Rechtspraak 1999-05-12
ECLI:NL:RBDOR:1999:AA5392
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE DORDRECHT Sector Bestuursrecht Reg. nr.: AWB 98/41 Uitspraak in de zaak van [eiser] te [woonplaats], eiser, tegen de minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder 1. Ontstaan en loop van de zaak. Bij besluit van 24 juli 1997 heeft verweerder vastgesteld dat eiser zich dient te onderwerpen aan een Educatieve Maatregel Alcohol en Verkeer ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid als bedoeld in artikel 131, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994). Tegen dit besluit heeft eiser op grond van het bepaalde in artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bij brief van 3 september 1997 bij verweerder een bezwaarschrift ingediend. Bij besluit van 8 december 1997 (kenmerk 9716201/AS) heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser bij de arrondissementsrechtbank te Dordrecht (verder te noemen: de rechtbank) bij schrijven van 5 januari 1998 beroep ingesteld. Bij schrijven van 29 januari 1998 heeft eiser voorts een verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb ingediend bij de president van de rechtbank. Bij uitspraak van 6 februari 1998 heeft de president het bestreden besluit geschorst. De zaak is op 14 april 1999 behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer. Eiser en verweerder zijn niet ter zitting verschenen. 2. Overwegingen. In artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) is bepaald dat, indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van één of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling doen aan de minister van Verkeer en Waterstaat onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. In artikel 131, eerste lid, van de WVW 1994 is bepaald dat, indien deze schriftelijke mededeling naar het oordeel van de minister daartoe aanleiding geeft, hij besluit dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid. Op grond van artikel 131, vijfde lid, van de WVW 1994 kan de minister, indien de in artikel 130, eerste lid, bedoelde schriftelijke mededeling naar zijn oordeel géén aanleiding geeft tot een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid, betrokkene overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels de verplichting opleggen zich binnen een daarbij vastgestelde termijn te onderwerpen aan educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid. De aan deze maatregelen verbonden kosten komen ten laste van betrokkene. Ingevolge artikel 131, zevende lid, van de WVW 1994 worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste en het vijfde lid. Aan dit artikellid heeft de minister uitvoering gegeven bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid van 17 april 1996 (hierna: de Regeling). De Regeling is op 1 juni 1996 in werking getreden. Op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling legt de minister betrokkene overeenkomstig artikel 131, vijfde lid, van de WVW 1994 een educatieve maatregel alcohol en verkeer op ter bevordering van de geschiktheid, indien bij betrokkene een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat hoger is dan 570 mg/l respectievelijk 1,3 promille. Bij eiser is op 7 juli 1997 door de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, district Rotterdam Centrum, een ademalcoholgehalte geconstateerd van 620 mg/l. Namens de korpschef is vervolgens aan de minister een mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de WVW 1994 gedaan, waaruit blijkt dat het vermoeden is ontstaan dat eiser niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van één