Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-24
ECLI:NL:RBDHA:2026:9897
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - meervoudig
11,072 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9897 text/xml public 2026-05-26T15:51:01 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-24 24_2113 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl NLF 2026/1029 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9897 text/html public 2026-05-26T12:08:46 2026-05-26 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9897 Rechtbank Den Haag , 24-04-2026 / 24_2113 Eiseres maakt inkoopkosten niet aannemelijk. Strafrechtelijke vrijspraak doet daar niet aan af. De navorderingsaanslag Vpb is terecht opgelegd. Verweerder slaagt er niet in overtuigend aan te tonen dat het aan opzet van eiseres te wijten is dat de aanslag Vpn te laag is vastgesteld. De rechtbank vernietigt om die reden de opgelegde vergrijpboete. Beroep gegrond. Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 24/2113 uitspraak van de meervoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen [eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. S.C. Noordhuis), en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2017 een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd. Daarbij is een vergrijpboete opgelegd en is belastingrente in rekening gebracht. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 26 januari 2024 de navorderingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2026. Namens eiseres zijn verschenen [naam 1] en mr. S.C. Noordhuis vergezeld door [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. [naam 3] en mr. [naam 4] . Overwegingen Feiten 1. Eiseres is met haar dochtermaatschappij [bedrijfsnaam 1] B.V., een recyclingbedrijf, gevoegd in een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Alle aandelen in eiseres worden gehouden door [naam 1] (de dga). 2. [bedrijfsnaam 1] B.V. heeft in 2017 creditfacturen opgesteld die zijn gericht aan [bedrijfsnaam 2] B.V. en [bedrijfsnaam 3] B.V. De twee creditfacturen aan [bedrijfsnaam 2] B.V. zien op cacaoveegsel en bedragen in totaal € 325.000. De dertien creditfacturen aan [bedrijfsnaam 3] B.V. zien op steigermateriaal en staalplaten en bedragen in totaal € 753.280. 3. [bedrijfsnaam 1] B.V. heeft de op de creditfacturen vermelde bedragen in 2017 aan [bedrijfsnaam 2] B.V. en [bedrijfsnaam 3] B.V. betaald. 4. Eiseres heeft aangifte Vpb voor het jaar 2017 gedaan naar een belastbare winst van negatief € 30.429. Daarbij is een bedrag van € 6.577.103 aan kosten van grond- en hulpstoffen in aanmerking genomen. 5. De aanslag Vpb voor het jaar 2017 is met dagtekening 30 mei 2020 conform de aangifte opgelegd naar een belastbare winst en een belastbaar bedrag van negatief € 30.429. 6. Onder de naam ’26TheVillage’ is een strafrechtelijk onderzoek uitgevoerd naar het witwassen van crimineel vermogen door diverse partijen. Daarbij zijn de in 2017 verrichte overboekingen door [bedrijfsnaam 1] B.V. aan [bedrijfsnaam 2] B.V. en [bedrijfsnaam 3] B.V. onderzocht. 7. De dga is meermaals verhoord. In het derde verhoor op 16 maart 2021 heeft hij met betrekking tot [bedrijfsnaam 2] B.V. onder meer verklaard dat misschien in 2015, maar in ieder geval in 2016 en 2017 diverse partijen cacaoveegsel bij [naam 5] zijn afgeleverd die door [naam 5] op zijn voorraad waren gezet. Hij wist niet van wie de partijen afkomstig waren. Hij heeft de facturen bij wijze van tussenafrekening aan [bedrijfsnaam 2] B.V. op eigen initiatief opgemaakt. [bedrijfsnaam 2] B.V. was degene van wie de dga het vermoeden had dat deze de cacaoveegsels (al dan niet via een tussenpersoon) had geleverd; die naam had hij van iemand op een briefje gekregen. [bedrijfsnaam 2] B.V. kent hij niet en de eindafrekening was ten tijde van het verhoor nog niet geregeld. In het vierde verhoor op 17 maart 2021 heeft de dga verklaard dat hij niets kan vertellen over [bedrijfsnaam 3] B.V., geen contactpersoon heeft en niet weet hoe hij in contact is gekomen met [bedrijfsnaam 3] B.V. Uit onderzoek is gebleken dat [bedrijfsnaam 3] B.V. een holding is. Volgens de administratie van [bedrijfsnaam 3] B.V. zou [bedrijfsnaam 3] B.V. de op zes van de creditfacturen vermelde materialen hebben ingekocht van een Limited gevestigd in Hong Kong. [bedrijfsnaam 3] B.V. heeft echter geen betalingen verricht aan die Limited en uit douanegegevens is niet gebleken van import door [bedrijfsnaam 3] B.V. 8. [bedrijfsnaam 1] B.V. is vervolgd voor de volgende - kort en zakelijk weergegeven - tenlastegelegde strafbare feiten: “feit 1: samen met anderen, (gewoonte)witwassen of schuldwitwassen van in totaal bijna 1,4 miljoen euro, in de periode van 1 januari 2016 tot en met 8 maart 2021; feit 2: samen met anderen, het valselijk opmaken van (een deel van) de bedrijfsadministratie door ten onrechte op te nemen dat er tegen betaling afvalmaterialen zijn geleverd aan [bedrijfsnaam 1] B.V., in de periode van 1 januari 2017 tot en met 8 maart 2021.” 