Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-19
ECLI:NL:RBDHA:2026:9889
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,281 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9889 text/xml public 2026-04-29T10:00:16 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-19 C/09/680703 / FA RK 25-1345 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9889 text/html public 2026-04-24T14:54:24 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9889 Rechtbank Den Haag , 19-03-2026 / C/09/680703 / FA RK 25-1345 Gezag en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Raadsonderzoek gelast. Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 25-1345 Zaaknummer: C/09/680703 Datum beschikking: 19 maart 2026 Gezag en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgangsregeling Beschikking op het op 21 februari 2025 ingekomen verzoek van: [de moeder], de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. R.G. Jagesar in ‘s-Gravenhage. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de vader], de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. R.M.A. Arnoldus in Groningen. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; het verslag van 15 mei 2025 van de bijzondere curator, met bijlage; het bericht van 1 juli 2025 van de moeder; de brief van 11 juli 2025 van de vader; het verweerschrift, binnengekomen op 9 februari 2026. De [minderjarige] heeft in een gesprek met de kinderrechter haar mening gegeven. Op 19 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder bijgestaan door haar advocaat en een tolk, C. Regasa; de vader bijgestaan door zijn advocaat en een tolk, A. Fawzy; de bijzondere curator mr. K. Moenen; [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). Feiten Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind: - [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats]. [minderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder. De vader en de moeder zijn gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast. Bij beschikking van deze rechtbank op 29 maart 2024 is, voor zover hier van belang, bepaald dat: - in het kader van de vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en met wijziging van de beschikking van 24 mei 2019 van deze rechtbank, bekend onder zaaknummer C/09/556712 FA RK 18-5162, dat [minderjarige] om de week omgang met de vader zal hebben dan wel zal verblijven bij de vader: de eerste drie keer – startend op 1 maart 2024 – op vrijdag van 15.30 uur tot 18.00 uur; de daaropvolgende drie keer op zaterdag van 12.00 uur tot 18.00 uur; daarna één keer van zaterdag op zondag; en vervolgens telkens van vrijdagmiddag 15.30 uur tot zondagmiddag 16.00 uur; - [minderjarige] in de zomervakantie twee weken bij de vader zal verblijven en dat de overige vakanties – met uitzondering van de komende meivakantie – bij helfte zullen worden verdeeld. - Bij vonnis van 27 februari 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, voor zover hier van belang: - tot bijzondere curator benoemd over [minderjarige]: mr. K. Moene, Verzoek en verweer De moeder verzoekt – met wijziging in zoverre van de beschikking van 29 maart 2024 van deze rechtbank – : - primair : de moeder te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige]; de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling) zoals deze is vastgelegd tussen de vader en [minderjarige] te ontzeggen, althans deze tijdelijk voor de duur van 1 jaar te ontzeggen; te bepalen dat een bijzondere curator zal worden aangesteld om zich uit te laten over de wijziging van de zorgregeling; subsidiair : de zorgregeling als volgt vast te stellen: elke woensdagmiddag van 17.00 uur tot 17.30 uur een videobelmoment, waarbij de moeder de vader inbelt; daarna zal begeleide omgang plaatsvinden en dat na dit traject, [minderjarige] elke woensdagmiddag van 16.00 uur tot 18.00 uur in [plaats] zal doorbrengen. een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. De vader heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. De moeder heeft op de zitting haar verzoek tot benoeming van een bijzondere curator ingetrokken. Beoordeling Verslag bijzondere curator Bij vonnis van 27 februari 2025 is mr. Moene tot bijzondere curator benoemd over [minderjarige]. De bijzondere curator heeft verschillende gesprekken met [minderjarige] gevoerd, met als doel een herstelgesprek tussen de vader en [minderjarige] te faciliteren en te onderzoeken of contact tussen [minderjarige] en haar vader mogelijk is. Dit is niet gelukt. [minderjarige] heeft aan de bijzondere curator duidelijk gemaakt dat zij geen contact met haar vader wil, ook niet als de moeder bij het gesprek aanwezig is en ook niet als de bijzondere curator een eerste contact begeleidt. Videobellen is voor [minderjarige] ook onbespreekbaar. De reactie die [minderjarige] op het kantoor van de bijzondere curator liet zien toen zij dacht dat haar vader in de buurt was, leidt tot de conclusie van de bijzondere curator dat een herstelgesprek op dit moment niet geforceerd moet worden. De heftigheid van die reactie en de geuite weerstand tegen contactherstel maakt dat de bijzondere curator van oordeel is dat dit alleen kan plaatsvinden onder professionele begeleiding. Gezag en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken De moeder heeft verzocht om het gezag van de vader over [minderjarige] te beëindigen, in die zin dat de moeder wordt belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige]. De moeder doet haar verzoek steunen op de stelling dat [minderjarige] klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en dat gezamenlijk gezag ook anderszins niet in het belang van [minderjarige] is. Volgens de moeder is er al langere tijd geen enkel contact tussen de ouders. Op de zitting heeft de vader aangevoerd dat er geen contact is tussen de ouders, omdat de moeder niet op hem reageert. Het verzoek van de moeder moet daarom, volgens de vader, worden afgewezen. Ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling) stelt de moeder zich op het standpunt dat hernieuwd contact tussen de vader en [minderjarige] ernstig nadeel zal opleveren voor de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van [minderjarige]. Omdat er een aantal incidenten heeft plaatsgevonden tijdens eerdere omgangsmomenten, is de moeder bang dat de veiligheid van [minderjarige] bij de vader niet gegarandeerd kan worden. Net als de bijzondere curator, ziet de moeder ook dat er veel weerstand bij [minderjarige] is op het moment dat de vader ter sprake komt. De moeder wil dan ook dat er rust komt voor [minderjarige], en verzoekt de vader de omgang te ontzeggen dan wel te bepalen dat er uitsluitend begeleide kan plaatsvinden. De vader stelt daarentegen dat er geen aanleiding is om de huidige zorgregeling niet te hervatten. Op de zitting heeft de vader aangevoerd dat [minderjarige] weerstand heeft tegen contact met hem omdat zij geen emotionele toestemming krijgt van de moeder. De vader vindt dat het contact tussen hem en [minderjarige] zo snel mogelijk hervat moet worden en dat [minderjarige] geen enkele reden heeft om bang voor hem te zijn. De rechtbank overweegt als volgt. Zowel in het kindgesprek als in het verslag van de bijzondere curator is naar voren gekomen dat [minderjarige] grote weerstand vertoont wanneer contactherstel met haar vader ter sprake komt. Zij heeft bij die gelegenheden verschillende incidenten benoemd die tijdens de omgangsmomenten met vader hebben plaatsgevonden. De weerstand die [minderjarige] ervaart moet serieus worden genomen. Die weerstand is zo duidelijk en zo sterk dat de rechtbank het onverantwoord vindt om op dit moment in te zetten op contactherstel. De rechtbank vreest bovendien dat het forceren van contact op dit moment een enorm negatieve impact op [minderjarige] zal hebben. Zonder professionele hulp voor [minderjarige] kan niet aan contactherstel worden gewerkt.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9889 text/xml public 2026-04-29T10:00:16 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-19 C/09/680703 / FA RK 25-1345 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9889 text/html public 2026-04-24T14:54:24 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9889 Rechtbank Den Haag , 19-03-2026 / C/09/680703 / FA RK 25-1345 Gezag en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Raadsonderzoek gelast. Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 25-1345 Zaaknummer: C/09/680703 Datum beschikking: 19 maart 2026 Gezag en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgangsregeling Beschikking op het op 21 februari 2025 ingekomen verzoek van: [de moeder], de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. R.G. Jagesar in ‘s-Gravenhage. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de vader], de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. R.M.A. Arnoldus in Groningen. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; het verslag van 15 mei 2025 van de bijzondere curator, met bijlage; het bericht van 1 juli 2025 van de moeder; de brief van 11 juli 2025 van de vader; het verweerschrift, binnengekomen op 9 februari 2026. De [minderjarige] heeft in een gesprek met de kinderrechter haar mening gegeven. Op 19 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder bijgestaan door haar advocaat en een tolk, C. Regasa; de vader bijgestaan door zijn advocaat en een tolk, A. Fawzy; de bijzondere curator mr. K. Moenen; [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). Feiten Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind: - [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats]. [minderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder. De vader en de moeder zijn gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast. Bij beschikking van deze rechtbank op 29 maart 2024 is, voor zover hier van belang, bepaald dat: - in het kader van de vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en met wijziging van de beschikking van 24 mei 2019 van deze rechtbank, bekend onder zaaknummer C/09/556712 FA RK 18-5162, dat [minderjarige] om de week omgang met de vader zal hebben dan wel zal verblijven bij de vader: de eerste drie keer – startend op 1 maart 2024 – op vrijdag van 15.30 uur tot 18.00 uur; de daaropvolgende drie keer op zaterdag van 12.00 uur tot 18.00 uur; daarna één keer van zaterdag op zondag; en vervolgens telkens van vrijdagmiddag 15.30 uur tot zondagmiddag 16.00 