Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-24
ECLI:NL:RBDHA:2026:9980
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,959 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9980 text/xml public 2026-05-08T09:30:25 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-24 AWB - 24 _ 10053 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Mondelinge uitspraak NL Den Haag Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9980 text/html public 2026-05-07T14:08:20 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9980 Rechtbank Den Haag , 24-04-2026 / AWB - 24 _ 10053 WOZ; taxatierapport kwalificeert niet als een deskundigenverslag als bedoeld in artikel 1, aanhef en onderdeel b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht; taxatierapport komt daardoor niet voor vergoeding in aanmerking; motiveringsbeginsel niet geschonden; beroep ongegrond. Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 24/10053 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, (gemachtigde: R.W.B. van Middelaar), en de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, verweerder. De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraak van verweerder van 6 november 2024 op het bezwaar van eiser tegen na te noemen beschikking en aanslag. Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2026. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. [naam 1] en mr [naam 2]. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen 1. Bij beschikking van 24 februari 2024 heeft verweerder op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken de waarde vastgesteld van de onroerende zaak van eiser voor het kalenderjaar 2024. Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan eiser opgelegde aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2024. 2. [bedrijfsnaam 1] B.V. ([bedrijfsnaam 1]) heeft in de bezwaarfase namens eiser een taxatierapport van [bedrijfsnaam 2] ingediend (het rapport). Het rapport is ondertekend door [taxateur] onder vermelding van “Verantwoordelijk taxateur.” 3. Bij de bestreden uitspraak op bezwaar heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij de waarde van de woning verlaagd en een kostenvergoeding toegekend van € 312 voor de rechtsbijstand van [bedrijfsnaam 1]. Daarnaast is voor het rapport een vergoeding van € 10,69 toegekend (1/6 uur, oftewel 10 minuten, maal € 53 vermeerderd met 21% btw). Vanwege uitvoeringstechnische redenen is € 10,90 betaald. In beroep heeft verweerder verklaard dat de waarde is verlaagd op basis van een vragenlijst ingevuld door eiser en niet op basis van het rapport. 4. In geschil is of het rapport kwalificeert als een deskundigenverslag als bedoeld in artikel 1, aanhef en onderdeel b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Bpb) en zo ja, of de toegekende vergoeding te laag is vastgesteld. Daarnaast is in het geschil of het motiveringsbeginsel is geschonden. 5. Kort gezegd stelt verweerder primair dat het rapport geen deskundigenverslag is en subsidiair dat de reeds toegekende vergoeding ruimschoots voldoende is. Verweerder betwist dat het rapport door een deskundige is opgesteld of door een deskundige is gecontroleerd. Eiser stelt dat het rapport wel als deskundigenverslag kwalificeert en dat de vergoeding te laag is vastgesteld. Eiser verzoekt de rechtbank primair om de vergoeding conform de marktomstandigheden vast te stellen op € 142,78 (2 uur x € 59 vermeerderd met 21% btw), subsidiair om de vergoeding vast te stellen op € 111,57 (0,5 uur x € 184,42 vermeerderd met 21% btw) en meer subsidiair om de vergoeding vast te stellen op € 95 (volgens eiser het laagste nog marktconforme tarief voor een niet-inpandige woningtaxatie). Beide partijen hebben hun standpunten onderbouwd met verwijzingen naar diverse jurisprudentie en stukken. 6. Op grond van artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vergoedt het bestuursorgaan op verzoek de kosten die de belanghebbende in de bezwaarfase redelijkerwijs heeft moeten maken. Hierbij geldt een dubbele redelijkheidstoets: de omvang van de kosten moet redelijk zijn en ook het maken van de kosten als zodanig. In het Bpb staat welke kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Op grond van artikel 1, aanhef en onderdeel b, van het Bpb kunnen dit de kosten zijn van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht (deskundigenverslag). In de Awb en het Bpb wordt het begrip ‘deskundige’ niet gedefinieerd. Uit de jurisprudentie volgt dat het inherent is aan de rol en positie van de deskundige dat hij vanuit aantoonbare expertise bewijs bijbrengt in een procedure over geschilpunten die buiten het terrein van de eigen expertise van in dit geval eiser en de gemachtigde zijn gelegen. 