9. [bedrijfsnaam 1] B.V. is bij vonnis van rechtbank Overijssel van 24 juli 2023 vrijgesproken van beide tenlastegelegde feiten. Het hoger beroep hiertegen loopt nog. In het vonnis is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen: “ 4. De bewijsoverwegingen 4.1 Inleiding (…). De politie constateert in onderzoek ’26TheVillage’ dat sprake is van atypische en branchevreemde overboekingen van geldbedragen van [bedrijfsnaam 1] B.V. naar andere bedrijven. [bedrijfsnaam 1] B.V. heeft geldbedragen van in totaal bijna 1,4 miljoen euro overgemaakt voor leveringen van schroot en cacaoveegsels. De politie vermoedt dat er aan de geldstromen geen goederenstromen ten grondslag lagen en dat de overgeboekte geldbedragen een criminele herkomst hebben. De politie heeft het vermoeden dat contant geld is afgeleverd bij [bedrijfsnaam 1] B.V. waarna de B.V. het geld op de bankrekeningen van de andere rechtspersonen stortte. Uit welk misdrijf deze geldbedragen afkomstig zouden zijn, is onbekend gebleven. (…) 4.4 Het oordeel van de rechtbank (…) 4.4.1. Vaststaande feiten en omstandigheden (…) Overboekingen en handelsactiviteiten rechtspersonen (…) [bedrijfsnaam 1] B.V. heeft in de periode januari en februari 2017 twee geldbedragen overgemaakt naar [bedrijfsnaam 2] B.V. van in totaal € 325.000,-- voor, zo is opgenomen in de facturen, de levering van cacaoveegsels door of namens de laatstgenoemde B.V.[voetnoot] De creditfacturen zijn bij [bedrijfsnaam 1] B.V. aangetroffen.[voetnoot] [bedrijfsnaam 2] B.V. houdt zich volgens de beschrijving in de Kamer van Koophandel bezig met holdingactiviteiten, besturen, beheren van onroerende zaken en met het adviseren van (rechts)personen op het gebied van onroerende zaken. (…) Het tweede bedrijf waaraan [bedrijfsnaam 1] B.V. geld heeft overgemaakt, betreft [bedrijfsnaam 3] B.V. [bedrijfsnaam 1] B.V. heeft dertien geldbedragen overgemaakt van in totaal € 753.280,--. De creditfacturen van maart 2017 tot en met mei 2017 zijn bij [bedrijfsnaam 1] B.V. aangetroffen. Twee van de dertien facturen werden aangetroffen in de administratie van [bedrijfsnaam 3] B.V. (…). De betalingen werden verricht omdat door of namens [bedrijfsnaam 3] B.V. onder andere steigermateriaal en staalplaten werden afgeleverd aan [bedrijfsnaam 1] B.V., zo is op te maken uit de betreffende facturen. [bedrijfsnaam 3] B.V. is volgens de omschrijving in de Kamer van Koophandel een holding. (…) [bedrijfsnaam 3] B.V. is op 5 maart 2020 ontbonden.[voetnoot] (…) Ontbreken documentatie leveringen Anders dan de aangetroffen (credit)facturen, zijn er geen andere documenten aangetroffen zoals weegbonnen, begeleidingsbrieven afvalvervoer en vrachtbrieven/CMR’ s die wijzen op de levering van goederen door bovengenoemde bedrijven aan [bedrijfsnaam 1] B.V.[voetnoot] Ontbreken documentatie inkoop De bovenstaande bedrijven hebben blijkens de facturen schroot en/of cacaoveegsel aan [bedrijfsnaam 1] B.V. verkocht.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9897 text/xml public 2026-05-26T15:51:01 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-24 24_2113 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl NLF 2026/1029 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9897 text/html public 2026-05-26T12:08:46 2026-05-26 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9897 Rechtbank Den Haag , 24-04-2026 / 24_2113 Eiseres maakt inkoopkosten niet aannemelijk. Strafrechtelijke vrijspraak doet daar niet aan af. De navorderingsaanslag Vpb is terecht opgelegd. Verweerder slaagt er niet in overtuigend aan te tonen dat het aan opzet van eiseres te wijten is dat de aanslag Vpn te laag is vastgesteld. De rechtbank vernietigt om die reden de opgelegde vergrijpboete. Beroep gegrond. Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 24/2113 uitspraak van de meervoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen [eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. S.C. Noordhuis), en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2017 een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd. Daarbij is een vergrijpboete opgelegd en is belastingrente in rekening gebracht. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 26 januari 2024 de navorderingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2026. Namens eiseres zijn verschenen [naam 1] en mr. S.C. Noordhuis vergezeld door [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. [naam 3] en mr. [naam 4] . Overwegingen Feiten 1. Eiseres is met haar dochtermaatschappij [bedrijfsnaam 1] B.V., een recyclingbedrijf, gevoegd in een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Alle aandelen in eiseres worden gehouden door [naam 1] (de dga). 2. [bedrijfsnaam 1] B.V. heeft in 2017 creditfacturen opgesteld die zijn gericht aan [bedrijfsnaam 2] B.V. en [bedrijfsnaam 3] B.V. De twee creditfacturen aan [bedrijfsnaam 2] B.V. zien op cacaoveegsel en bedragen in totaal € 325.000. De dertien creditfacturen aan [bedrijfsnaam 3] B.V. zien op steigermateriaal en staalplaten en bedragen in totaal € 753.280. 3. [bedrijfsnaam 1] B.V. heeft de op de creditfacturen vermelde bedragen in 2017 aan [bedrijfsnaam 2] B.V. en [bedrijfsnaam 3] B.V. betaald. 4. Eiseres heeft aangifte Vpb voor het jaar 2017 gedaan naar een belastbare winst van negatief € 30.429. Daarbij is een bedrag van € 6.577.103 aan kosten van grond- en hulpstoffen in aanmerking genomen. 