Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2014-11-14
ECLI:NL:RBGEL:2014:7106
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
8,562 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
team strafrecht
zittingsplaats Zutphen
economische politierechter
parketnummer: 84/149547-12
datum vonnis: 14 november 2014
tegenspraak/dip
na aanhouding (voor bepaalde tijd): verschenen/nb
VONNIS
in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
wonende te [woonplaats] (Gld.), [adres]
Raadsman: mr. M. van Kan, advocaat te Zutphen.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 juli 2013 en 31 oktober 2014.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 10 augustus 2011 in de gemeente Bronckhorst, een of meer dieren (wilde konijnen) heeft gevangen en/of gedood in strijd met regels die op grond van het derde lid van artikel 72 Flora- en Faunawet zijn gesteld in artikel 7 van het Besluit beheer en schadebestrijding dieren, aangezien verdachte een geweer voor het doden van die dieren heeft gebruikt aan of nabij de Halle-Nijmanweg, zijnde in de bebouwde kom van die gemeente, althans in de/een onmiddellijk aan die kom grenzend(e) terrein(en);
Artikel 1a onder 3 Wet op de economische delicten
Artikel 72 lid 5 Flora- en Faunawet
Artikel 7 lid 9 aanhef en onder b Besluit beheer en schadebestrijding dieren.
Taal- en/of schrijffouten
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overwegingen
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
De verdachte heeft op 10 augustus 2011 rond 21:15 uur in Halle‑Nijman met gebruikmaking van een geweer drie konijnen doodgeschoten op een als paardenweide in gebruik zijnd weiland (hierna: het terrein). Het terrein ligt aan de Halle‑Nijmanweg binnen de op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde bebouwde kom en is ongeveer 40 m bij 35 m groot. B.Th. Dunnebach is eigenaar van het terrein en heeft het jachtrecht verhuurd. Het terrein is (grotendeels) met een houten hek omheind en er bevindt zich een metalen toegangshek aan de Halle‑Nijmanweg op de oostelijk gelegen hoek grenzend aan het perceel Halle‑Nijmanweg 40, waar een boerderij met agrarische opstallen is gelegen. Aan de overkant van het terrein en de weg liggen drie vrijstaande woningen: Halle‑Nijmanweg 36a, 36b en 36c. In westelijke richting grenst het terrein aan de grond en de gebouwen van een basisschool (Halle‑Nijmanweg 42‑44) en in zuidwestelijke richting aan het perceel Halseweg 20, waarop een (woon)boerderij is gelegen. Het terrein maakt deel uit van een perceel dat kadastraal bekend is als gemeente Zelhem, sectie AC, nr. 1132. Toen de verdachte met zijn geweer op de konijnen schoot stond hij onmiddellijk achter de omheining aan de kant van de Halle‑Nijmanweg.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
De verdachte en zijn raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat het terrein niet is gelegen binnen de bebouwde kom en daar ook niet onmiddellijk aan grenst en dat het tenlastegelegde daarom niet bewezen kan worden verklaard.
Noch in de Flora- en faunawet, noch in het Besluit beheer en schadebestrijding is een definitie opgenomen van het begrip ‘bebouwde kom’. De economische politierechter sluit zich aan bij de uitleg die in eerdere rechtspraak is gegeven aan het hier aan de orde zijnde begrippenpaar en is in navolging daarvan van oordeel dat, nu in de bedoelde wet- en regelgeving ook elke verwijzing ontbreekt naar andere wet- en regelgeving waarin het begrip ‘bebouwde kom’ is gedefinieerd, aan dit begrip in de bij en krachtens de Flora- en faunawet gestelde bepalingen een eigen, zelfstandige betekenis toekomt (vgl. ABR 23 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP5434, en Hof Leeuwarden 4 juni 2010, ECLI:NL:GHLEE:2010:BM6944). Deze betekenis dient te worden bepaald aan de hand van de ratio van de toepasselijke wettelijke bepalingen en de feiten en de omstandigheden van het geval. De ratio van het bepaalde in artikel 7, negende lid, aanhef en onder b, van het Besluit beheer en schadebestrijding, waarop de tenlastelegging is toegesneden, is het waarborgen van het welzijn en de veiligheid van personen die zich in de bebouwde kom bevinden. De enkele omstandigheid dat een locatie is gelegen binnen de bebouwde kom in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 of valt binnen de grenzen van de bebouwde kom zoals die door het gemeentebestuur (in het kader van de ruimtelijke ordening) worden gehanteerd, biedt wel een aanknopingspunt voor het antwoord op de vraag of er sprake is van een locatie binnen de bebouwde kom, maar de feitelijke situatie is van doorslaggevend belang.
