Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2015-01-06
ECLI:NL:RBGEL:2015:10
Strafrecht
Beschikking
2,757 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Team jeugdrecht
Zittingsplaats Arnhem
Meervoudige Raadkamer voor kinderstrafzaken
Parketnummer : 05/700090-12
Datum zitting : 23 december 2014
Datum uitspraak: 06 januari 2015
Beschikking op de vordering tot verlenging plaatsing inrichting voor jeugdigen
met betrekking tot de veroordeelde:
naam : [veroordeelde]
geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]
thans verblijvende in Justitiële Jeugdinrichting [plaats] .
Procesverloop
De raadkamer heeft kennis genomen van de op 5 december 2014 ter griffie van deze rechtbank ingekomen vordering van de officier van justitie in dit arrondissement, welke vordering strekt tot verlenging met 12 (twaalf) maanden van de bij vonnis van de meervoudige kamer in deze rechtbank d.d. 3 september 2012 opgelegde maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen met betrekking tot:
[veroordeelde] , voornoemd.
De raadkamer heeft verder kennis genomen van de processtukken, waaronder:
de aantekeningen als bedoeld in artikel 77t, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, en
het advies van de Justitiële Jeugdinrichting [plaats] , hierna te noemen: JJI, gedateerd 22 november 2014. In het advies wordt geadviseerd tot verlenging van de maatregel met een periode van 12 (twaalf) maanden.
In raadkamer van 23 december 2014 zijn gehoord:
de veroordeelde, hierna te noemen betrokkene;
diens raadsvrouw, mr. I. Saey, advocaat te Rotterdam;
de getuige-deskundige [naam] , als behandelcoördinator/gedragswetenschapper verbonden aan de JJI;
de ouders van de veroordeelde, bijgestaan door mevrouw H.C. de Lange-Mok, tolk, en
de officier van justitie, mr. G. Dankers.
Namens de heer [naam] , nabestaande en slachtoffer, is mevrouw [naam] van Slachtofferhulp Nederland verschenen.
De officier van justitie heeft de vordering toegelicht en daarbij gepersisteerd.
De getuige-deskundige heeft het advies toegelicht.
Betrokkene en zijn raadsvrouw hebben bij de behandeling van de vordering verzocht om de verlenging van de maatregel te beperken tot zes maanden.
Overwegingen
Het advies, d.d. 22 november 2014, van de kliniek vermeldt onder meer:
“(…) Het verloop van de huidige PIJ behandeling plaatst ons voor een moeilijk dilemma. We hebben te maken met een jongere die zich maximaal inzet, maar die is geplaatst met een zeer ernstig levensdelict. Er was bij de plaatsing sprake van een geschokte rechtsorde en landelijke en internationale media aandacht. (…) Voorafgaand aan de PIJ behandeling ging het niet zo goed met [veroordeelde] en er waren al veel problemen in de thuissituatie. Toch was er buiten een tweetal diefstallen en vernieling (brandstichting in een openbare prullenbak) nauwelijks sprake van een serieuze Justitiële Documentatie (criminele voorgeschiedenis). Het lijkt erop dat zowel de problemen die hebben geleid tot het delict, als de problemen in de thuissituatie duidelijk aanwijsbare en verklaarbare oorzaken hebben in de persoonlijke (PDD-NOS) achtergrond (met in het verlengde daarvan een pestverleden) van [veroordeelde] . De ouders leken in eerdere fasen niet goed in staat om het gedrag van [veroordeelde] bij te sturen en om grip te krijgen op zijn ontwikkeling. Hier lijkt acculturatieproblematiek een rol te hebben gespeeld, maar dit was niet in eerste instantie de problematiek van [veroordeelde] , maar eerder de acculturatieproblematiek van zijn ouders die vanuit die culturele barrière niet goed aanvoelden waar hun kind in de Nederlandse samenleving tegenaan liep. De ouders hebben in de afgelopen drie jaar veel geleerd en lijken te zijn gegroeid in hun ouderrol. Met de juiste begeleiding wordt de kans op herhaling vanuit de SAVRY zeer laag geschat. [veroordeelde] heeft aangegeven erg veel spijt van zijn daad te hebben. Voor zover wij hebben kunnen observeren gaat het hier om een rationele bespiegeling op zijn handelen en niet om een doorleefd emphatisch, maar wel oprecht spijtgevoel. De behandeling van [veroordeelde] is maar ten dele van de grond gekomen. Dit had niet zozeer te maken met de inzet van [veroordeelde] , maar met alle factoren om deze strafzaak, waardoor er bijvoorbeeld nog geen verloftraject tot stand is gekomen. Hierdoor is er vanuit de behandelfasering een flinke vertraging opgelopen en lopen we fors achter op schema. We kunnen dus niet stellen dat de ontwikkeling die [veroordeelde] door kan maken in een justitiële PIJ behandeling volledig is benut. Dit heeft ermee te maken dat hem nog niet de kans is geboden om te kunnen oefenen met bepaalde externe fasen van de behandeling. Dit constaterende lijkt een verlenging van de lopende PIJ behandeling dan ook geïndiceerd. Nu is bij een PIJ behandeling ‘timing’ belangrijk. Het gaat hierbij om het benutten van het juiste aangrijpingspunt, waarop de jongere bereid is om bepaalde adviezen een aangereikte gedragsalternatieven vanuit het behandelteam aan te nemen en uit te proberen. Wanneer dit moment voorbijgaat, dan daalt de behandelmotivatie en de bereidheid van de jongere om iets te doen met dit hulpaanbod en is de kans groot dat er eerder sprake is van een negatieve ontwikkeling dan van een positieve ontwikkeling voor de jongere. Dat moment is nu nog niet aangebroken, maar het is wel van belang om te constateren, dat als de behandeling zou blijven voortslepen zoals in de laatste fase van de afgelopen termijn is gebeurd, er mogelijk in de komende termijn een omslagpunt komt, waarbij we moeten stellen dat de behandeling de ontwikkeling van de jongere niet meer ten goede komt. (…) Gelet op de aard en de omvang van het recidiverisico is het noodzakelijk, dat in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling, [veroordeelde] de komende tijd verder gaat werken aan de genoemde behandeldoelen. Om deze doelen te behalen heeft [veroordeelde] minimaal een periode van 12 maanden nodig. (…) De behandeling moet vooralsnog, ondanks het matige tot lage recidiverisico, residentieel worden voortgezet. Dit heeft ermee te maken dat we niet alle fasen uit een PIJ behandeling hebben kunnen uitproberen. (…)”
Tijdens de zitting van de raadkamer van 23 december 2014 is, voor zover voor de beslissing van belang, het volgende verklaard, zakelijk samengevat.