5. De aanslag Vpb voor het jaar 2017 is met dagtekening 30 mei 2020 conform de aangifte opgelegd naar een belastbare winst en een belastbaar bedrag van negatief € 30.429. 6. Onder de naam ’26TheVillage’ is een strafrechtelijk onderzoek uitgevoerd naar het witwassen van crimineel vermogen door diverse partijen. Daarbij zijn de in 2017 verrichte overboekingen door [bedrijfsnaam 1] B.V. aan [bedrijfsnaam 2] B.V. en [bedrijfsnaam 3] B.V. onderzocht. 7. De dga is meermaals verhoord. In het derde verhoor op 16 maart 2021 heeft hij met betrekking tot [bedrijfsnaam 2] B.V. onder meer verklaard dat misschien in 2015, maar in ieder geval in 2016 en 2017 diverse partijen cacaoveegsel bij [naam 5] zijn afgeleverd die door [naam 5] op zijn voorraad waren gezet. Hij wist niet van wie de partijen afkomstig waren. Hij heeft de facturen bij wijze van tussenafrekening aan [bedrijfsnaam 2] B.V. op eigen initiatief opgemaakt. [bedrijfsnaam 2] B.V. was degene van wie de dga het vermoeden had dat deze de cacaoveegsels (al dan niet via een tussenpersoon) had geleverd; die naam had hij van iemand op een briefje gekregen. [bedrijfsnaam 2] B.V. kent hij niet en de eindafrekening was ten tijde van het verhoor nog niet geregeld. In het vierde verhoor op 17 maart 2021 heeft de dga verklaard dat hij niets kan vertellen over [bedrijfsnaam 3] B.V., geen contactpersoon heeft en niet weet hoe hij in contact is gekomen met [bedrijfsnaam 3] B.V. Uit onderzoek is gebleken dat [bedrijfsnaam 3] B.V. een holding is. Volgens de administratie van [bedrijfsnaam 3] B.V. zou [bedrijfsnaam 3] B.V. de op zes van de creditfacturen vermelde materialen hebben ingekocht van een Limited gevestigd in Hong Kong. [bedrijfsnaam 3] B.V. heeft echter geen betalingen verricht aan die Limited en uit douanegegevens is niet gebleken van import door [bedrijfsnaam 3] B.V. 8. [bedrijfsnaam 1] B.V. is vervolgd voor de volgende - kort en zakelijk weergegeven - tenlastegelegde strafbare feiten: “feit 1: samen met anderen, (gewoonte)witwassen of schuldwitwassen van in totaal bijna 1,4 miljoen euro, in de periode van 1 januari 2016 tot en met 8 maart 2021; feit 2: samen met anderen, het valselijk opmaken van (een deel van) de bedrijfsadministratie door ten onrechte op te nemen dat er tegen betaling afvalmaterialen zijn geleverd aan [bedrijfsnaam 1] B.V., in de periode van 1 januari 2017 tot en met 8 maart 2021.” 9. [bedrijfsnaam 1] B.V. is bij vonnis van rechtbank Overijssel van 24 juli 2023 vrijgesproken van beide tenlastegelegde feiten. Het hoger beroep hiertegen loopt nog. In het vonnis is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen: “ 4. De bewijsoverwegingen 4.1 Inleiding (…). De politie constateert in onderzoek ’26TheVillage’ dat sprake is van atypische en branchevreemde overboekingen van geldbedragen van [bedrijfsnaam 1] B.V. naar andere bedrijven. [bedrijfsnaam 1] B.V. heeft geldbedragen van in totaal bijna 1,4 miljoen euro overgemaakt voor leveringen van schroot en cacaoveegsels. De politie vermoedt dat er aan de geldstromen geen goederenstromen ten grondslag lagen en dat de overgeboekte geldbedragen een criminele herkomst hebben. De politie heeft het vermoeden dat contant geld is afgeleverd bij [bedrijfsnaam 1] B.V. waarna de B.V. het geld op de bankrekeningen van de andere rechtspersonen stortte. Uit welk misdrijf deze geldbedragen afkomstig zouden zijn, is onbekend gebleven. (…) 4.4 Het oordeel van de rechtbank (…) 4.4.1. Vaststaande feiten en omstandigheden (…) Overboekingen en handelsactiviteiten rechtspersonen (…) [bedrijfsnaam 1] B.V. heeft in de periode januari en februari 2017 twee geldbedragen overgemaakt naar [bedrijfsnaam 2] B.V. van in totaal € 325.000,-- voor, zo is opgenomen in de facturen, de levering van cacaoveegsels door of namens de laatstgenoemde B.V.[voetnoot] De creditfacturen zijn bij [bedrijfsnaam 1] B.V. aangetroffen.[voetnoot] [bedrijfsnaam 2] B.V. houdt zich volgens de beschrijving in de Kamer van Koophandel bezig met holdingactiviteiten, besturen, beheren van onroerende zaken en met het adviseren van (rechts)personen op het gebied van onroerende zaken. (…) Het tweede bedrijf waaraan [bedrijfsnaam 1] B.V. geld heeft overgemaakt, betreft [bedrijfsnaam 3] B.V. [bedrijfsnaam 1] B.V. heeft dertien geldbedragen overgemaakt van in totaal € 753.280,--. De creditfacturen van maart 2017 tot en met mei 2017 zijn bij [bedrijfsnaam 1] B.V. aangetroffen. Twee van de dertien facturen werden aangetroffen in de administratie van [bedrijfsnaam 3] B.V. (…). De betalingen werden verricht omdat door of namens [bedrijfsnaam 3] B.V. onder andere steigermateriaal en staalplaten werden afgeleverd aan [bedrijfsnaam 1] B.V., zo is op te maken uit de betreffende facturen. [bedrijfsnaam 3] B.V. is volgens de omschrijving in de Kamer van Koophandel een holding. (…) [bedrijfsnaam 3] B.V. is op 5 maart 2020 ontbonden.[voetnoot] (…) Ontbreken documentatie leveringen Anders dan de aangetroffen (credit)facturen, zijn er geen andere documenten aangetroffen zoals weegbonnen, begeleidingsbrieven afvalvervoer en vrachtbrieven/CMR’ s die wijzen op de levering van goederen door bovengenoemde bedrijven aan [bedrijfsnaam 1] B.V.[voetnoot] Ontbreken documentatie inkoop De bovenstaande bedrijven hebben blijkens de facturen schroot en/of cacaoveegsel aan [bedrijfsnaam 1] B.V. verkocht.