Gezien de zo‑even bedoelde ratio en gezien de ruime uitleg die gelet daarop aan het begrip ‘bebouwde kom’ moet worden gegeven, dient het terrein te worden gerekend tot de bebouwde kom in de zin van artikel 7, negende lid, aanhef en onder b, van het Besluit beheer en schadebestrijding. Van belang hierbij zijn de ligging van het terrein – op korte afstand van verscheidene opstallen die als woning of openbare school in gebruik zijn – de omvang van het terrein, de bestemming en het gebruik van de grond en het gegeven dat het terrein is gelegen binnen de grenzen van de op grond van de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde bebouwde kom.
Bewezenverklaring
Naar het oordeel van de economische politierechter is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, te weten dat:
hij op 10 augustus 2011 in de gemeente Bronckhorst dieren (wilde konijnen) heeft gedood in strijd met de regels die op grond van de derde lid van artikel 72 van de Flora- en Faunawet zijn gesteld in artikel 7 van het Besluit beheer en schadebestrijding dieren, aangezien de verdachte voor het doden van die dieren een geweer heeft gebruikt aan de Halle‑Nijmanweg, zijnde in de bebouwde kom van die gemeente.
Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde
Het bewezenverklaarde levert op de overtreding:
Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 72, vijfde lid, van de Flora- en Faunawet.
Strafbaarheid van de verdachte
Door en namens de verdachte is aangevoerd dat hij ervan mocht uitgaan dat het terrein niet binnen de bebouwde kom viel. De verdachte valt daarom geen verwijt te maken van zijn handelen en hij behoort te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Al jaren werden op dezelfde locatie, op dezelfde manier, wilde konijnen afgeschoten en de verdachte deed daar ook al jaren aan mee. De verdachte heeft op enig moment geïnformeerd bij de voorzitter van Wildbeheereenheid (WBE) Zelhem‑Doetinchem, waarbij hij als jager is aangesloten, of Halle‑Nijman binnen de bebouwde kom in de zin van de bij en krachtens de Flora- en faunawet gestelde regels viel, wat volgens deze niet het geval was (proces‑verbaal van het verhoor door de rechter‑commissaris als getuige van [getuige] op 18 oktober 2013). Daarnaast heeft de verdachte aan een ambtenaar van de gemeente Bronckhorst, op wier gronden wildbeheereenheden waaronder WBE Zelhem‑Doetinchem het faunabeheer uitvoeren, dezelfde vraag gesteld en ook die heeft volgens de verdachte aangegeven dat Halle‑Nijman (in het kader van beheer en schadebestrijding) niet tot de bebouwde kom wordt gerekend (verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 31 oktober 2014 en een uitgeprinte e‑mail van 17 november 2011 van [betrokkene], medewerker van de gemeente Bronckhorst, over de bebouwde kom van Halle en Halle‑Nijman in het kader van een met de WBE gesloten overeenkomst over beheer en schadebestrijding, welke informatie volgens de verdachte overeenkomt met het antwoord dat hij eerder van een andere, intussen overleden, gemeenteambtenaar kreeg).
Om het verweer, dat neerkomt op een beroep op afwezigheid van alle schuld wegens dwaling ten aanzien van de wederrechtelijkheid van het bewezenverklaarde feit, te kunnen laten slagen is vereist – zie bijvoorbeeld: Hoge Raad 22 augustus 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX5738 (NJ 2006/484) – dat aannemelijk is dat de verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging. Daarvan kan sprake zijn als is gehandeld op advies van een persoon of instantie aan wie of waaraan zodanig gezag valt toe te kennen dat in redelijkheid op de deugdelijkheid van dat advies mocht worden vertrouwd.
