Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-18
ECLI:NL:RBDHA:2026:9886
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,077 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9886 text/xml public 2026-04-30T10:09:51 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-18 C/09/700502 / JE RK 26-335 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9886 text/html public 2026-04-24T13:57:28 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9886 Rechtbank Den Haag , 18-03-2026 / C/09/700502 / JE RK 26-335 Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling (artikel 1:255 BW). De kinderrechter merkt op dat de signalen van dwingende controle serieus genomen moeten worden. RECHTBANK DEN HAAG Jeugd- en Zorgrecht Zaaknummer: C/09/700502 / JE RK 26-335 Datum uitspraak: 18 maart 2026 Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming, gevestigd te Den Haag, hierna te noemen: de Raad, over - [minderjarige 1] geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige 1], - [minderjarige 2] geboren op [geboortedatum 2] 2018 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige 2], hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen. De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. C.M. Sent uit Amsterdam, [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats], advocaat: mr. C.C.J. Diderich uit De Meern. De kinderrechter merkt als informant aan: Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland , hierna te noemen: de gecertificeerde instelling. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 februari 2026; - de reactie op het rapport van de Raad, met producties, van de advocaat van de vader van 12 maart 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 maart 2026. Daarbij waren aanwezig: [naam 1], namens de Raad; [naam 2], namen de gecertificeerde instelling; de vader met zijn advocaat; de moeder, via een digitale verbinding; de advocaat van de moeder. 1.3. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2 De feiten 2.1. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. 2.2. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder op een voor de vader geheime locatie. 3 Het verzoek 3.1. De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van één jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.2. De Raad motiveert het verzoek als volgt. Volgens de Raad is er sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien op met gescheiden ouders. De kinderen worden al lange tijd belast met de onderlinge strijd tussen de ouders en hun visieverschillen over de opvoeding. De moeder geeft aan dwingende controle te ervaren vanuit de vader en stelt dat de vader de kinderen ook betrekt in zijn bedreigende uitspraken. Het veiligheidshuis heeft de moeder geadviseerd naar een veilige pek te gaan, waarvan de vader niet weet waar het is. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn daarom door de moeder meegenomen naar een opvang elders in het land, waardoor zij alles in een keer achter zich hebben moeten laten. Sinds de verhuizing is er geen contact meer met de vader. De Raad is van mening dat de zorgen die door de moeder worden geuit serieus genomen moeten worden. Toch vindt de Raad het ook belangrijk dat het contact tussen de vader en de kinderen op korte termijn hersteld wordt. Het lukt de vader en de moeder niet om samen te werken en de hulp in het vrijwillig kader (gezamenlijk) voldoende te accepteren. Om de zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weg te nemen is de inzet van hulpverlening in het gedwongen kader daarom noodzakelijk. 4 De standpunten 4.1. Door en namens de moeder wordt ingestemd met het verzoek. De moeder geeft aan dat de langdurige dreiging vanuit de vader een grote impact heeft gehad op het leven van haar en de kinderen. De moeder stelt dat er sprake is van ernstige onveiligheid. De vader heeft doodsbedreigingen geuit richting de moeder en betrekt ook de kinderen in zijn dreigementen. Zij heeft zich lange tijd niet gehoord gevoeld door de hulpverlening. De moeder geeft aan dat communicatie met de vader over zaken die de kinderen betreffen niet of nauwelijks mogelijk is en dat de kinderen hiervan het slachtoffer zijn. De moeder heeft het idee dat de vader zaken bewust frustreert. De moeder merkt op dat de kinderen beide last hebben van psychische klachten. Zij hebben moeite met slapen en hebben last van nachtmerries en bedplassen. Deze klachten zijn afgenomen sinds het verblijf op de opvang. Ook vinden de kinderen het moeilijk om te praten met onbekenden. De moeder vindt het belangrijk dat er snel passende hulp wordt ingezet voor de kinderen en dat er een ervaren jeugdbeschermer betrokken wordt. De moeder merkt op dat de kinderen de vader missen en zij vindt het belangrijk dat de kinderen contact hebben met de vader, maar alleen als dit op een veilige manier kan. 4.2. Door en