Volledig
Er is geen documentatie in de bedrijfsadministraties aangetroffen waaruit volgt dat zij op hun beurt schroot of cacaoveegsels hebben ingekocht bij derden of anderszins hebben verkregen. (...) 4.4.4. Conclusie witwassen De rechtbank kan op basis van de feiten en omstandigheden niet vaststellen dat deze van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. De rechtbank spreekt verdachte vrij van gewoontewitwassen, omdat zij niet kan vaststellen dat de geldbedragen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig zijn uit enig misdrijf. De rechtbank zal verdachte om dezelfde reden ook vrijspreken van schuldwitwassen. 4.4.5. Conclusie valsheid in geschrift Naast de witwasverdenking wordt verdachte ook verweten dat zij valse facturen heeft opgemaakt. Op de facturen staat vermeld dat er goederen zijn geleverd aan [bedrijfsnaam 1] B.V., terwijl die leveringen volgens de officieren van justitie nooit hebben plaatsgevonden. De facturen zijn daarom, zo stelt het OM, valselijk opgemaakt. De officieren van justitie hebben in overeenstemming met deze geschetste gang van zaken de taak om te bewijzen dat er geen goederenstroom heeft plaatsgevonden. De rechtbank overweegt dat het OM zich hiermee in een lastige bewijspositie bevindt. Het OM dient immers aan te tonen dat iets niet heeft plaatsgevonden. De rechtbank overweegt enerzijds dat sprake is van opmerkelijke feiten en omstandigheden met betrekking tot de transacties. De rechtbank denkt daarbij aan het feit dat er geen documentatie in de bedrijfsadministraties is aangetroffen waaruit volgt dat de bedrijven die schroot/cacaoveegsels aan [bedrijfsnaam 1] B.V. hebben geleverd, schroot/cacaoveegsels hebben ingekocht of anderszins hebben verkregen. Anderzijds heeft de rechtbank in de vorige paragraaf ook kanttekeningen geplaatst bij de omstandigheden die volgens het OM bij moeten dragen aan het vermoeden van witwassen en de stelling van het OM dat er in het geheel geen sprake was van een goederenstroom richting [bedrijfsnaam 1] B.V. De stelling van het OM dat contante bedragen bij [bedrijfsnaam 1] B.V. zijn afgeleverd in plaats van (afval)goederen wordt niet door bewijsmiddelen ondersteund. Er zijn bovendien ook andere denkbare manieren om aan schroot/cacaoveegsels te komen, zoals het scenario dat de bedrijven als tussenpersoon fungeerden tussen een (schroot)leverancier en [bedrijfsnaam 1] B.V. De rechtbank concludeert dat er weliswaar aanwijzingen in het dossier te vinden zijn dat een goederenstroom ontbreekt, maar dat deze mede in het licht van de verklaringen van de verdachten naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs leveren dat er geen goederenstroom is geweest en dat er dus vals gefactureerd is.” 10. Met dagtekening 10 augustus 2023 heeft verweerder aangekondigd voor het jaar 2017 een navorderingsaanslag Vpb op te leggen. In de aankondiging is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen: “Het is mij uit de door de Politie, Landelijke eenheid, Dienst Landelijke Recherche verstrekte informatie bekend geworden dat in de administratie van [bedrijfsnaam 1] BV gefingeerde kosten ten laste van de winst over 2017 zijn verwerkt. Uit die informatie blijkt dat van een goederenstroom geen sprake is geweest. Het betreft de onderstaande kosten van [bedrijfsnaam 2] BV en [bedrijfsnaam 3] BV. (…) Door middel van een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2017 zullen de gefingeerde kosten worden gecorrigeerd met als gevolg een hogere belastbare winst dan vastgesteld bij de definitieve aanslag vennootschapsbelasting 2017. Vastgestelde belastbare winst 2017 [eiseres] € 30.429 negatief Bij: minder kosten [bedrijfsnaam 2] BV € 325.000 Bij: minder kosten [bedrijfsnaam 3] BV € 753.280 Vast te stellen belastbare winst 2017 [eiseres] € 1.047.851 positief (…) Vergrijpboete In verband met de correctie van de belastbare winst over 2017 ben ik van plan u een vergrijpboete op te leggen op basis van artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, met toepassing van de paragrafen 25 en 27 