Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2014-12-09
ECLI:NL:RBGEL:2014:7562
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,067 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: 13/5544
uitspraak van de meervoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser], eiser
(gemachtigde: W.F.K. ter Hennepe),
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank te Amstelveen, verweerder.
Procesverloop
De rechtbank heeft in deze zaak op 7 maart 2014 (ECLI:NL:RBGEL:2014:2026) een tussenuitspraak gedaan.
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft verweerder – onder intrekking van het besluit
van 16 juli 2013 – op 1 mei 2014 een nieuw besluit op bezwaar genomen en de bezwaren
tegen het primaire besluit van 19 februari 2013 wederom ongegrond verklaard. Voor zover
het bezwaar is gericht tegen de ingangsdatum van eisers pensioen ingevolge
de Algemene Ouderdomswet (AOW) is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij brief van 21 mei 2014 heeft eiser daartegen zijn zienswijze naar voren gebracht.
Vervolgens is de zaak verwezen ter behandeling door de meervoudige kamer en hebben
partijen ingestemd met een nadere zitting in Arnhem.
Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 28 oktober 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. van der Weerd.
Overwegingen
1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak. Hieraan voegt de rechtbank het volgende toe.
2. De rechtbank overweegt dat het besluit van 1 mei 2014 niet geheel tegemoet komt aan het beroep tegen het bestreden besluit van 16 juli 2013 en dat het beroep ingevolge artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede is gericht tegen het nieuwe besluit op bezwaar. Nu gesteld noch gebleken is dat eiser nog procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit van 16 juli 2013, dient het beroep tegen dat besluit niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Aangezien verweerder met het besluit op bezwaar van 1 mei 2014 een gebrek in het besluit van 16 juli 2013 heeft willen herstellen en het besluit daarom heeft ingetrokken dient verweerder de door eiser gemaakte proceskosten en het betaalde griffierecht te vergoeden, zoals hierna is weergegeven.
Met betrekking tot het besluit op bezwaar van 1 mei 2014
3. Eiser kan zich niet met het besluit van 1 mei 2014 verenigen en heeft aangevoerd dat verweerder niet aan de tussenuitspraak heeft voldaan, nu verweerder het primaire besluit van 19 februari 2013 wederom niet beschouwt als een wijziging van het tijdstip waarop een toekomstige aanspraak zal ontstaan. Tevens heeft hij aangevoerd dat sprake is van strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Eerste Protocol EVRM), mede omdat meerdere tijdvakken die krachtens de AOW-opbouwverzekering zijn vervuld, blijkens het pensioenoverzicht zijn weggenomen en er in zijn geval sprake is van een individuele, onevenredig zware last ("individual and excessive burden"). Eiser heeft in dat verband aangevoerd dat hij schade lijdt, bestaande uit 18 maanden aan gemist AOW-pensioen, berekend op € 13.948 en daarnaast € 9.490 per jaar aan extra loon- en inkomstenbelasting die hij verschuldigd is over zijn pensioen, die hij niet hoeft te betalen als de verhoging van de AOW-leeftijd en de daaraan gekoppelde te betalen belasting niet was doorgegaan. In totaal bedraagt de geraamde schade volgens eiser € 30.000. Volgens eiser heeft zijn voormalig werkgever, de minister van defensie, nagelaten inzake het AOW-gat een meer passende regeling met de vakbonden af te spreken.
Ten slotte heeft verweerder door pas op 1 mei 2014 volledig te beslissen op het bezwaar, gelet op de ingebrekestelling op 4 juli 2013, de volledige dwangsom verbeurd.
4. De rechtbank is, anders dan eiser meent, van oordeel dat verweerder het besluit van 1 mei 2014 heeft genomen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in de tussenuitspraak. Daartoe wordt als volgt overwogen.
5. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank gewezen op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 8 oktober 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BN9959), waarin is overwogen dat een beslissing van een uitvoeringsinstelling als de onderhavige, een rechtsvaststelling inhoudt met betrekking tot de opgebouwde verzekerde tijdvakken en opgevat moet worden als een beslissing die verband houdt met het recht op uitkering.
Door middel van het pensioenoverzicht vindt een rechtsvaststelling plaats met betrekking tot eventueel toekomstige aanspraken van een betrokkene. Een dergelijke vaststelling is een besluit in de zin van de Awb, maar strekt niet verder dan de vaststelling van verzekerde tijdvakken tot aan de datum van het besluit, waarbij het pensioenoverzicht is gegeven.
Verweerder heeft zich in zijn besluit van 1 mei 2014 dan ook terecht op het standpunt gesteld dat er geen beslissing is genomen over het recht op AOW-pensioen dan wel over de datum met ingang waarvan dat pensioen wordt toegekend. De rechtbank is van oordeel dat de vermelding van de wijziging van het tijdstip waarop een toekomstige aanspraak zal kunnen ontstaan niet op rechtsgevolg is gericht.