uur; - [minderjarige] in de zomervakantie twee weken bij de vader zal verblijven en dat de overige vakanties – met uitzondering van de komende meivakantie – bij helfte zullen worden verdeeld. - Bij vonnis van 27 februari 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, voor zover hier van belang: - tot bijzondere curator benoemd over [minderjarige]: mr. K. Moene, Verzoek en verweer De moeder verzoekt – met wijziging in zoverre van de beschikking van 29 maart 2024 van deze rechtbank – : - primair : de moeder te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige]; de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling) zoals deze is vastgelegd tussen de vader en [minderjarige] te ontzeggen, althans deze tijdelijk voor de duur van 1 jaar te ontzeggen; te bepalen dat een bijzondere curator zal worden aangesteld om zich uit te laten over de wijziging van de zorgregeling; subsidiair : de zorgregeling als volgt vast te stellen: elke woensdagmiddag van 17.00 uur tot 17.30 uur een videobelmoment, waarbij de moeder de vader inbelt; daarna zal begeleide omgang plaatsvinden en dat na dit traject, [minderjarige] elke woensdagmiddag van 16.00 uur tot 18.00 uur in [plaats] zal doorbrengen. een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. De vader heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. De moeder heeft op de zitting haar verzoek tot benoeming van een bijzondere curator ingetrokken. Beoordeling Verslag bijzondere curator Bij vonnis van 27 februari 2025 is mr. Moene tot bijzondere curator benoemd over [minderjarige]. De bijzondere curator heeft verschillende gesprekken met [minderjarige] gevoerd, met als doel een herstelgesprek tussen de vader en [minderjarige] te faciliteren en te onderzoeken of contact tussen [minderjarige] en haar vader mogelijk is. Dit is niet gelukt. [minderjarige] heeft aan de bijzondere curator duidelijk gemaakt dat zij geen contact met haar vader wil, ook niet als de moeder bij het gesprek aanwezig is en ook niet als de bijzondere curator een eerste contact begeleidt. Videobellen is voor [minderjarige] ook onbespreekbaar. De reactie die [minderjarige] op het kantoor van de bijzondere curator liet zien toen zij dacht dat haar vader in de buurt was, leidt tot de conclusie van de bijzondere curator dat een herstelgesprek op dit moment niet geforceerd moet worden. De heftigheid van die reactie en de geuite weerstand tegen contactherstel maakt dat de bijzondere curator van oordeel is dat dit alleen kan plaatsvinden onder professionele begeleiding. Gezag en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken De moeder heeft verzocht om het gezag van de vader over [minderjarige] te beëindigen, in die zin dat de moeder wordt belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige]. De moeder doet haar verzoek steunen op de stelling dat [minderjarige] klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en dat gezamenlijk gezag ook anderszins niet in het belang van [minderjarige] is. Volgens de moeder is er al langere tijd geen enkel contact tussen de ouders. Op de zitting heeft de vader aangevoerd dat er geen contact is tussen de ouders, omdat de moeder niet op hem reageert. Het verzoek van de moeder moet daarom, volgens de vader, worden afgewezen. Ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling) stelt de moeder zich op het standpunt dat hernieuwd contact tussen de vader en [minderjarige] ernstig nadeel zal opleveren voor de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van [minderjarige]. Omdat er een aantal incidenten heeft plaatsgevonden tijdens eerdere omgangsmomenten, is de moeder bang dat de veiligheid van [minderjarige] bij de vader niet gegarandeerd kan worden. Net als de bijzondere curator, ziet de moeder ook dat er veel weerstand bij [minderjarige] is op het moment dat de vader ter sprake komt. De moeder wil dan ook dat er rust komt voor [minderjarige], en verzoekt de vader de omgang te ontzeggen dan wel te bepalen dat er uitsluitend begeleide kan plaatsvinden. De vader stelt daarentegen dat er geen aanleiding is om de huidige zorgregeling niet te hervatten. Op de zitting heeft de vader aangevoerd dat [minderjarige] weerstand heeft tegen contact met hem omdat zij geen emotionele toestemming krijgt van de moeder. De vader vindt dat het contact tussen hem en [minderjarige] zo snel mogelijk hervat moet worden en dat [minderjarige] geen enkele reden heeft om bang voor hem te zijn. De rechtbank overweegt als volgt. Zowel in het kindgesprek als in het verslag van de bijzondere curator is naar voren gekomen dat [minderjarige] grote weerstand vertoont wanneer contactherstel met haar vader ter sprake komt. Zij heeft bij die gelegenheden verschillende incidenten benoemd die tijdens de omgangsmomenten met vader hebben plaatsgevonden. De weerstand die [minderjarige] ervaart moet serieus worden genomen. Die weerstand is zo duidelijk en zo sterk dat de rechtbank het onverantwoord vindt om op dit moment in te zetten op contactherstel. De rechtbank vreest bovendien dat het forceren van contact op dit moment een enorm negatieve impact op [minderjarige] zal hebben. Zonder professionele hulp voor [minderjarige] kan niet aan contactherstel worden gewerkt.