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (BBBB 1998). (…) Ik ben van mening dat het aan uw opzet dan wel aan uw voorwaardelijke opzet te wijten is dat de aangifte vennootschapsbelasting over 2017 onjuist is ingediend. Uit de door de Politie, Landelijke eenheid, Dienst Landelijke Recherche verstrekte informatie is gebleken dat er kosten opgenomen zijn in de administratie (zie de specificatie hierboven) en dat die kosten gefingeerd zijn c.q. onterecht zijn verwerkt in de administratie. Door die onjuiste verwerking in de administratie is de aangifte vennootschapsbelasting 2017 (voorwaardelijk) opzettelijk onjuist door u ingediend. Hoogte van de boete De boete bedraagt 50% van de verschuldigde vennootschapsbelasting 2017 over het totaalbedrag van de correcties € 1.078.280.” 11. Aan eiseres is voor het jaar 2017 een navorderingsaanslag Vpb opgelegd naar een belastbare winst en een belastbaar bedrag van € 1.047.851. Daarbij is een vergrijpboete opgelegd van € 129.785 en is € 90.490 aan belastingrente in rekening gebracht. Geschil 12. In geschil is of de navorderingsaanslag en de vergrijpboete terecht en naar juiste bedragen zijn opgelegd. Niet in geschil is dat de in rekening gebrachte belastingrente met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026 dient te worden verminderd, zodat het beroep reeds in zoverre gegrond is. 13. Eiseres stelt dat de navorderingaanslag en de vergrijpboete ten onrechte zijn opgelegd. Daartoe voert zij aan dat na de strafrechtelijke vrijspraak geen navorderingsaanslag kan worden opgelegd en dat de op de creditfacturen aan [bedrijfsnaam 2] B.V. en [bedrijfsnaam 3] B.V. vermelde bedragen ten onrechte niet als inkoopkosten in aanmerking zijn genomen. De vergrijpboete is volgens eiseres tevens in strijd met het ne-bis-in-idembeginsel en het una-viabeginsel opgelegd. 14. Verweerder stelt dat de navorderingsaanslag terecht en naar een juist bedrag is opgelegd. Volgens verweerder staat strafrechtelijke vrijspraak niet in de weg aan de oplegging van een navorderingsaanslag en zijn de op de creditfacturen aan [bedrijfsnaam 2] B.V. en [bedrijfsnaam 3] B.V. vermelde bedragen terecht niet als inkoopkosten in aftrek toegelaten. Met betrekking tot de opgelegde vergrijpboete beroept verweerder zich op (voorwaardelijk) opzet. Beoordeling van het geschil De nagevorderde belasting 15. De bewijslast met betrekking tot de inkoopkosten rust op eiseres. Naar het oordeel van de rechtbank is zij, tegenover hetgeen verweerder heeft aangevoerd, niet in de op haar rustende bewijslast geslaagd. Eiseres heeft gewezen op de creditfacturen en de daaraan gekoppelde betalingen aan [bedrijfsnaam 2] B.V. en [bedrijfsnaam 3] B.V. De creditfacturen zijn echter door eiseres zelf opgesteld en worden niet door enig achterliggend stuk, noch door een geloofwaardige verklaring van de dga ondersteund. Bij een kostenpost van de gestelde omvang mag worden verwacht dat deze kan worden onderbouwd met nadere objectieve en verifieerbare gegevens. Nu dergelijke gegevens ontbreken, zijn de gestelde inkoopkosten terecht niet in aftrek toegelaten en is de navorderingsaanslag terecht opgelegd. 16. De strafrechtelijk vrijspraak van [bedrijfsnaam 1] B.V. doet aan dit oordeel niet af. De belastingrechter dient met inachtneming van het fiscale procesrecht zelfstandig een oordeel te vormen over de vaststaande feiten. Daarbij is hij niet gebonden aan een oordeel van de strafrechter over hetzelfde feitencomplex, zelfs niet als aan hem dezelfde bewijsmiddelen ter beschikking staan als aan de strafrechter. Een strafrechtelijke vrijspraak hoeft niet eraan in de weg te staan dat in een latere gerechtelijke procedure de gedragingen waarvan eiseres is vrijgesproken, als gevolg van minder strenge bewijsregels of op grond van aanvullend bewijs bewezen worden verklaard, mits de rechterlijke autoriteiten door hun optreden, de motivering van hun beslissing of de door hen gebruikte bewoordingen geen twijfel doen ontstaan over de juistheid van een vrijspraak van hetgeen de verdachte in de strafzaak werd verweten.