Van een dergelijk advies is in dit geval, met het stellen van de hiervoor bedoelde vraag aan de voorzitter van de WBE en/of een gemeenteambtenaar en het antwoord daarop, ook als wordt aangenomen dat zij de vraag vóór de pleegdatum hebben beantwoord, nog géén sprake. Van belang hierbij is dat het met de uitleg van het begrip ‘bebouwde kom’ in de zin van het Besluit beheer en schadebestrijding en de toepassing op dit concrete geval vooral gaat om een juridisch onderwerp, ten aanzien waarvan beide personen zonder meer niet bij uitstek deskundig zijn te achten.
Dictum
De economische politierechter:
vernietigt de strafbeschikking en opnieuw rechtdoende:
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:
Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 72, vijfde lid, van de Flora- en faunawet;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 750,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis.
Aldus gewezen door mr. Van Lookeren Campagne, economische politierechter, in tegenwoordigheid van Jansen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 november 2014.
Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant], hoofdagent bij de voormalige regiopolitie Noord- en Oost‑Gelderland, team Bronckhorst, opgemaakte proces‑verbaal, dossiernummer 2011111043‑11, gesloten op 19 september 2011, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen‑verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
Verklaring verdachte ter terechtzitting van 31 oktober 2014 en proces-verbaal verhoor verdachte, p. 55.
Stamproces-verbaal (van bevindingen), p. 12 en p. 13.
Proces-verbaal verhoor getuige, p. 43.
Stamproces-verbaal (van bevindingen), p. 13, en kadastrale kaart, p. 32.
Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 31 oktober 2014.
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
team strafrecht
zittingsplaats Zutphen
economische politierechter
parketnummer: 84/149547-12
datum vonnis: 14 november 2014
tegenspraak/dip
na aanhouding (voor bepaalde tijd): verschenen/nb
VONNIS
in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
wonende te [woonplaats] (Gld.), [adres]
Raadsman: mr. M. van Kan, advocaat te Zutphen.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 juli 2013 en 31 oktober 2014.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 10 augustus 2011 in de gemeente Bronckhorst, een of meer dieren (wilde konijnen) heeft gevangen en/of gedood in strijd met regels die op grond van het derde lid van artikel 72 Flora- en Faunawet zijn gesteld in artikel 7 van het Besluit beheer en schadebestrijding dieren, aangezien verdachte een geweer voor het doden van die dieren heeft gebruikt aan of nabij de Halle-Nijmanweg, zijnde in de bebouwde kom van die gemeente, althans in de/een onmiddellijk aan die kom grenzend(e) terrein(en);
Artikel 1a onder 3 Wet op de economische delicten
Artikel 72 lid 5 Flora- en Faunawet
Artikel 7 lid 9 aanhef en onder b Besluit beheer en schadebestrijding dieren.
Taal- en/of schrijffouten
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overwegingen
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
De verdachte heeft op 10 augustus 2011 rond 21:15 uur in Halle‑Nijman met gebruikmaking van een geweer drie konijnen doodgeschoten op een als paardenweide in gebruik zijnd weiland (hierna: het terrein). Het terrein ligt aan de Halle‑Nijmanweg binnen de op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde bebouwde kom en is ongeveer 40 m bij 35 m groot. B.Th. Dunnebach is eigenaar van het terrein en heeft het jachtrecht verhuurd. Het terrein is (grotendeels) met een houten hek omheind en er bevindt zich een metalen toegangshek aan de Halle‑Nijmanweg op de oostelijk gelegen hoek grenzend aan het perceel Halle‑Nijmanweg 40, waar een boerderij met agrarische opstallen is gelegen. Aan de overkant van het terrein en de weg liggen drie vrijstaande woningen: Halle‑Nijmanweg 36a, 36b en 36c. In westelijke richting grenst het terrein aan de grond en de gebouwen van een basisschool (Halle‑Nijmanweg 42‑44) en in zuidwestelijke richting aan het perceel Halseweg 20, waarop een (woon)boerderij is gelegen. Het terrein maakt deel uit van een perceel dat kadastraal bekend is als gemeente Zelhem, sectie AC, nr. 1132. Toen de verdachte met zijn geweer op de konijnen schoot stond hij onmiddellijk achter de omheining aan de kant van de Halle‑Nijmanweg.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
De verdachte en zijn raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat het terrein niet is gelegen binnen de bebouwde kom en daar ook niet onmiddellijk aan grenst en dat het tenlastegelegde daarom niet bewezen kan worden verklaard.