Volledig
De rechtbank acht het dan ook in het belang van [minderjarige] dat zij hiervoor hulp krijgt, omdat zij pas 10 jaar oud is en gebukt gaat onder de situatie die tussen de ouders speelt en de angst voor het contact met haar vader. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat de vader de problemen waar [minderjarige] mee kampt niet onderkent en de incidenten en de angst die zij beschrijft bagatelliseert. Daarnaast geldt dat de moeder nalaat hulpverlening in te schakelen en de verantwoordelijk daarvoor bij [minderjarige] zelf legt die vervolgens aangeeft geen hulp nodig te hebben. Dit is naar het oordeel van de rechtbank uiterst ongewenst. Ten aanzien van het gezag overweegt de rechtbank als volgt. Aangezien er op dit moment geen enkel contact is tussen de ouders of tussen de vader en [minderjarige], heeft de vader geen idee wat zich momenteel in het leven van [minderjarige] afspeelt. Het is dan ook onwaarschijnlijk dat de vader met de moeder gezagsbeslissingen kan nemen in het belang van [minderjarige]. Daar staat echter tegenover dat de rechtbank er ook voor vreest dat de rol van de vader in het leven van [minderjarige] is uitgespeeld als het verzoek tot eenhoofdig gezag wordt toegewezen. De rechtbank overweegt verder dat ook de moeder op dit moment geen uitvoering geeft aan haar gezag omdat zij nalaat om geschikte hulp voor [minderjarige] in te schakelen, terwijl het duidelijk is dat [minderjarige] hulp heel hard nodig heeft. Het mag zo zijn dat [minderjarige] al ver is in haar ontwikkeling, maar niet uit het oog mag worden verloren dat zij pas tien jaar oud is en dus nog een heel jong kind is dat nog helemaal niet kan overzien wat de gevolgen zijn van keuzes die zij maakt. Op basis van de stukken en wat besproken is tijdens de zitting is voor de rechtbank voldoende vast komen te staan dat er sprake is van een zeer zorgelijke situatie. Om de voorliggende verzoeken goed te kunnen beoordelen, acht de rechtbank een onderzoek door de Raad aangewezen. Zij acht zich op basis van de voorliggende informatie namelijk onvoldoende geïnformeerd om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen over het eenhoofdig gezag en over de vraag of de vader de omgang met [minderjarige] moet worden ontzegd. De rechtbank zal daarom een raadsonderzoek gelasten. Zoals ook op de zitting met de raadsvertegenwoordiger besproken, zal tijdens het raadsonderzoek naar voormelde vragen ook bezien moeten worden of uitbreiding naar een beschermingsonderzoek nodig is. De rechtbank wil de Raad vragen onderzoek te doen en de volgende vragen daarin te betrekken: Is gezamenlijk gezag in het belang van [minderjarige], of is het belang van [minderjarige] er het meest mee gediend als de moeder belast wordt met het eenhoofdig gezag? Is herstel van het contact tussen de vader en [minderjarige] in het belang van [minderjarige]? Zo ja, welke zorg c.q. omgangsregeling (begeleid of onbegeleid) is in het belang van [minderjarige]? Is hulpverlening voor [minderjarige] en/of de ouders noodzakelijk, en zo ja, welke? Gelet op het voorgaande zal de rechtbank iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag en de zorgregeling, pro forma aanhouden tot na te noemen datum. Wel zal de rechtbank voor de duidelijkheid bepalen dat er op dit moment geen zorgregeling tussen [minderjarige] en haar vader geldt. De rechtbank acht het van belang dat de stem van [minderjarige] gehoord moet blijven worden tot het einde van de procedure. De rechtbank zal de bijzondere curator daarom nog niet ontslaan. Beslissing De rechtbank bepaalt dat er voorlopig geen zorgregeling geldt tussen de vader en [minderjarige]; verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen; bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen; bepaalt dat, ná ontvangst van het rapport en advies, de behandeling op de zitting, op een nader te bepalen datum en tijdstip, zal worden voortgezet in aanwezigheid van de Raad voor de Kinderbescherming; beveelt de griffier partijen tegen het tijdstip van de nadere behandeling ter zitting ieder via de eigen advocaten op te roepen; houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgangsregeling aan tot 1 oktober 2026 pro forma. Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, (kinder)rechter, bijgestaan door P.F. Weenink als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 19 maart 2026.