namens de vader wordt ingestemd met het verzoek. De vader ontkent dat er vanuit zijn kant sprake is geweest van bedreigingen of agressie richting de moeder en de kinderen. De vader geeft aan dat het niet zijn intentie is om dwars te liggen bij zaken die de kinderen betreffen, maar dat hij vaak moeilijk in contact komt met de betrokken professionals en hulpverleners. De vader wil graag weer (fysiek) contact met zijn kinderen. De vader wil geen strijd met de moeder. Hij vindt het fijn als er een jeugdbeschermer betrokken wordt die de bestaande spanningen kan wegnemen. De vader geeft de kinderrechter in overweging om de ondertoezichtstelling voor een half jaar uit te spreken en het overige deel aan te houden om op die manier een vinger aan de pols te houden. 4.3. De gecertificeerde instelling onderschrijft de zorgen en het verzoek van de Raad. 5 De beoordeling Relatieve bevoegdheid 5.1. Op grond van artikel 265 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in zaken betreffende minderjarigen de rechter bevoegd van de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van het werkelijk verblijf van de minderjarige. Artikel 1:12 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de minderjarige de woonplaats volgt van degene die gezag over hem/haar uitoefent. Indien beide ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen maar niet dezelfde woonplaats hebben dan volgt het kind de woonplaats van de ouder bij wie het feitelijk verblijft. De kinderen wonen bij de moeder die niet in het arrondissement van de rechtbank Den Haag woont, waardoor deze rechtbank op grond van de algemene bepalingen niet bevoegd zou zijn van het verzoek kennis te nemen en de zaak zou moeten verwijzen. Ter zitting is duidelijk geworden dat de vader en de moeder geen verwijzing wensen. Gelet op artikel 270, eerste lid, derde volzin, Rv acht de rechtbank Den Haag zich daarom in dit geval alsnog bevoegd om van het verzoek kennis te nemen. De ondertoezichtstelling 5.2. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. 5.3. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. De kinderrechter stelt vast dat er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden al jarenlang belast met de onderlinge spanningen en de strijd tussen de ouders. De moeder geeft aan al langdurig slachtoffer te zijn van dwingende controle vanuit de vader. Hoewel de vader zich niet herkent in de beschuldigingen van de moeder, merkt de kinderrechter op dat deze signalen serieus moeten worden genomen.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9886 text/xml public 2026-04-30T10:09:51 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-18 C/09/700502 / JE RK 26-335 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9886 text/html public 2026-04-24T13:57:28 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9886 Rechtbank Den Haag , 18-03-2026 / C/09/700502 / JE RK 26-335 Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling (artikel 1:255 BW). De kinderrechter merkt op dat de signalen van dwingende controle serieus genomen moeten worden. RECHTBANK DEN HAAG Jeugd- en Zorgrecht Zaaknummer: C/09/700502 / JE RK 26-335 Datum uitspraak: 18 maart 2026 Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming, gevestigd te Den Haag, hierna te noemen: de Raad, over - [minderjarige 1] geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige 1], - [minderjarige 2] geboren op [geboortedatum 2] 2018 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige 2], hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen. De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. C.M. Sent uit Amsterdam, [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats], advocaat: mr. C.C.J. Diderich uit De Meern. De kinderrechter merkt als informant aan: Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland , hierna te noemen: de gecertificeerde instelling. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 februari 2026; - de reactie op het rapport van de Raad, met producties, van de advocaat van de vader van 12 maart 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 maart 2026. Daarbij waren aanwezig: [naam 1], namens de Raad; [naam 2], namen de gecertificeerde instelling; de vader met zijn advocaat; de moeder, via een digitale verbinding; de advocaat van de moeder. 1.3. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2 De feiten 2.1. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. 2.2. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder op een voor de vader geheime locatie. 