De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar, voor zover gericht tegen de ingangsdatum van het AOW-pensioen, onjuist te achten. In zoverre komt de rechtbank niet toe aan de beantwoording van de vraag of de eventueel toekomstige aanspraak van eiser op AOW-pensioen per 27 juli 2021 strijdig is met het Eerste Protocol EVRM.
6. Verweerder heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak in het bestreden besluit toegelicht waarom eisers standpunt, dat met de als gevolg van de wetswijziging inzake de AOW-leeftijd optredende verschuiving van het aanvangstijdstip van de AOW-opbouw van 27 januari 1970 naar 27 juli 1971 sprake is van strijd met het Eerste Protocol EVRM, niet juist is.
Verweerder heeft aangegeven dat, indien ervan moet worden uitgegaan dat in dit geval gesproken kan worden van eigendomsontneming, ontneming van eigendom is toegestaan als aan de daaraan in het Eerste Protocol EVRM geformuleerde voorwaarden is voldaan. Hieraan is volgens verweerder voldaan, aangezien:
- de inbreuk op het eigendomsrecht bij wet is voorzien;
- de inbreuk een legitieme doelstelling heeft in het algemeen belang; en
- er een behoorlijk evenwicht is tussen de eisen van algemeen belang van de samenleving en de bescherming van de rechten van het individu.
7. De rechtbank is vooreerst van oordeel dat het Eerste Protocol EVRM ook in het onderhavige geval van toepassing is en wijst daarbij op een uitspraak van de CRvB van 13 augustus 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BX3783) waarin de CRvB met betrekking tot de in een pensioenoverzicht vastgestelde verzekeringstijdvakken heeft geoordeeld dat, in het midden latend of sprake is van ontneming van eigendom, ontneming van eigendom is toegestaan nu is voldaan aan de (overige) in het Eerste Protocol EVRM geformuleerde voorwaarden.
8. De rechtbank wijst voorts op de uitspraak van de CRvB van 27 juni 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:2276) inzake de toekenning van een AOW-pensioen waarin is geoordeeld dat – met betrekking tot een andere verzekerde dan eiser en in het midden latend of sprake is van ontneming van eigendom – er geen sprake is van strijd met het Eerste Protocol EVRM. De CRvB heeft overwogen dat de inbreuk op het eigendomsrecht bij wet is voorzien en een legitieme doelstelling heeft in het algemeen belang. De rechtbank ziet geen reden om deze uitspraak niet te volgen in de onderhavige zaak.
9. De CRvB heeft in de uitspraak van 27 juni 2014 geoordeeld dat in het in die zaak aan de orde zijnde geval sprake is van een redelijke proportionaliteitsrelatie tussen de gekozen middelen en het doel van de maatregel. In rechtsoverweging 4.7 van de uitspraak is verder overwogen:
“ Weliswaar heeft appellant door wijziging van de ingangsdatum over de maand april 2012 een substantieel lager inkomen genoten dan hij verwachtte. Deze verlaging is echter beperkt gebleven tot het inkomen over één enkele maand. Niet kan worden gezegd dat de wetswijziging in het geval van appellant gevolgen heeft gehad die daarmee niet zijn beoogd. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat onder ogen is gezien dat de gevolgen in individuele gevallen verschillen, afhankelijk van het aantal dagen tussen de eerste dag van de maand waarin de betrokkene geboren is en zijn geboortedatum. Ook is tot uitdrukking gebracht dat het aan de (vroeg) pensioenfondsen wordt overgelaten of compensatiemogelijkheden worden ingezet. Geen sprake is van een situatie waarin afbreuk is gedaan aan de kern van het eigendomsrecht. Voorts is van belang dat de wetswijziging alle rechthebbenden op AOW-pensioen treft die vanaf 1 april 2012 de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt, en niet alleen de vroeggepensioneerden onder hen en dat niet alleen (een deel van) de vroeggepensioneerden maar ook werknemers en particulier verzekerden in beginsel niet gecompenseerd zijn voor het (verwachte) inkomensverlies. In het geval van appellant is geen sprake van een situatie waarin een individu of kleine groep van personen zijn (enige) middel van bestaan (geheel) heeft verloren.
Conclusie
15. Gelet op hetgeen is overwogen onder 2 wordt verweerder veroordeeld in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.704,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting op 7 maart 2014, 0,5 punt voor het naar voren brengen van een zienswijze en 1 punt voor het verschijnen ter zitting op 28 oktober 2014 na tussenuitspraak met een waarde per punt van € 487 en een wegingsfactor 1).
Verweerder dient tevens het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
I. verklaart het beroep tegen het besluit van 16 juli 2013 niet-ontvankelijk;
II. veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.704,50;
III. bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 44 aan hem vergoedt;
IV. verklaart het beroep tegen het besluit van 1 mei 2014 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, voorzitter, mrs. J.A van Schagen en Y. van Wezel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:
Griffier
Voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.