Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-23
ECLI:NL:RBDHA:2026:9995
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,505 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9995 text/xml public 2026-04-29T09:39:47 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-23 NL25.39542 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Middelburg Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9995 text/html public 2026-04-29T09:39:36 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9995 Rechtbank Den Haag , 23-04-2026 / NL25.39542 Oekraïne – derdelander – Turkmenistan – gegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL25.39542 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. R.C. van den Berg), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: H.J. Metselaar). Procesverloop Verweerder heeft tegen eiser op 24 juli 2025 een terugkeerbesluit (het bestreden besluit) uitgevaardigd en daarin bepaald dat eiser moet terugkeren naar het land waarvan hij de nationaliteit heeft. Eiser moet Nederland, het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland binnen vier weken verlaten. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [persoon] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Eiser is geboren op [datum] 1995 en heeft de Turkmeense nationaliteit. Ten tijde van de inval in Oekraïne door Rusland op 24 februari 2022 verbleef eiser rechtmatig in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Na zijn vlucht naar Nederland vanwege deze inval heeft hij tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de RTB als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’. Omdat er onduidelijkheid ontstond over de vraag of de tijdelijke bescherming van de ‘derdelanders Oekraïne’ eerder beëindigd mag worden dan die van ontheemden met de Oekraïense nationaliteit, heeft verweerder de gevolgen van de beëindiging van het recht op tijdelijke bescherming bevroren. Deze bevriezingsmaatregel is per 4 september 2025 gestopt. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat het nieuwe terugkeerbesluit van 24 juli 2025 prematuur is, omdat de bescherming pas eindigt op of na 4 september 2025, en vanwege het lopende verzoek tot treffen van een voorlopige voorziening. Ook is het terugkeerbesluit volgens eiser in strijd met artikel 8 van het EVRM en is van een recente (ambtshalve) refoulementbeoordeling niet gebleken. Eiser heeft een asielaanvraag ingediend, waarop nog niet is beslist. Het is daarom niet mogelijk om uitvoering te geven aan het terugkeerbesluit.. De rechtbank oordeelt als volgt. In het arrest van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038, in de zaak Kaduna en Abkez en de daarop gevolgde einduitspraken (ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836 en ECLI:NL:RBAMS:2025:4843) is geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ eerder dan die van Oekraïners mag worden beëindigd, zij het niet vóór 4 maart 2024. Het bestreden besluit is hiermee in overeenstemming. Uit het bestreden besluit volgt dat eiser niet langer rechtmatig in Nederland verblijft. De omstandigheid dat eiser de uitkomst van zijn verzoek om voorlopige voorziening mocht afwachten is niet van invloed op die vaststelling. Dit geldt ook voor het gegeven dat eiser inmiddels een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend waardoor de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit thans zijn opgeschort. De bevriezingsmaatregel geldt als een feitelijke opschorting van de uitvoering van het terugkeerbesluit en heeft niet tot gevolg dat eiser rechtmatig verblijf heeft in Nederland. 5. Eisers beroep op artikel 8 van het EVRM slaagt niet. Uit artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn volgt niet dat verweerder bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit moet toetsen of eiser op grond van artikel 8 van het EVRM in aanmerking komt voor een verblijfsrecht of rekening moet houden met privéleven. Van beschermenswaardig familie- en gezinsleven is niet gebleken. 6. Uit artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn volgt dat bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit het non-refoulementbeginsel in acht wordt genomen. De rechtbank is van oordeel dat verweerders conclusie dat geen sprake is van zwaarwegende en op feiten berustende omstandigheden, zoals bedoeld in het arrest Ararat , om een refoulementrisico aan te nemen in dit geval onvoldoende is gemotiveerd. Uit het dossier blijkt dat eiser de Turkmeense nationaliteit heeft en dat hij lange tijd in het buitenland heeft verbleven. De rechtbank stelt vast dat een ambtsbericht over Turkmenistan ontbreekt. Uit de informatie die ambtshalve bekend is bij de rechtbank, volgt dat in Turkmenistan een gesloten en repressief regime aan de macht is, dat haar onderdanen niet graag naar het buitenland ziet vertrekken. Het is in dat verband onvoldoende duidelijk hoe de Turkmeense autoriteiten reageren op de terugkeer van onderdanen die langere tijd zonder hun toestemming in het buitenland hebben verbleven. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 11 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:649, en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 12 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21318. Hieruit volgt dat in het geval van eiseres terugkeer naar Turkmenistan doet vermoeden dat afbreuk aan het beginsel van non-refoulement kan worden gedaan. Gelet hierop lag het op de weg van verweerder om nader onderzoek te doen. 7. Dit leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond moet worden verklaard. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. 