Volledig
Er is geen documentatie in de bedrijfsadministraties aangetroffen waaruit volgt dat zij op hun beurt schroot of cacaoveegsels hebben ingekocht bij derden of anderszins hebben verkregen. (...) 4.4.4. Conclusie witwassen De rechtbank kan op basis van de feiten en omstandigheden niet vaststellen dat deze van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. De rechtbank spreekt verdachte vrij van gewoontewitwassen, omdat zij niet kan vaststellen dat de geldbedragen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig zijn uit enig misdrijf. De rechtbank zal verdachte om dezelfde reden ook vrijspreken van schuldwitwassen. 4.4.5. Conclusie valsheid in geschrift Naast de witwasverdenking wordt verdachte ook verweten dat zij valse facturen heeft opgemaakt. Op de facturen staat vermeld dat er goederen zijn geleverd aan [bedrijfsnaam 1] B.V., terwijl die leveringen volgens de officieren van justitie nooit hebben plaatsgevonden. De facturen zijn daarom, zo stelt het OM, valselijk opgemaakt. De officieren van justitie hebben in overeenstemming met deze geschetste gang van zaken de taak om te bewijzen dat er geen goederenstroom heeft plaatsgevonden. De rechtbank overweegt dat het OM zich hiermee in een lastige bewijspositie bevindt. Het OM dient immers aan te tonen dat iets niet heeft plaatsgevonden. De rechtbank overweegt enerzijds dat sprake is van opmerkelijke feiten en omstandigheden met betrekking tot de transacties. De rechtbank denkt daarbij aan het feit dat er geen documentatie in de bedrijfsadministraties is aangetroffen waaruit volgt dat de bedrijven die schroot/cacaoveegsels aan [bedrijfsnaam 1] B.V. hebben geleverd, schroot/cacaoveegsels hebben ingekocht of anderszins hebben verkregen. Anderzijds heeft de rechtbank in de vorige paragraaf ook kanttekeningen geplaatst bij de omstandigheden die volgens het OM bij moeten dragen aan het vermoeden van witwassen en de stelling van het OM dat er in het geheel geen sprake was van een goederenstroom richting [bedrijfsnaam 1] B.V. De stelling van het OM dat contante bedragen bij [bedrijfsnaam 1] B.V. zijn afgeleverd in plaats van (afval)goederen wordt niet door bewijsmiddelen ondersteund. Er zijn bovendien ook andere denkbare manieren om aan schroot/cacaoveegsels te komen, zoals het scenario dat de bedrijven als tussenpersoon fungeerden tussen een (schroot)leverancier en [bedrijfsnaam 1] B.V. De rechtbank concludeert dat er weliswaar aanwijzingen in het dossier te vinden zijn dat een goederenstroom ontbreekt, maar dat deze mede in het licht van de verklaringen van de verdachten naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs leveren dat er geen goederenstroom is geweest en dat er dus vals gefactureerd is.” 10. Met dagtekening 10 augustus 2023 heeft verweerder aangekondigd voor het jaar 2017 een navorderingsaanslag Vpb op te leggen. In de aankondiging is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen: “Het is mij uit de door de Politie, Landelijke eenheid, Dienst Landelijke Recherche verstrekte informatie bekend geworden dat in de administratie van [bedrijfsnaam 1] BV gefingeerde kosten ten laste van de winst over 2017 zijn verwerkt. Uit die informatie blijkt dat van een goederenstroom geen sprake is geweest. Het betreft de onderstaande kosten van [bedrijfsnaam 2] BV en [bedrijfsnaam 3] BV. (…) Door middel van een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2017 zullen de gefingeerde kosten worden gecorrigeerd met als gevolg een hogere belastbare winst dan vastgesteld bij de definitieve aanslag vennootschapsbelasting 2017. Vastgestelde belastbare winst 2017 [eiseres] € 30.429 negatief Bij: minder kosten [bedrijfsnaam 2] BV € 325.000 Bij: minder kosten [bedrijfsnaam 3] BV € 753.280 Vast te stellen belastbare winst 2017 [eiseres] € 1.047.851 positief (…) Vergrijpboete In verband met de correctie van de belastbare winst over 2017 ben ik van plan u een vergrijpboete op te leggen op basis van artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, met toepassing van de paragrafen 25 en 27 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (BBBB 1998). (…) Ik ben van mening dat het aan uw opzet dan wel aan uw voorwaardelijke opzet te wijten is dat de aangifte vennootschapsbelasting over 2017 onjuist is ingediend. Uit de door de Politie, Landelijke eenheid, Dienst Landelijke Recherche verstrekte informatie is gebleken dat er kosten opgenomen zijn in de administratie (zie de specificatie hierboven) en dat die kosten gefingeerd zijn c.q. onterecht zijn verwerkt in de administratie. Door die onjuiste verwerking in de administratie is de aangifte vennootschapsbelasting 2017 (voorwaardelijk) opzettelijk onjuist door u ingediend. Hoogte van de boete De boete bedraagt 50% van de verschuldigde vennootschapsbelasting 2017 over het totaalbedrag van de correcties € 1.078.280.” 11. Aan eiseres is voor het jaar 2017 een navorderingsaanslag Vpb opgelegd naar een belastbare winst en een belastbaar bedrag van € 1.047.851. Daarbij is een vergrijpboete opgelegd van € 129.785 en is € 90.490 aan belastingrente in rekening gebracht. Geschil 12. In geschil is of de navorderingsaanslag en de vergrijpboete terecht en naar juiste bedragen zijn opgelegd. Niet in geschil is dat de in rekening gebrachte belastingrente met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026 dient te worden verminderd, zodat het beroep reeds in zoverre gegrond is. 13. Eiseres stelt dat de navorderingaanslag en de vergrijpboete ten onrechte zijn opgelegd. Daartoe voert zij aan dat na de strafrechtelijke vrijspraak geen navorderingsaanslag kan worden opgelegd en dat de op de creditfacturen aan [bedrijfsnaam 2] B.V. en [bedrijfsnaam 3] B.V. vermelde bedragen ten onrechte niet als inkoopkosten in aanmerking zijn genomen. De vergrijpboete is volgens eiseres tevens in strijd met het ne-bis-in-idembeginsel en het una-viabeginsel opgelegd. 