7. Naar het oordeel van de rechtbank kwalificeert het rapport niet als een deskundigenverslag als bedoeld in artikel 1, aanhef en onderdeel b, van het Bpb. In het taxatierapport staat dat dit tot stand is gekomen door een samenwerking van verschillende collega’s, dat [taxateur] de verantwoordelijke waarderingsmeester is en dat aan dit project drie nader genoemde personen hebben meegewerkt. Onduidelijk is door wie welke werkzaamheden zijn verricht, wat de rol van [taxateur] is geweest en of sprake is geweest van enige taxatiekundige expertise. Eiser heeft ook geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit kan worden afgeleid dat [taxateur] als deskundige moet worden aangemerkt. Met het rapport – bestaande uit een verzameling computer-gegenereerde gegevens – wordt niet méér naar voren gebracht dan een globale berekening van de waarde op basis van een aantal referentiewoningen, zonder argumenten of onderbouwingen die blijk geven van typische taxatie-technische kennis. Verder verwijst het rapport naar niet nader geduide uitvoeringsinstructies. Zo staat in het rapport “Ik bepaal de waarde van de grond en bijgebouwen met behulp van de grondwaarde uitvoeringsinstructies en de bijgebouwwaarde uitvoeringsinstructies” en “Ik heb de woningen geïndexeerd volgens de indexering uitvoeringsinstructies op basis van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) gepubliceerde kwartaal-indexcijfers van de 40COROP-regio’s, welke gelijk staan aan de European NUTS 3 level classificatie”. De inhoud van deze uitvoeringsinstructies is evenmin toegelicht in het verantwoordingsdocument van [bedrijfsnaam 2] waarnaar eiser heeft verwezen. Gelet op al het voorgaande wordt met het rapport dus niet enige bijzondere taxatie-technische expertise ingebracht die niet in het domein van de procesdeelnemers ligt. Daarmee overheerst het karakter van rechtsbijstand zodanig en is het rapport daarmee dusdanig verbonden, dat niet kan worden gesproken van een verslag aan een partij door een deskundige. Voor de verleende rechtsbijstand is al een vergoeding toegekend; het rapport komt niet voor een afzonderlijke (extra) vergoeding in aanmerking. Het beroep op een hogere vergoeding voor het rapport dan reeds is toegekend, terwijl het rapport helemaal niet voor vergoeding in aanmerking komt, slaagt daarom niet. 8. Ten overvloede merkt de rechtbank het volgende op: zelfs als het rapport als deskundigenverslag zou kwalificeren, dan heeft eiser met hetgeen hij heeft aangevoerd en overgelegd niet aannemelijk gemaakt dat een hogere vergoeding dan € 10,69 (feitelijk € 10,90) redelijk is en in verhouding staat tot de kosten gemoeid met het rapport. De proceskostenvergoeding is naar de bedoeling van de wetgever een tegemoetkoming in de werkelijke kosten. Anders dan eiser meent, geldt voor de vergoeding voor een deskundigenverslag niet een ander wettelijk kader. Zoals bevestigd door de Hoge Raad, kan ingevolge artikel 7:15 van de Awb en de in die bepaling vervatte dubbele redelijkheidstoets een vergoeding gebaseerd op een tijdsbesteding van 10 minuten onder omstandigheden (meer dan) redelijk zijn.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9980 text/xml public 2026-05-08T09:30:25 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-24 AWB - 24 _ 10053 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Mondelinge uitspraak NL Den Haag Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9980 text/html public 2026-05-07T14:08:20 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9980 Rechtbank Den Haag , 24-04-2026 / AWB - 24 _ 10053 WOZ; taxatierapport kwalificeert niet als een deskundigenverslag als bedoeld in artikel 1, aanhef en onderdeel b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht; taxatierapport komt daardoor niet voor vergoeding in aanmerking; motiveringsbeginsel niet geschonden; beroep ongegrond. Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 24/10053 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, (gemachtigde: R.W.B. van Middelaar), en de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, verweerder. De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraak van verweerder van 6 november 2024 op het bezwaar van eiser tegen na te noemen beschikking en aanslag. Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2026. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. [naam 1] en mr [naam 2]. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen 1. Bij beschikking van 24 februari 2024 heeft verweerder op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken de waarde vastgesteld van de onroerende zaak van eiser voor het kalenderjaar 2024. Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan eiser opgelegde aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2024. 2. [bedrijfsnaam 1] B.V. ([bedrijfsnaam 1]) heeft in de bezwaarfase namens eiser een taxatierapport van [bedrijfsnaam 2] ingediend (het rapport). Het rapport is ondertekend door [taxateur] onder vermelding van “Verantwoordelijk taxateur.” 3. Bij de bestreden uitspraak op bezwaar heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij de waarde van de woning verlaagd en een kostenvergoeding toegekend van € 312 voor de rechtsbijstand van [bedrijfsnaam 1]. Daarnaast is voor het rapport een vergoeding van € 10,69 toegekend (1/6 uur, oftewel 10 minuten, maal € 53 vermeerderd met 21% btw). Vanwege uitvoeringstechnische redenen is € 10,90 betaald. In beroep heeft verweerder verklaard dat de waarde is verlaagd op basis van een vragenlijst ingevuld door eiser en niet op basis van het rapport. 