Noch in de Flora- en faunawet, noch in het Besluit beheer en schadebestrijding is een definitie opgenomen van het begrip ‘bebouwde kom’. De economische politierechter sluit zich aan bij de uitleg die in eerdere rechtspraak is gegeven aan het hier aan de orde zijnde begrippenpaar en is in navolging daarvan van oordeel dat, nu in de bedoelde wet- en regelgeving ook elke verwijzing ontbreekt naar andere wet- en regelgeving waarin het begrip ‘bebouwde kom’ is gedefinieerd, aan dit begrip in de bij en krachtens de Flora- en faunawet gestelde bepalingen een eigen, zelfstandige betekenis toekomt (vgl. ABR 23 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP5434, en Hof Leeuwarden 4 juni 2010, ECLI:NL:GHLEE:2010:BM6944). Deze betekenis dient te worden bepaald aan de hand van de ratio van de toepasselijke wettelijke bepalingen en de feiten en de omstandigheden van het geval. De ratio van het bepaalde in artikel 7, negende lid, aanhef en onder b, van het Besluit beheer en schadebestrijding, waarop de tenlastelegging is toegesneden, is het waarborgen van het welzijn en de veiligheid van personen die zich in de bebouwde kom bevinden. De enkele omstandigheid dat een locatie is gelegen binnen de bebouwde kom in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 of valt binnen de grenzen van de bebouwde kom zoals die door het gemeentebestuur (in het kader van de ruimtelijke ordening) worden gehanteerd, biedt wel een aanknopingspunt voor het antwoord op de vraag of er sprake is van een locatie binnen de bebouwde kom, maar de feitelijke situatie is van doorslaggevend belang.
Gezien de zo‑even bedoelde ratio en gezien de ruime uitleg die gelet daarop aan het begrip ‘bebouwde kom’ moet worden gegeven, dient het terrein te worden gerekend tot de bebouwde kom in de zin van artikel 7, negende lid, aanhef en onder b, van het Besluit beheer en schadebestrijding. Van belang hierbij zijn de ligging van het terrein – op korte afstand van verscheidene opstallen die als woning of openbare school in gebruik zijn – de omvang van het terrein, de bestemming en het gebruik van de grond en het gegeven dat het terrein is gelegen binnen de grenzen van de op grond van de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde bebouwde kom.
Bewezenverklaring
Naar het oordeel van de economische politierechter is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, te weten dat:
hij op 10 augustus 2011 in de gemeente Bronckhorst dieren (wilde konijnen) heeft gedood in strijd met de regels die op grond van de derde lid van artikel 72 van de Flora- en Faunawet zijn gesteld in artikel 7 van het Besluit beheer en schadebestrijding dieren, aangezien de verdachte voor het doden van die dieren een geweer heeft gebruikt aan de Halle‑Nijmanweg, zijnde in de bebouwde kom van die gemeente.
Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde
Het bewezenverklaarde levert op de overtreding:
Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 72, vijfde lid, van de Flora- en Faunawet.
Strafbaarheid van de verdachte
Door en namens de verdachte is aangevoerd dat hij ervan mocht uitgaan dat het terrein niet binnen de bebouwde kom viel. De verdachte valt daarom geen verwijt te maken van zijn handelen en hij behoort te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Al jaren werden op dezelfde locatie, op dezelfde manier, wilde konijnen afgeschoten en de verdachte deed daar ook al jaren aan mee. De verdachte heeft op enig moment geïnformeerd bij de voorzitter van Wildbeheereenheid (WBE) Zelhem‑Doetinchem, waarbij hij als jager is aangesloten, of Halle‑Nijman binnen de bebouwde kom in de zin van de bij en krachtens de Flora- en faunawet gestelde regels viel, wat volgens deze niet het geval was (proces‑verbaal van het verhoor door de rechter‑commissaris als getuige van [getuige] op 18 oktober 2013). Daarnaast heeft de verdachte aan een ambtenaar van de gemeente Bronckhorst, op wier gronden wildbeheereenheden waaronder WBE Zelhem‑Doetinchem het faunabeheer uitvoeren, dezelfde vraag gesteld en ook die heeft volgens de verdachte aangegeven dat Halle‑Nijman (in het kader van beheer en schadebestrijding) niet tot de bebouwde kom wordt gerekend (verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 31 oktober 2014 en een uitgeprinte e‑mail van 17 november 2011 van [betrokkene], medewerker van de gemeente Bronckhorst, over de bebouwde kom van Halle en Halle‑Nijman in het kader van een met de WBE gesloten overeenkomst over beheer en schadebestrijding, welke informatie volgens de verdachte overeenkomt met het antwoord dat hij eerder van een andere, intussen overleden, gemeenteambtenaar kreeg).
