Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2014-03-04
ECLI:NL:RBGEL:2014:1318
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,448 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: 13/5744
uitspraak van de meervoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser], eiser
(gemachtigde: mr. G.J.P.C.G. Verheijen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tiel, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 26 februari 2013 heeft verweerder het recht op bijstand van eiser met ingang van 21 juli 2008 ingetrokken.
Bij besluit van 21 maart 2013 heeft verweerder de kosten van bijstand over de periode van 21 juli 2008 tot en met 31 januari 2013 tot een bedrag van € 64.475,02 van eiser teruggevorderd.
Bij besluit van 24 juli 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen deze besluiten ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door D.J. Stoffer.
Overwegingen
1.
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
Aan eiser is per 21 juli 2008 recht op bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) toegekend. Naar aanleiding van een verzoek van eiser aan de Sociale Verzekeringsbank van 17 oktober 2012 om een remigratie-uitkering heeft dat orgaan onderzoek verricht. Bij dat onderzoek is naar voren gekomen dat eiser bezittingen heeft in Turkije. Verweerder heeft hierin reden gezien om het Internationaal Bureau Fraude-informatie (IBF) ter zake een onderzoek te laten verrichten. In dit kader heeft het Bureau Attaché Sociale Zaken van de Nederlandse ambassade te Ankara een onderzoek ingesteld, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in het onderzoeksverslag met nummer [aanduiding]. Het rapport van het IBF heeft verweerder op 23 januari 2013 ontvangen. Uit het onderzoek is gebleken dat dat eiser sedert 5 juli 2007 door middel van verdeling van een erfenis eigenaar is van een appartementencomplex. De getaxeerde waarde bedraagt € 59.598. Voorts heeft eiser inkomsten uit verhuur van de appartementen.
Op grond van de onderzoeksgegevens heeft verweerder het recht op bijstand ingetrokken en de teveel betaalde bijstand teruggevorderd. Aan de intrekking heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser onroerende zaken op zijn naam had staan waarvan hij geen melding heeft gemaakt aan verweerder. Het recht op bijstand van eiser over de periode vanaf 21 juli 2008 kan niet worden vastgesteld, aangezien controleerbare gegevens over de (al dan niet toegenomen) waarde van de onroerende zaken over de periode vanaf 21 juli 2008 ontbreken. Verweerder heeft in dat verband voorts van belang geacht dat informatie over de inkomsten uit verhuur ontbreekt.
De intrekking en de terugvordering heeft verweerder in het bestreden besluit gehandhaafd.
2
De rechtbank stelt voorop dat de te beoordelen periode, voor wat de intrekking betreft, loopt van 21 juli 2008 tot en met 26 februari 2013, de datum van het intrekkingsbesluit.
3
Eiser betwist niet dat in de betreffende periode de in geding zijnde onroerende zaak op zijn naam heeft gestaan. Dit rechtvaardigt de vooronderstelling dat deze onroerende zaak in die periode een bestanddeel vormde van het vermogen van eiser waarover hij beschikte dan wel redelijkerwijs kon beschikken. Het had eiser duidelijk moeten zijn dat het bezit van de onroerende zaak van invloed kan zijn op (de omvang van) zijn recht op bijstand, en dat hij door dit niet te melden zijn wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden. De rechtbank laat in dit verband in het midden of in de inlichtingenformulieren uit die periode een expliciete bepaling over het melden van onroerende zaken en vermogen in het buitenland was opgenomen. Dat eiser zelf het bezit van onroerende zaken in Turkije niet als vermogen zag, kan hem, gelet op het vorenstaande, niet baten.
4
Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) levert schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond op voor beëindiging of intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandsbehoeftige omstandigheden. Het is dan aan betrokkene om aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de desbetreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond (CRvB 26 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW9395).