4. In geschil is of het rapport kwalificeert als een deskundigenverslag als bedoeld in artikel 1, aanhef en onderdeel b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Bpb) en zo ja, of de toegekende vergoeding te laag is vastgesteld. Daarnaast is in het geschil of het motiveringsbeginsel is geschonden. 5. Kort gezegd stelt verweerder primair dat het rapport geen deskundigenverslag is en subsidiair dat de reeds toegekende vergoeding ruimschoots voldoende is. Verweerder betwist dat het rapport door een deskundige is opgesteld of door een deskundige is gecontroleerd. Eiser stelt dat het rapport wel als deskundigenverslag kwalificeert en dat de vergoeding te laag is vastgesteld. Eiser verzoekt de rechtbank primair om de vergoeding conform de marktomstandigheden vast te stellen op € 142,78 (2 uur x € 59 vermeerderd met 21% btw), subsidiair om de vergoeding vast te stellen op € 111,57 (0,5 uur x € 184,42 vermeerderd met 21% btw) en meer subsidiair om de vergoeding vast te stellen op € 95 (volgens eiser het laagste nog marktconforme tarief voor een niet-inpandige woningtaxatie). Beide partijen hebben hun standpunten onderbouwd met verwijzingen naar diverse jurisprudentie en stukken. 6. Op grond van artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vergoedt het bestuursorgaan op verzoek de kosten die de belanghebbende in de bezwaarfase redelijkerwijs heeft moeten maken. Hierbij geldt een dubbele redelijkheidstoets: de omvang van de kosten moet redelijk zijn en ook het maken van de kosten als zodanig. In het Bpb staat welke kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Op grond van artikel 1, aanhef en onderdeel b, van het Bpb kunnen dit de kosten zijn van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht (deskundigenverslag). In de Awb en het Bpb wordt het begrip ‘deskundige’ niet gedefinieerd. Uit de jurisprudentie volgt dat het inherent is aan de rol en positie van de deskundige dat hij vanuit aantoonbare expertise bewijs bijbrengt in een procedure over geschilpunten die buiten het terrein van de eigen expertise van in dit geval eiser en de gemachtigde zijn gelegen. 7. Naar het oordeel van de rechtbank kwalificeert het rapport niet als een deskundigenverslag als bedoeld in artikel 1, aanhef en onderdeel b, van het Bpb. In het taxatierapport staat dat dit tot stand is gekomen door een samenwerking van verschillende collega’s, dat [taxateur] de verantwoordelijke waarderingsmeester is en dat aan dit project drie nader genoemde personen hebben meegewerkt. Onduidelijk is door wie welke werkzaamheden zijn verricht, wat de rol van [taxateur] is geweest en of sprake is geweest van enige taxatiekundige expertise. Eiser heeft ook geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit kan worden afgeleid dat [taxateur] als deskundige moet worden aangemerkt. Met het rapport – bestaande uit een verzameling computer-gegenereerde gegevens – wordt niet méér naar voren gebracht dan een globale berekening van de waarde op basis van een aantal referentiewoningen, zonder argumenten of onderbouwingen die blijk geven van typische taxatie-technische kennis. Verder verwijst het rapport naar niet nader geduide uitvoeringsinstructies. Zo staat in het rapport “Ik bepaal de waarde van de grond en bijgebouwen met behulp van de grondwaarde uitvoeringsinstructies en de bijgebouwwaarde uitvoeringsinstructies” en “Ik heb de woningen geïndexeerd volgens de indexering uitvoeringsinstructies op basis van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) gepubliceerde kwartaal-indexcijfers van de 40COROP-regio’s, welke gelijk staan aan de European NUTS 3 level classificatie”. De inhoud van deze uitvoeringsinstructies is evenmin toegelicht in het verantwoordingsdocument van [bedrijfsnaam 2] waarnaar eiser heeft verwezen. Gelet op al het voorgaande wordt met het rapport dus niet enige bijzondere taxatie-technische expertise ingebracht die niet in het domein van de procesdeelnemers ligt. Daarmee overheerst het karakter van rechtsbijstand zodanig en is het rapport daarmee dusdanig verbonden, dat niet kan worden gesproken van een verslag aan een partij door een deskundige. Voor de verleende rechtsbijstand is al een vergoeding toegekend; het rapport komt niet voor een afzonderlijke (extra) vergoeding in aanmerking. Het beroep op een hogere vergoeding voor het rapport dan reeds is toegekend, terwijl het rapport helemaal niet voor vergoeding in aanmerking komt, slaagt daarom niet. 8. Ten overvloede merkt de rechtbank het volgende op: zelfs als het rapport als deskundigenverslag zou kwalificeren, dan heeft eiser met hetgeen hij heeft aangevoerd en overgelegd niet aannemelijk gemaakt dat een hogere vergoeding dan € 10,69 (feitelijk € 10,90) redelijk is en in verhouding staat tot de kosten gemoeid met het rapport. De proceskostenvergoeding is naar de bedoeling van de wetgever een tegemoetkoming in de werkelijke kosten. Anders dan eiser meent, geldt voor de vergoeding voor een deskundigenverslag niet een ander wettelijk kader. Zoals bevestigd door de Hoge Raad, kan ingevolge artikel 7:15 van de Awb en de in die bepaling vervatte dubbele redelijkheidstoets een vergoeding gebaseerd op een tijdsbesteding van 10 minuten onder omstandigheden (meer dan) redelijk zijn.