Om het verweer, dat neerkomt op een beroep op afwezigheid van alle schuld wegens dwaling ten aanzien van de wederrechtelijkheid van het bewezenverklaarde feit, te kunnen laten slagen is vereist – zie bijvoorbeeld: Hoge Raad 22 augustus 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX5738 (NJ 2006/484) – dat aannemelijk is dat de verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging. Daarvan kan sprake zijn als is gehandeld op advies van een persoon of instantie aan wie of waaraan zodanig gezag valt toe te kennen dat in redelijkheid op de deugdelijkheid van dat advies mocht worden vertrouwd.
Van een dergelijk advies is in dit geval, met het stellen van de hiervoor bedoelde vraag aan de voorzitter van de WBE en/of een gemeenteambtenaar en het antwoord daarop, ook als wordt aangenomen dat zij de vraag vóór de pleegdatum hebben beantwoord, nog géén sprake. Van belang hierbij is dat het met de uitleg van het begrip ‘bebouwde kom’ in de zin van het Besluit beheer en schadebestrijding en de toepassing op dit concrete geval vooral gaat om een juridisch onderwerp, ten aanzien waarvan beide personen zonder meer niet bij uitstek deskundig zijn te achten.
Dictum
De economische politierechter:
vernietigt de strafbeschikking en opnieuw rechtdoende:
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:
Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 72, vijfde lid, van de Flora- en faunawet;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 750,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis.
Aldus gewezen door mr. Van Lookeren Campagne, economische politierechter, in tegenwoordigheid van Jansen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 november 2014.
Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant], hoofdagent bij de voormalige regiopolitie Noord- en Oost‑Gelderland, team Bronckhorst, opgemaakte proces‑verbaal, dossiernummer 2011111043‑11, gesloten op 19 september 2011, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen‑verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
Verklaring verdachte ter terechtzitting van 31 oktober 2014 en proces-verbaal verhoor verdachte, p. 55.
Stamproces-verbaal (van bevindingen), p. 12 en p. 13.
Proces-verbaal verhoor getuige, p. 43.
Stamproces-verbaal (van bevindingen), p. 13, en kadastrale kaart, p. 32.
Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 31 oktober 2014.
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
team strafrecht
zittingsplaats Zutphen
economische politierechter
parketnummer: 84/149547-12
datum vonnis: 14 november 2014
tegenspraak/dip
na aanhouding (voor bepaalde tijd): verschenen/nb
VONNIS
in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
wonende te [woonplaats] (Gld.), [adres]
Raadsman: mr. M. van Kan, advocaat te Zutphen.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 juli 2013 en 31 oktober 2014.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 10 augustus 2011 in de gemeente Bronckhorst, een of meer dieren (wilde konijnen) heeft gevangen en/of gedood in strijd met regels die op grond van het derde lid van artikel 72 Flora- en Faunawet zijn gesteld in artikel 7 van het Besluit beheer en schadebestrijding dieren, aangezien verdachte een geweer voor het doden van die dieren heeft gebruikt aan of nabij de Halle-Nijmanweg, zijnde in de bebouwde kom van die gemeente, althans in de/een onmiddellijk aan die kom grenzend(e) terrein(en);
Artikel 1a onder 3 Wet op de economische delicten
Artikel 72 lid 5 Flora- en Faunawet
Artikel 7 lid 9 aanhef en onder b Besluit beheer en schadebestrijding dieren.
