Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-03-19
ECLI:NL:RBDHA:2026:9890
Rechtbank DEN HAAG Meervoudige kamer Rekestnummer: HA RK 24-565 Zaaknummer: C/09/674088 Datum beschikking: 19 maart 2026 Beschikking op het op 11 oktober 2024 ingekomen verzoekschrift van: [verzoeker] , verzoeker, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. W. Hoebba te Amsterdam. Als belanghebbende wordt aangemerkt: DE STAAT DER NEDERLANDEN, (Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, verder te noemen “de IND”), zetelende te ’s-Gravenhage, vertegenwoordigd door: mr. R.Y. Reckers. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: - het verzoekschrift; - de brief van 31 oktober 2024 van de IND; - de brief van 30 november 2024, met bijlagen, van verzoeker; - de brief van 31 maart 2025 van de IND; - een e-mailbericht van 23 juni 2025 van verzoeker; - een e-mailbericht van 5 augustus 2025 van verzoeker. Op 12 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: mr. Hoebba namens verzoeker en R.Y. Reckers namens de IND. Verzoeker is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet op de zitting verschenen. Verzoek en het standpunt van de IND Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van het Nederlanderschap van verzoeker een en ander uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van de IND in de proceskosten. De IND concludeert tot afwijzing van het verzoek. Feiten Verzoeker is geboren op [geboortedatum 1] 1992 te [geboorteplaats] , [geboorteland] . Verzoeker is op 13 januari 2006 te Amsterdam erkend door [naam] , geboren op [geboortedatum 2] 1955 te [geboorteland] , van Nederlandse nationaliteit. Verzoeker heeft op de Nederlandse ambassade te Paramaribo op 2 februari 2024 een optieverklaring op grond van artikel II eerste lid onder b van de Rijkswet tot wijziging van de RWN van 27 juni 2008, Stb. 270 (iwtr. 1 maart 2009) afgelegd. Bij brief van 1 maart 2024 namens het Ministerie van Buitenlandse zaken is verzoeker medegedeeld dat zijn optieverklaring onvolledig is en is hij in de gelegenheid gesteld onder meer een rapport van een DNA-onderzoek over te leggen waaruit van de biologische afstammingsrelatie tussen verzoeker en zijn vader blijkt. Bij beschikking van de minister van Buitenlandse Zaken van 22 augustus 2024 is verzoeker medegedeeld dat de ontbrekende informatie niet van verzoeker is ontvangen en is beslist dat de optieverklaring daarom niet in behandeling wordt genomen. Verzoeker heeft een bezwaarschrift ingediend tegen de beslissing van 22 augustus 2024. Niet gebleken is, dat op dit bezwaarschrift inmiddels is beslist. Verzoeker heeft op 11 oktober 2024 een aanvraag voor een verblijfsvergunning (verblijf in afwachting van de procedure ex artikel 17 RWN) ingediend. Bij beschikking van 6 maart 2025 is die aanvraag door de IND afgewezen. Beoordeling In geschil is of verzoeker in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. Verzoeker stelt dat dit het geval is en voert daartoe, verkort weergegeven, het volgende aan. Verzoeker is op 13 januari 2006 erkend door [naam] , van Nederlandse nationaliteit, waardoor verzoeker de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Tevens heeft verzoeker op de Nederlandse ambassade te Paramaribo een optieverklaring op grond van artikel II eerste lid onder b van de Rijkswet tot wijziging van de RWN van 27 juni 2008, Stb. 270 (iwtr. 1 maart 2009) afgelegd. Verzoeker stelt nog in afwachting te zijn van een rapport van DNA-onderzoek waaruit blijkt dat [naam] zijn biologische vader is. Verzoeker stelt op grond van het voorgaande de Nederlandse nationaliteit te hebben verkregen. De IND stelt zich op het standpunt dat de erkenning in 2006 door een man met de Nederlandse nationaliteit, op grond van de regelgeving zoals die toentertijd gold, niet tot gevolg heeft gehad dat verzoeker de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. De RWN kende een dergelijke bepaling toen niet. Verzoeker heeft ook een optieverklaring afgelegd op grond van artikel II eerste lid onder b van de Rijkswet tot wijziging van de RWN