14. Verweerder stelt dat de navorderingsaanslag terecht en naar een juist bedrag is opgelegd. Volgens verweerder staat strafrechtelijke vrijspraak niet in de weg aan de oplegging van een navorderingsaanslag en zijn de op de creditfacturen aan [bedrijfsnaam 2] B.V. en [bedrijfsnaam 3] B.V. vermelde bedragen terecht niet als inkoopkosten in aftrek toegelaten. Met betrekking tot de opgelegde vergrijpboete beroept verweerder zich op (voorwaardelijk) opzet. Beoordeling van het geschil De nagevorderde belasting 15. De bewijslast met betrekking tot de inkoopkosten rust op eiseres. Naar het oordeel van de rechtbank is zij, tegenover hetgeen verweerder heeft aangevoerd, niet in de op haar rustende bewijslast geslaagd. Eiseres heeft gewezen op de creditfacturen en de daaraan gekoppelde betalingen aan [bedrijfsnaam 2] B.V. en [bedrijfsnaam 3] B.V. De creditfacturen zijn echter door eiseres zelf opgesteld en worden niet door enig achterliggend stuk, noch door een geloofwaardige verklaring van de dga ondersteund. Bij een kostenpost van de gestelde omvang mag worden verwacht dat deze kan worden onderbouwd met nadere objectieve en verifieerbare gegevens. Nu dergelijke gegevens ontbreken, zijn de gestelde inkoopkosten terecht niet in aftrek toegelaten en is de navorderingsaanslag terecht opgelegd. 16. De strafrechtelijk vrijspraak van [bedrijfsnaam 1] B.V. doet aan dit oordeel niet af. De belastingrechter dient met inachtneming van het fiscale procesrecht zelfstandig een oordeel te vormen over de vaststaande feiten. Daarbij is hij niet gebonden aan een oordeel van de strafrechter over hetzelfde feitencomplex, zelfs niet als aan hem dezelfde bewijsmiddelen ter beschikking staan als aan de strafrechter. Een strafrechtelijke vrijspraak hoeft niet eraan in de weg te staan dat in een latere gerechtelijke procedure de gedragingen waarvan eiseres is vrijgesproken, als gevolg van minder strenge bewijsregels of op grond van aanvullend bewijs bewezen worden verklaard, mits de rechterlijke autoriteiten door hun optreden, de motivering van hun beslissing of de door hen gebruikte bewoordingen geen twijfel doen ontstaan over de juistheid van een vrijspraak van hetgeen de verdachte in de strafzaak werd verweten.
Volledig
In het onderhavige geval geldt dat er, mede gelet op het verschil in bewijsregels, op basis van de uitkomsten van het strafrechtelijke onderzoek kan worden nagevorderd. 17. Gelet op het voorgaande is de navorderingsaanslag terecht en niet naar een te hoog bedrag opgelegd. De vergrijpboete 18. De vergrijpboete is opgelegd op grond van artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelasting in samenhang met paragrafen 25 en 27 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. Voor het opleggen van een dergelijke boete bestaat aanleiding, indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. Volgens verweerder is sprake van (voorwaardelijk) opzet. 19. De aanwezigheid van een beboetbaar feit kan alleen worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Dit dient begrepen te worden als ‘doen blijken’, dat wil zeggen: overtuigend aantonen. Verweerder dient dus overtuigend aan te tonen dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijk opzet. Daarvoor moet vaststaan (i) dat eiseres wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat de verweten gedraging zich voordoet, en (ii) dat zij deze kans bovendien bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). 20. Verweerder baseert zich op de bevindingen van het strafrechtelijke onderzoek. Hij heeft geen aanvullend onderzoek verricht. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder daarmee niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd. Hij heeft niet overtuigend aangetoond dat het aan (voorwaardelijk) opzet van eiseres te wijten is dat de aanslag Vpb voor het jaar 2017 te laag is vastgesteld. De rechtbank weegt daarbij mee dat [bedrijfsnaam 1] B.V. strafrechtelijk is vrijgesproken van het opmaken van valse facturen. Daarbij is geoordeeld dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is geleverd dat er geen goederenstroom is geweest en dat er dus vals gefactureerd is. Verweerder verwijt eiseres in het kader van de vergrijpboete in wezen dat zij gebruik heeft gemaakt van valse (inkoop)facturen. Het uitgaan van valse facturen is gelet op de vrijspraak naar het oordeel van de rechtbank in strijd met de hiervoor onder 16 weergegeven onschuldpresumptie. Het beroep van verweerder op het arrest van de Hoge Raad van 23 december 2022 gaat niet op, aangezien verweerder geen nader onderzoek naar de administratie van eiseres als geheel heeft gedaan. Het is dus geen vaststaand gegeven dat de administratie - buiten de in geschil zijnde inkoopfacturen - ondeugdelijk was. 21. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de boetebeschikking vernietigen. Wat eiseres verder heeft aangevoerd, behoeft geen behandeling. Belastingrente 22. Tegen de in rekening gebrachte belastingrente zijn geen afzonderlijke grieven aangevoerd. Voor verdere vermindering dan hiervóór onder 12 is vermeld, bestaat geen aanleiding. 23. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep gegrond te worden verklaard ten aanzien van de vergrijpboete en de belastingrente. Proceskosten 24. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Gedurende de bezwaarfase is niet om een proceskostenvergoeding verzocht, zodat ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht geen vergoeding voor de bezwaarfase wordt toegekend. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze ziet op de vergrijpboete en de in rekening gebrachte belastingrente; - vernietigt de vergrijpboete; - draagt verweerder op de in rekening gebrachte belastingrente te verminderen met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026 ; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.834; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 371 aan eiseres te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. K.G. Scholten, voorzitter, en mr. S.E. Postema en mr. E.J.W. Heithuis, leden, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht). Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag. Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: 1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend. Verder vermeldt u ten minste het volgende: a. de naam en het adres van de indiener; b. de datum van verzending; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep). Bijlage 19 bij verweer. Bijlage 20 bij verweer. ECLI:NL:HR:2026:59. Hoge Raad 10 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2713 en Hoge Raad 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:643. Hoge Raad 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:958. Vgl. Hoge Raad 8 april 2002, ECLI:NL:HR:2022:526, r.o. 3.2. ECLI:NL:HR:2022:1919. ECLI:NL:HR:2026:59.