Volledig
De rechtbank acht het dan ook in het belang van [minderjarige] dat zij hiervoor hulp krijgt, omdat zij pas 10 jaar oud is en gebukt gaat onder de situatie die tussen de ouders speelt en de angst voor het contact met haar vader. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat de vader de problemen waar [minderjarige] mee kampt niet onderkent en de incidenten en de angst die zij beschrijft bagatelliseert. Daarnaast geldt dat de moeder nalaat hulpverlening in te schakelen en de verantwoordelijk daarvoor bij [minderjarige] zelf legt die vervolgens aangeeft geen hulp nodig te hebben. Dit is naar het oordeel van de rechtbank uiterst ongewenst. Ten aanzien van het gezag overweegt de rechtbank als volgt. Aangezien er op dit moment geen enkel contact is tussen de ouders of tussen de vader en [minderjarige], heeft de vader geen idee wat zich momenteel in het leven van [minderjarige] afspeelt. Het is dan ook onwaarschijnlijk dat de vader met de moeder gezagsbeslissingen kan nemen in het belang van [minderjarige]. Daar staat echter tegenover dat de rechtbank er ook voor vreest dat de rol van de vader in het leven van [minderjarige] is uitgespeeld als het verzoek tot eenhoofdig gezag wordt toegewezen. De rechtbank overweegt verder dat ook de moeder op dit moment geen uitvoering geeft aan haar gezag omdat zij nalaat om geschikte hulp voor [minderjarige] in te schakelen, terwijl het duidelijk is dat [minderjarige] hulp heel hard nodig heeft. Het mag zo zijn dat [minderjarige] al ver is in haar ontwikkeling, maar niet uit het oog mag worden verloren dat zij pas tien jaar oud is en dus nog een heel jong kind is dat nog helemaal niet kan overzien wat de gevolgen zijn van keuzes die zij maakt. Op basis van de stukken en wat besproken is tijdens de zitting is voor de rechtbank voldoende vast komen te staan dat er sprake is van een zeer zorgelijke situatie. Om de voorliggende verzoeken goed te kunnen beoordelen, acht de rechtbank een onderzoek door de Raad aangewezen. Zij acht zich op basis van de voorliggende informatie namelijk onvoldoende geïnformeerd om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen over het eenhoofdig gezag en over de vraag of de vader de omgang met [minderjarige] moet worden ontzegd. De rechtbank zal daarom een raadsonderzoek gelasten. Zoals ook op de zitting met de raadsvertegenwoordiger besproken, zal tijdens het raadsonderzoek naar voormelde vragen ook bezien moeten worden of uitbreiding naar een beschermingsonderzoek nodig is. De rechtbank wil de Raad vragen onderzoek te doen en de volgende vragen daarin te betrekken: Is gezamenlijk gezag in het belang van [minderjarige], of is het belang van [minderjarige] er het meest mee gediend als de moeder belast wordt met het eenhoofdig gezag? Is herstel van het contact tussen de vader en [minderjarige] in het belang van [minderjarige]? Zo ja, welke zorg c.q. omgangsregeling (begeleid of onbegeleid) is in het belang van [minderjarige]? Is hulpverlening voor [minderjarige] en/of de ouders noodzakelijk, en zo ja, welke? Gelet op het voorgaande zal de rechtbank iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag en de zorgregeling, pro forma aanhouden tot na te noemen datum. Wel zal de rechtbank voor de duidelijkheid bepalen dat er op dit moment geen zorgregeling tussen [minderjarige] en haar vader geldt. De rechtbank acht het van belang dat de stem van [minderjarige] gehoord moet blijven worden tot het einde van de procedure. De rechtbank zal de bijzondere curator daarom nog niet ontslaan. Beslissing De rechtbank bepaalt dat er voorlopig geen zorgregeling geldt tussen de vader en [minderjarige]; verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen; bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen; bepaalt dat, ná ontvangst van het rapport en advies, de behandeling op de zitting, op een nader te bepalen datum en tijdstip, zal worden voortgezet in aanwezigheid van de Raad voor de Kinderbescherming; beveelt de griffier partijen tegen het tijdstip van de nadere behandeling ter zitting ieder via de eigen advocaten op te roepen; houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgangsregeling aan tot 1 oktober 2026 pro forma. Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, (kinder)rechter, bijgestaan door P.F. Weenink als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 19 maart 2026.