Taal- en/of schrijffouten
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overwegingen
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
De verdachte heeft op 10 augustus 2011 rond 21:15 uur in Halle‑Nijman met gebruikmaking van een geweer drie konijnen doodgeschoten op een als paardenweide in gebruik zijnd weiland (hierna: het terrein). Het terrein ligt aan de Halle‑Nijmanweg binnen de op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde bebouwde kom en is ongeveer 40 m bij 35 m groot. B.Th. Dunnebach is eigenaar van het terrein en heeft het jachtrecht verhuurd. Het terrein is (grotendeels) met een houten hek omheind en er bevindt zich een metalen toegangshek aan de Halle‑Nijmanweg op de oostelijk gelegen hoek grenzend aan het perceel Halle‑Nijmanweg 40, waar een boerderij met agrarische opstallen is gelegen. Aan de overkant van het terrein en de weg liggen drie vrijstaande woningen: Halle‑Nijmanweg 36a, 36b en 36c. In westelijke richting grenst het terrein aan de grond en de gebouwen van een basisschool (Halle‑Nijmanweg 42‑44) en in zuidwestelijke richting aan het perceel Halseweg 20, waarop een (woon)boerderij is gelegen. Het terrein maakt deel uit van een perceel dat kadastraal bekend is als gemeente Zelhem, sectie AC, nr. 1132. Toen de verdachte met zijn geweer op de konijnen schoot stond hij onmiddellijk achter de omheining aan de kant van de Halle‑Nijmanweg.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
De verdachte en zijn raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat het terrein niet is gelegen binnen de bebouwde kom en daar ook niet onmiddellijk aan grenst en dat het tenlastegelegde daarom niet bewezen kan worden verklaard.
Noch in de Flora- en faunawet, noch in het Besluit beheer en schadebestrijding is een definitie opgenomen van het begrip ‘bebouwde kom’. De economische politierechter sluit zich aan bij de uitleg die in eerdere rechtspraak is gegeven aan het hier aan de orde zijnde begrippenpaar en is in navolging daarvan van oordeel dat, nu in de bedoelde wet- en regelgeving ook elke verwijzing ontbreekt naar andere wet- en regelgeving waarin het begrip ‘bebouwde kom’ is gedefinieerd, aan dit begrip in de bij en krachtens de Flora- en faunawet gestelde bepalingen een eigen, zelfstandige betekenis toekomt (vgl. ABR 23 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP5434, en Hof Leeuwarden 4 juni 2010, ECLI:NL:GHLEE:2010:BM6944). Deze betekenis dient te worden bepaald aan de hand van de ratio van de toepasselijke wettelijke bepalingen en de feiten en de omstandigheden van het geval. De ratio van het bepaalde in artikel 7, negende lid, aanhef en onder b, van het Besluit beheer en schadebestrijding, waarop de tenlastelegging is toegesneden, is het waarborgen van het welzijn en de veiligheid van personen die zich in de bebouwde kom bevinden. De enkele omstandigheid dat een locatie is gelegen binnen de bebouwde kom in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 of valt binnen de grenzen van de bebouwde kom zoals die door het gemeentebestuur (in het kader van de ruimtelijke ordening) worden gehanteerd, biedt wel een aanknopingspunt voor het antwoord op de vraag of er sprake is van een locatie binnen de bebouwde kom, maar de feitelijke situatie is van doorslaggevend belang.
Gezien de zo‑even bedoelde ratio en gezien de ruime uitleg die gelet daarop aan het begrip ‘bebouwde kom’ moet worden gegeven, dient het terrein te worden gerekend tot de bebouwde kom in de zin van artikel 7, negende lid, aanhef en onder b, van het Besluit beheer en schadebestrijding. Van belang hierbij zijn de ligging van het terrein – op korte afstand van verscheidene opstallen die als woning of openbare school in gebruik zijn – de omvang van het terrein, de bestemming en het gebruik van de grond en het gegeven dat het terrein is gelegen binnen de grenzen van de op grond van de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde bebouwde kom.
Bewezenverklaring
Naar het oordeel van de economische politierechter is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, te weten dat:
hij op 10 augustus 2011 in de gemeente Bronckhorst dieren (wilde konijnen) heeft gedood in strijd met de regels die op grond van de derde lid van artikel 72 van de Flora- en Faunawet zijn gesteld in artikel 7 van het Besluit beheer en schadebestrijding dieren, aangezien de verdachte voor het doden van die dieren een geweer heeft gebruikt aan de Halle‑Nijmanweg, zijnde in de bebouwde kom van die gemeente.
Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde
Het bewezenverklaarde levert op de overtreding:
Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 72, vijfde lid, van de Flora- en Faunawet.
Strafbaarheid van de verdachte
Door en namens de verdachte is aangevoerd dat hij ervan mocht uitgaan dat het terrein niet binnen de bebouwde kom viel. De verdachte valt daarom geen verwijt te maken van zijn handelen en hij behoort te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Al jaren werden op dezelfde locatie, op dezelfde manier, wilde konijnen afgeschoten en de verdachte deed daar ook al jaren aan mee. De verdachte heeft op enig moment geïnformeerd bij de voorzitter van Wildbeheereenheid (WBE) Zelhem‑Doetinchem, waarbij hij als jager is aangesloten, of Halle‑Nijman binnen de bebouwde kom in de zin van de bij en krachtens de Flora- en faunawet gestelde regels viel, wat volgens deze niet het geval was (proces‑verbaal van het verhoor door de rechter‑commissaris als getuige van [getuige] op 18 oktober 2013). Daarnaast heeft de verdachte aan een ambtenaar van de gemeente Bronckhorst, op wier gronden wildbeheereenheden waaronder WBE Zelhem‑Doetinchem het faunabeheer uitvoeren, dezelfde vraag gesteld en ook die heeft volgens de verdachte aangegeven dat Halle‑Nijman (in het kader van beheer en schadebestrijding) niet tot de bebouwde kom wordt gerekend (verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 31 oktober 2014 en een uitgeprinte e‑mail van 17 november 2011 van [betrokkene], medewerker van de gemeente Bronckhorst, over de bebouwde kom van Halle en Halle‑Nijman in het kader van een met de WBE gesloten overeenkomst over beheer en schadebestrijding, welke informatie volgens de verdachte overeenkomt met het antwoord dat hij eerder van een andere, intussen overleden, gemeenteambtenaar kreeg).
Om het verweer, dat neerkomt op een beroep op afwezigheid van alle schuld wegens dwaling ten aanzien van de wederrechtelijkheid van het bewezenverklaarde feit, te kunnen laten slagen is vereist – zie bijvoorbeeld: Hoge Raad 22 augustus 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX5738 (NJ 2006/484) – dat aannemelijk is dat de verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging. Daarvan kan sprake zijn als is gehandeld op advies van een persoon of instantie aan wie of waaraan zodanig gezag valt toe te kennen dat in redelijkheid op de deugdelijkheid van dat advies mocht worden vertrouwd.
Van een dergelijk advies is in dit geval, met het stellen van de hiervoor bedoelde vraag aan de voorzitter van de WBE en/of een gemeenteambtenaar en het antwoord daarop, ook als wordt aangenomen dat zij de vraag vóór de pleegdatum hebben beantwoord, nog géén sprake. Van belang hierbij is dat het met de uitleg van het begrip ‘bebouwde kom’ in de zin van het Besluit beheer en schadebestrijding en de toepassing op dit concrete geval vooral gaat om een juridisch onderwerp, ten aanzien waarvan beide personen zonder meer niet bij uitstek deskundig zijn te achten.
Dictum
De economische politierechter:
vernietigt de strafbeschikking en opnieuw rechtdoende:
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:
Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 72, vijfde lid, van de Flora- en faunawet;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 750,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis.
Aldus gewezen door mr. Van Lookeren Campagne, economische politierechter, in tegenwoordigheid van Jansen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 november 2014.
Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant], hoofdagent bij de voormalige regiopolitie Noord- en Oost‑Gelderland, team Bronckhorst, opgemaakte proces‑verbaal, dossiernummer 2011111043‑11, gesloten op 19 september 2011, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen‑verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
Verklaring verdachte ter terechtzitting van 31 oktober 2014 en proces-verbaal verhoor verdachte, p. 55.
Stamproces-verbaal (van bevindingen), p. 12 en p. 13.
Proces-verbaal verhoor getuige, p. 43.
Stamproces-verbaal (van bevindingen), p. 13, en kadastrale kaart, p. 32.
Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 31 oktober 2014.