8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €1868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van €934 en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; veroordeelt verweerder tot betaling van €1868 (achttienhonderdachtenzestig euro) aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan op 23 april 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl . De uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Richtlijn 2008/115/EG. HvJ EU 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9995 text/xml public 2026-04-29T09:39:47 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-23 NL25.39542 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Middelburg Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9995 text/html public 2026-04-29T09:39:36 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9995 Rechtbank Den Haag , 23-04-2026 / NL25.39542 Oekraïne – derdelander – Turkmenistan – gegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL25.39542 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. R.C. van den Berg), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: H.J. Metselaar). Procesverloop Verweerder heeft tegen eiser op 24 juli 2025 een terugkeerbesluit (het bestreden besluit) uitgevaardigd en daarin bepaald dat eiser moet terugkeren naar het land waarvan hij de nationaliteit heeft. Eiser moet Nederland, het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland binnen vier weken verlaten. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [persoon] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Eiser is geboren op [datum] 1995 en heeft de Turkmeense nationaliteit. Ten tijde van de inval in Oekraïne door Rusland op 24 februari 2022 verbleef eiser rechtmatig in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Na zijn vlucht naar Nederland vanwege deze inval heeft hij tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de RTB als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’. Omdat er onduidelijkheid ontstond over de vraag of de tijdelijke bescherming van de ‘derdelanders Oekraïne’ eerder beëindigd mag worden dan die van ontheemden met de Oekraïense nationaliteit, heeft verweerder de gevolgen van de beëindiging van het recht op tijdelijke bescherming bevroren. Deze bevriezingsmaatregel is per 4 september 2025 gestopt. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat het nieuwe terugkeerbesluit van 24 juli 2025 prematuur is, omdat de bescherming pas eindigt op of na 4 september 2025, en vanwege het lopende verzoek tot treffen van een voorlopige voorziening. Ook is het terugkeerbesluit volgens eiser in strijd met artikel 8 van het EVRM en is van een recente (ambtshalve) refoulementbeoordeling niet gebleken. Eiser heeft een asielaanvraag ingediend, waarop nog niet is beslist. Het is daarom niet mogelijk om uitvoering te geven aan het terugkeerbesluit.. De rechtbank oordeelt als volgt. In het arrest van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038, in de zaak Kaduna en Abkez en de daarop gevolgde einduitspraken (ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836 en ECLI:NL:RBAMS:2025:4843) is geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ eerder dan die van Oekraïners mag worden beëindigd, zij het niet vóór 4 maart 2024. Het bestreden besluit is hiermee in overeenstemming. Uit het bestreden besluit volgt dat eiser niet langer rechtmatig in Nederland verblijft. De omstandigheid dat eiser de uitkomst van zijn verzoek om voorlopige voorziening mocht afwachten is niet van invloed op die vaststelling. Dit geldt ook voor het gegeven dat eiser inmiddels een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend waardoor de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit thans zijn opgeschort. De bevriezingsmaatregel geldt als een feitelijke opschorting van de uitvoering van het terugkeerbesluit en heeft niet tot gevolg dat eiser rechtmatig verblijf heeft in Nederland. 5. Eisers beroep op artikel 8 van het EVRM slaagt niet. Uit artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn volgt niet dat verweerder bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit moet toetsen of eiser op grond van artikel 8 van het EVRM in aanmerking komt voor een verblijfsrecht of rekening moet houden met privéleven. Van beschermenswaardig familie- en gezinsleven is niet gebleken. 6. Uit artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn volgt dat bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit het non-refoulementbeginsel in acht wordt genomen. De rechtbank is van oordeel dat verweerders conclusie dat geen sprake is van zwaarwegende en op feiten berustende omstandigheden, zoals bedoeld in het arrest Ararat , om een refoulementrisico aan te nemen in dit geval onvoldoende is gemotiveerd. Uit het dossier blijkt dat eiser de Turkmeense nationaliteit heeft en dat hij lange tijd in het buitenland heeft verbleven. De rechtbank stelt vast dat een ambtsbericht over Turkmenistan ontbreekt. Uit de informatie die ambtshalve bekend is bij de rechtbank, volgt dat in Turkmenistan een gesloten en repressief regime aan de macht is, dat haar onderdanen niet graag naar het buitenland ziet vertrekken. Het is in dat verband onvoldoende duidelijk hoe de Turkmeense autoriteiten reageren op de terugkeer van onderdanen die langere tijd zonder hun toestemming in het buitenland hebben verbleven. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 11 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:649, en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 12 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21318. Hieruit volgt dat in het geval van eiseres terugkeer naar Turkmenistan doet vermoeden dat afbreuk aan het beginsel van non-refoulement kan worden gedaan. Gelet hierop lag het op de weg van verweerder om nader onderzoek te doen. 7. Dit leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond moet worden verklaard. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. 8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €1868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van €934 en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; veroordeelt verweerder tot betaling van €1868 (achttienhonderdachtenzestig euro) aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan op 23 april 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl . De uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Richtlijn 2008/115/EG. HvJ EU 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892.