3 Het verzoek 3.1. De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van één jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.2. De Raad motiveert het verzoek als volgt. Volgens de Raad is er sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien op met gescheiden ouders. De kinderen worden al lange tijd belast met de onderlinge strijd tussen de ouders en hun visieverschillen over de opvoeding. De moeder geeft aan dwingende controle te ervaren vanuit de vader en stelt dat de vader de kinderen ook betrekt in zijn bedreigende uitspraken. Het veiligheidshuis heeft de moeder geadviseerd naar een veilige pek te gaan, waarvan de vader niet weet waar het is. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn daarom door de moeder meegenomen naar een opvang elders in het land, waardoor zij alles in een keer achter zich hebben moeten laten. Sinds de verhuizing is er geen contact meer met de vader. De Raad is van mening dat de zorgen die door de moeder worden geuit serieus genomen moeten worden. Toch vindt de Raad het ook belangrijk dat het contact tussen de vader en de kinderen op korte termijn hersteld wordt. Het lukt de vader en de moeder niet om samen te werken en de hulp in het vrijwillig kader (gezamenlijk) voldoende te accepteren. Om de zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weg te nemen is de inzet van hulpverlening in het gedwongen kader daarom noodzakelijk. 4 De standpunten 4.1. Door en namens de moeder wordt ingestemd met het verzoek. De moeder geeft aan dat de langdurige dreiging vanuit de vader een grote impact heeft gehad op het leven van haar en de kinderen. De moeder stelt dat er sprake is van ernstige onveiligheid. De vader heeft doodsbedreigingen geuit richting de moeder en betrekt ook de kinderen in zijn dreigementen. Zij heeft zich lange tijd niet gehoord gevoeld door de hulpverlening. De moeder geeft aan dat communicatie met de vader over zaken die de kinderen betreffen niet of nauwelijks mogelijk is en dat de kinderen hiervan het slachtoffer zijn. De moeder heeft het idee dat de vader zaken bewust frustreert. De moeder merkt op dat de kinderen beide last hebben van psychische klachten. Zij hebben moeite met slapen en hebben last van nachtmerries en bedplassen. Deze klachten zijn afgenomen sinds het verblijf op de opvang. Ook vinden de kinderen het moeilijk om te praten met onbekenden. De moeder vindt het belangrijk dat er snel passende hulp wordt ingezet voor de kinderen en dat er een ervaren jeugdbeschermer betrokken wordt. De moeder merkt op dat de kinderen de vader missen en zij vindt het belangrijk dat de kinderen contact hebben met de vader, maar alleen als dit op een veilige manier kan. 4.2. Door en namens de vader wordt ingestemd met het verzoek. De vader ontkent dat er vanuit zijn kant sprake is geweest van bedreigingen of agressie richting de moeder en de kinderen. De vader geeft aan dat het niet zijn intentie is om dwars te liggen bij zaken die de kinderen betreffen, maar dat hij vaak moeilijk in contact komt met de betrokken professionals en hulpverleners. De vader wil graag weer (fysiek) contact met zijn kinderen. De vader wil geen strijd met de moeder. Hij vindt het fijn als er een jeugdbeschermer betrokken wordt die de bestaande spanningen kan wegnemen. De vader geeft de kinderrechter in overweging om de ondertoezichtstelling voor een half jaar uit te spreken en het overige deel aan te houden om op die manier een vinger aan de pols te houden. 4.3. De gecertificeerde instelling onderschrijft de zorgen en het verzoek van de Raad. 5 De beoordeling Relatieve bevoegdheid 5.1. Op grond van artikel 265 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in zaken betreffende minderjarigen de rechter bevoegd van de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van het werkelijk verblijf van de minderjarige. Artikel 1:12 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de minderjarige de woonplaats volgt van degene die gezag over hem/haar uitoefent. Indien beide ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen maar niet dezelfde woonplaats hebben dan volgt het kind de woonplaats van de ouder bij wie het feitelijk verblijft. De kinderen wonen bij de moeder die niet in het arrondissement van de rechtbank Den Haag woont, waardoor deze rechtbank op grond van de algemene bepalingen niet bevoegd zou zijn van het verzoek kennis te nemen en de zaak zou moeten verwijzen. Ter zitting is duidelijk geworden dat de vader en de moeder geen verwijzing wensen. Gelet op artikel 270, eerste lid, derde volzin, Rv acht de rechtbank Den Haag zich daarom in dit geval alsnog bevoegd om van het verzoek kennis te nemen. De ondertoezichtstelling 5.2. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. 5.3. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. De kinderrechter stelt vast dat er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden al jarenlang belast met de onderlinge spanningen en de strijd tussen de ouders. De moeder geeft aan al langdurig slachtoffer te zijn van dwingende controle vanuit de vader. Hoewel de vader zich niet herkent in de beschuldigingen van de moeder, merkt de kinderrechter op dat deze signalen serieus moeten worden genomen.