Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2015-02-19
ECLI:NL:RBGEL:2015:1087
Bestuursrecht
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: 14/2456 uitspraak van de meervoudige kamer van in de zaak tussen [eiser], te [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr. M.J. van Dam), en de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) te Amstelveen, verweerder. Bij besluit van 30 juli 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser medegedeeld dat zijn aanvraag van 1 februari 2012 tot regularisatie op grond van artikel 13 van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden (hierna: het Verdrag) is afgewezen. Bij besluit van 27 februari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2014. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P. van den Berg De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een besluit op bezwaar neemt, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen; veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 974; - bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 45 aan hem vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C.E. Marechal, voorzitter, mr. H.J. Klein Egelink en mr. J.J.W.P. van Gastel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening. 1. Eiser heeft verweerder op 1 februari 2012 een aanvraag doen toekomen. Daarin heeft eiser, samengevat en voor zover van belang, het volgende aangegeven. Eiser heeft van 19 januari 2006 tot en met 31 december 2008 in dienst van […], gevestigd te Luxemburg, gevaren op een binnenvaartschip. Van 19 januari 2006 tot en met 31 maart 2008 op de “[…]” en van 1 april 2008 tot en met 31 december 2008 op de “[…]”. Beide schepen behoren tot de zogeheten Rijnvaart. Over het grootste deel van die periode heeft hij zowel sociale premies (“cotisations sociales”) in Luxemburg als premies volksverzekeringen in Nederland afgedragen. Eiser heeft er voorts op gewezen dat aan hem door de bevoegde instantie in Luxemburg een E106 verklaring is afgegeven. Eiser wil geen dubbele premies afdragen en heeft daarom aan verweerder het verzoek gedaan, voor zover nodig met toepassing van artikel 13 van het Verdrag, te bepalen dat hij in de jaren 2006, 2007 en 2008 uitsluitend verzekerd is geweest voor de sociale verzekeringswetgeving van Luxemburg en dat hij over die periode dan ook geen sociale verzekeringspremie in Nederland verschuldigd is. 2. In het primaire besluit heeft verweerder eiser meegedeeld dat eisers aanvraag om regularisatie op dit moment wordt afgewezen. Daarbij heeft verweerder van belang geacht dat eiser rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de vaststelling door de inspecteur van de Belastingdienst (hierna: de Belastingdienst) dat hij in Nederland verzekerings- en premieplichtig is. In beginsel neemt verweerder geen inwilligende beslissing met betrekking tot verzoeken om regularisatie zolang de beslissing van de Belastingdienst met betrekking tot eisers verzekerings- en premieplicht niet rechtens onaantastbaar is. Ten overvloede heeft verweerder opgemerkt dat de gegevens die hij tot dusver heeft ontvangen er op wijzen dat sprake is van verzekeringsplicht in Nederland. 3. De afwijzing van de aanvraag heeft verweerder in het bestreden besluit gehandhaafd. 4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft de afwijzing van de aanvraag gemotiveerd aangevochten. Ter zitting heeft eiser benadrukt dat de aanvraag er op gericht is een vaststelling te verkrijgen dat Luxemburgs recht van toepassing is, zowel ten aanzien van de volksverzekeringen als de werknemersverzekeringen. Daarbij maakt het eiser niet uit of dat aan de hand van artikel 11, 12 of 13 van het Verdrag geschiedt. 5. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat op eiser het Verdrag van toepassing is. Van belang zijn de bepalingen in het Verdrag, zoals deze luidden in de periode van 19 januari 2006 tot en met 31 december 2008, in het bijzonder de bepalingen van titel II, met als opschrift: bepalingen met betrekking tot de toe te passen wetgeving. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van het Verdrag is op de rijnvarende slechts de wetgeving van één enkele Verdragsluitende Partij van toepassing. Ingevolge artikel 11, tweede lid, van het Verdrag is op de rijnvarende van toepassing de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan zich de zetel bevindt van de onderneming, waartoe het in artikel 1, sub m) bedoelde schip, aan boord waarvan deze rijnvarende zijn beroepsarbeid verricht, behoort. Indien deze onderneming echter geen zetel heeft op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij, is op de rijnvarende van toepassing de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan zich het filiaal of de vaste vertegenwoordiging van die onderneming bevindt. Ingevolge artikel 11, derde lid, van het Verdrag is op de rijnvarende, die zijn schip zelf exploiteert, van toepassing de wetgeving van de Verdragsluitende Partij, op het grondgebied waarvan zijn onderneming haar zetel heeft. Indien zijn onderneming geen zetel heeft op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij is op deze rijnvarende, alsmede op iedere andere rijnvarende, die zijn beroepsarbeid aan boord van dit schip verricht, van toepassing de wetgeving van de Verdragsluitende Partij, op het grondgebied waarvan zich de plaats van inschrijving of de thuishaven van dit schip bevindt. Ingevolge artikel 11, vierde lid,van het Verdrag is op de hulpkracht van toepassing de wetgeving van de Verdragsluitende Partij, op het grondgebied waarvan hij woont. Ingevolge artikel 12, eerste lid, van het Verdrag, is artikel 11 niet van toepassing op de vrijwillige of de vrijwillig voortgezette verzekering, behalve indien er krachtens de wetgeving van de betrokken Verdragsluitende Partij voor een van de takken van sociale zekerheid, bedoeld in artikel 3, eerste lid, slechts een regeling inzake vrijwillige verzekering bestaat. Ingevolge artikel 12, tweede lid, van het Verdrag is, ingeval de toepassing van de wetgevingen van twee of meer Verdragsluitende Partijen zou kunnen leiden tot verplichte verzekering en tot het recht tot gelijktijdige toetreding tot één of meer regelingen van vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering, op de betrokkene uitsluitend de verplichte verzekering van toepassing. De bepalingen van de wetgeving van een Verdragsluitende Partij, welke ter zake van invaliditeit, ouderdom en overlijden (pensioenen) gelijktijdige aansluiting bij de vrijwillige of de vrijwillig voortgezette verzekering krachtens deze wetgeving en de verplichte verzekering krachtens de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij toestaan, blijven echter onverlet. Ingevolge artikel 12, derde lid, van het Verdrag kan ingeval toepassing van de wetgevingen van twee of meer Verdragsluitende Partijen zou kunnen leiden tot het recht tot toetreding tot twee of meer regelingen van vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering, de betrokkene slechts worden toegelaten tot de regeling van vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan hij woont of waarvan hij onderdaan is. Ingevolge artikel 13, eerste lid, van het Verdrag kunnen de bevoegde autoriteiten van twee of meer Verdragsluitende Partijen in onderlinge overeenstemming, ten behoeve van de betrokken rijnvarenden, uitzonderingen op de artikelen 11 en 12 vaststellen. Ingevolge het tweede lid van artikel 13 is de toepassing van het vorige lid voor zover nodig afhankelijk van een verzoek van de betrokken rijnvarenden en eventueel van hun werkgevers. Bovendien neemt de bevoegde autoriteit van de Verdragsluitende Partij waarvan de wetgeving van toepassing zou moeten zijn, een beslissing, waarin wordt vastgesteld dat op bedoelde rijnvarenden niet langer deze wetgeving maar wel de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij van toepassing is. 6. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat de vaste werkwijze in gevallen als de onderhavige inhoudt dat de uitkomst van de procedures tegen de Belastingdienst over de te betalen belasting, inclusief premies, wordt afgewacht. Dit vanwege het feit dat de Belastingdienst zich in dat kader immers al heeft uitgelaten over de vraag of eiser verzekerings- en premieplichtig is. Voorts heeft verweerder ter zitting op vragen van de rechtbank geantwoord dat hij het bevoegde orgaan is om verzekeringsplicht vast te stellen en dat hij het enige orgaan is binnen Nederland dat een besluit kan af geven inzake de vraag welk recht van toepassing is bij grensoverschrijdende situaties als onderhavig. Dit geldt volgens verweerder zowel voor de verzekeringsplicht voor volksverzekeringen als voor de werknemersverzekeringen. Verweerder stelt het van toepassing zijnde recht echter alleen vast als er bepaalde signalen zijn of als er een aanvraag ter zake is ingediend. Verweerder heeft ter zitting verder aangegeven dat in dit geval niet is gevraagd om vaststelling van het toepasselijk recht maar om toepassing van het bepaalde in artikel 13 met betrekking tot regularisatie en dat zijn besluit daarom alleen op dit laatste betrekking heeft. 7. De rechtbank is van oordeel dat het Verdrag in de artikelen 11 en 12 bepaalt van welke staat het recht van toepassing is.