De getuige-deskundige heeft het advies nader toegelicht en onder meer het volgende verklaard. Betrokkene kan zich niet verenigen met de diagnose PDD-NOS. Betrokkene houdt ten aanzien van zijn gedrag vast aan andere verklaringsfactoren. Het gedrag dat betrokkene laat zien is een kokervisie van waaruit hij overzichtsverlies in sociale situaties laat zien, van waaruit hij soms misstappen maakt. De behandeling is hierop gericht. Betrokkene moet een groter overzichtsgebied ontwikkelen in sociale situaties. Betrokkene werkt mee aan alle therapieën en interventies. Enige tijd geleden is gestart met de verlofvoorbereiding. Om toe te kunnen komen aan verlof is een positieve slachtoffertoets nodig. Het gesprek hiervoor heeft enkele malen geen doorgang kunnen vinden. De getuige-deskundige adviseert tot verlenging van de PIJ-maatregel.
De raadsvrouw van betrokkene heeft aangevoerd dat uit zowel het verlengingsadvies als ter zitting naar voren komt dat betrokkene het goed doet. Betrokkene heeft veel geleerd en de kans op recidive is laag. De behandelaar is van mening dat een groot deel van de problematiek van betrokkene zijn oorzaak vindt in de gediagnosticeerde PDD-NOS; deze is ook van invloed geweest op het delict. Doordat dit uitvoerig met betrokkene is besproken is de invloed van de aanwezige problematiek minder geworden. Betrokkene heeft diverse behandelingen en therapieën gevolgd en afgesloten. Hij kan zich niet vinden in de gestelde diagnose maar staat wel open voor behandeling. Betrokkene werkt op een positieve manier mee. De behandelfasering heeft een flinke vertraging opgelopen doordat het verlof niet van de grond komt. De behandeling stagneert volledig buiten de schuld van betrokkene om. De verlenging van de PIJ-maatregel kan slechts plaatsvinden indien dat in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van betrokkene. De raadsvrouw verwijst hierbij naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 juni 2014. (ECLI:NL:RBROT:2014:6463). Gelet hierop en gelet op hetgeen door de behandelaar naar voren is gebracht verzoekt de raadsvrouw de PIJ-maatregel te verlengen voor de duur van zes maanden. Het is noodzakelijk tussentijds te monitoren of aan het wettelijk criterium wordt voldaan.
De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat de opsteller van het rapport spreekt over een moeilijk dilemma. Betrokkene is veroordeeld voor een ernstig delict. Hij zet zich thans maximaal in. Mede hierdoor is het recidivegevaar is met de juiste begeleiding laag. De behandeling loopt vertraging op doordat de externe fase niet kan worden ingezet. Uit het verlengingsadvies komt naar voren dat timing belangrijk is, maar dat nu nog niet het moment is aangebroken dat door de opgelopen vertraging sprake is van een negatieve ontwikkeling bij betrokkene. Er is zicht op een slachtoffertoets waardoor geen sprake is van een impasse. De officier van justitie neemt de aanbeveling van de JJI over en vordert de PIJ-maatregel met 12 maanden te verlengen.
De raadkamer neemt, gezien de stukken en gelet op het in raadkamer verhandelde, het advies van de inrichting om de maatregel te verlengen met 12 (twaalf) maanden over.
Naar het oordeel van de raadkamer is voldoende gemotiveerd onderbouwd waarom verlenging van de PIJ-maatregel voor de duur van 12 maanden noodzakelijk is.
De raadkamer stelt vast dat betrokkene een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Hij stelt zich open voor gesprekken en behandeling en met de juiste begeleiding wordt de kans op recidive zeer laag geschat. De behandeling van betrokkene is echter nog niet afgerond. Zo heeft de deskundige ter zitting onder meer naar voren gebracht dat betrokkene een groter overzichtsgebied dient te ontwikkelen in sociale situaties en dat het van belang is dat de behandeling zich uit gaat breiden naar de externe fase.
Dictum
Verlengt de termijn van de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen van [veroordeelde] , voornoemd voor een periode van 12 (twaalf) maanden.
Deze beschikking is gegeven in raadkamer op 06 januari 2015 door
mr. M.J.A.L. Beljaars, kinderrechter, als voorzitter,
mr. S. Kuypers, kinderrechter,
mr. S. Djebali, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Sluijters, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 06 januari 2015.