Volledig
In het onderhavige geval geldt dat er, mede gelet op het verschil in bewijsregels, op basis van de uitkomsten van het strafrechtelijke onderzoek kan worden nagevorderd. 17. Gelet op het voorgaande is de navorderingsaanslag terecht en niet naar een te hoog bedrag opgelegd. De vergrijpboete 18. De vergrijpboete is opgelegd op grond van artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelasting in samenhang met paragrafen 25 en 27 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. Voor het opleggen van een dergelijke boete bestaat aanleiding, indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. Volgens verweerder is sprake van (voorwaardelijk) opzet. 19. De aanwezigheid van een beboetbaar feit kan alleen worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Dit dient begrepen te worden als ‘doen blijken’, dat wil zeggen: overtuigend aantonen. Verweerder dient dus overtuigend aan te tonen dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijk opzet. Daarvoor moet vaststaan (i) dat eiseres wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat de verweten gedraging zich voordoet, en (ii) dat zij deze kans bovendien bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). 20. Verweerder baseert zich op de bevindingen van het strafrechtelijke onderzoek. Hij heeft geen aanvullend onderzoek verricht. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder daarmee niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd. Hij heeft niet overtuigend aangetoond dat het aan (voorwaardelijk) opzet van eiseres te wijten is dat de aanslag Vpb voor het jaar 2017 te laag is vastgesteld. De rechtbank weegt daarbij mee dat [bedrijfsnaam 1] B.V. strafrechtelijk is vrijgesproken van het opmaken van valse facturen. Daarbij is geoordeeld dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is geleverd dat er geen goederenstroom is geweest en dat er dus vals gefactureerd is. Verweerder verwijt eiseres in het kader van de vergrijpboete in wezen dat zij gebruik heeft gemaakt van valse (inkoop)facturen. Het uitgaan van valse facturen is gelet op de vrijspraak naar het oordeel van de rechtbank in strijd met de hiervoor onder 16 weergegeven onschuldpresumptie. Het beroep van verweerder op het arrest van de Hoge Raad van 23 december 2022 gaat niet op, aangezien verweerder geen nader onderzoek naar de administratie van eiseres als geheel heeft gedaan. Het is dus geen vaststaand gegeven dat de administratie - buiten de in geschil zijnde inkoopfacturen - ondeugdelijk was. 21. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de boetebeschikking vernietigen. Wat eiseres verder heeft aangevoerd, behoeft geen behandeling. Belastingrente 22. Tegen de in rekening gebrachte belastingrente zijn geen afzonderlijke grieven aangevoerd. Voor verdere vermindering dan hiervóór onder 12 is vermeld, bestaat geen aanleiding. 23. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep gegrond te worden verklaard ten aanzien van de vergrijpboete en de belastingrente. Proceskosten 24. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Gedurende de bezwaarfase is niet om een proceskostenvergoeding verzocht, zodat ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht geen vergoeding voor de bezwaarfase wordt toegekend. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze ziet op de vergrijpboete en de in rekening gebrachte belastingrente; - vernietigt de vergrijpboete; - draagt verweerder op de in rekening gebrachte belastingrente te verminderen met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026 ; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.834; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 371 aan eiseres te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. K.G. Scholten, voorzitter, en mr. S.E. Postema en mr. E.J.W. Heithuis, leden, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht). Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag. Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: 1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend. Verder vermeldt u ten minste het volgende: a. de naam en het adres van de indiener; b. de datum van verzending; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep). Bijlage 19 bij verweer. Bijlage 20 bij verweer. ECLI:NL:HR:2026:59. Hoge Raad 10 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2713 en Hoge Raad 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:643. Hoge Raad 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:958. Vgl. Hoge Raad 8 april 2002, ECLI:NL:HR:2022:526, r.o. 3.2. ECLI:NL:HR:2022:1919. ECLI:NL:HR:2026:59.