5
Eiser heeft aangevoerd dat de door verweerder gebruikte taxatie onzorgvuldig is geweest en dat de waarde van het complex lager was dan de taxateur van verweerder heeft vastgesteld in het rapport van 7 december 2012. In dat verband heeft eiser gewezen op een verklaring van [naam taxateur], taxateur, welke in de bezwaarprocedure is overgelegd. Daarin is vermeld dat dat de (getaxeerde) verkoopwaarde 75.000 tot 80.000 Turkse Lira bedraagt.
6
De rechtbank stelt vast dat de namens verweerder verrichte taxatie op 7 december 2012 heeft plaatsgevonden en tot stand is gekomen na bezichtiging van het complex aan de buitenzijde, met inachtneming van gegevens over de afmetingen, bestemming, voorzieningen en staat van onderhoud van het appartementencomplex. Ook met omgevingsfactoren is rekening gehouden. De rechtbank is van oordeel dat de enkele omstandigheid dat de taxateur het appartement niet van binnen heeft bekeken, niet betekent dat aan de uitkomst van de taxatie geen betekenis mocht worden gehecht. Ook overigens is niet gebleken dat deze taxatie niet zorgvuldig is geweest.
Hierbij is van belang dat eiser niet aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat het complex een andere (lagere) waarde had dan uit het onderzoek van verweerder naar voren komt. De door eiser in bezwaar overgelegde verklaring van [naam taxateur] kan niet als zodanig worden aangemerkt. Daartoe acht de rechtbank bepalend dat in die verklaring een deugdelijke onderbouwing van en toelichting op de gehanteerde schattingsmethode van de waarde van het appartement en informatie over de hoedanigheid van de opsteller van de verklaring, ontbreekt.
Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank van de juistheid van de door verweerder gehanteerde waardebepaling worden uitgegaan. Anders dan eiser heeft betoogd is bij die taxatie wel betrokken dat op grond van het bestemmingsplan een weg kan worden aangelegd, hetgeen heeft geleid tot de vaststelling van een lagere waarde.
7
Eiser heeft gesteld dat de waarde van het complex vóór de renovatie nihil was. Deze renovatie heeft volgens eiser ter zitting in 2008, 2009 en in 2010 plaatsgevonden.
De rechtbank stelt vast dat eiser niet op een verifieerbare wijze, met concrete en objectieve gegevens, heeft onderbouwd hoe de waardeontwikkeling van het complex vanaf 21 juli 2008 tot aan de taxatie is verlopen. Dat de waarde van de bezittingen in 2008 nihil was, volgt naar het oordeel van de rechtbank niet uit het feit – daargelaten of hiervan sprake is geweest – dat er in 2008 ter zake geen belasting is geheven.
8
Eiser stelt zich op het standpunt dat bij de vermogensvaststelling ook zijn schulden moeten worden meegenomen, in dit geval de schulden als gevolg van geldleningen.
Volgens vaste rechtspraak van de CRvB (uitspraak 30 september 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BF5131) kunnen schulden in het kader van de toepassing van de bijstandswetgeving uitsluitend in aanmerking worden genomen indien het feitelijk bestaan ervan in voldoende mate aannemelijk is geworden en tevens komt vast te staan dat aan die schuld een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is verbonden.
De rechtbank is van oordeel dat hiervan niet is gebleken. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat de eenzijdige verklaring van de heer [naam] van 26 maart 2013 met betrekking tot de geldlening niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Daaruit blijkt immers niet wanneer de geldlening is aangegaan. Voorts zijn er geen bewijzen overgelegd waaruit blijkt dat de gelden ook daadwerkelijk aan eiser ter beschikking zijn gesteld. Tenslotte is de overeenkomst waarbij de lening is aangegaan en waarbij afspraken zijn gemaakt over de aflossingen door middel van huurpenningen niet overgelegd. Van een daadwerkelijke terugbetalingsbetalingsverplichting is dan ook niet gebleken.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, voorzitter, mr. H.G. Eskes en mr. C.W.C.A. Bruggeman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:
Griffier
Voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.