.
Dictum
Griffier
Voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.