Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-24
ECLI:NL:RBDHA:2026:9882
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,077 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9882 text/xml public 2026-05-08T09:30:25 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-24 25/2227 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9882 text/html public 2026-05-04T15:39:39 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9882 Rechtbank Den Haag , 24-04-2026 / 25/2227 Als gevolg van inkomenswijziging voorschot zorgtoeslag herzien naar € 0,-. Eerste maandbedrag is teruggevorderd. Artikel 26a van de Awir kan niet naar analogie voor eisers situatie worden toegepast. Geen omstandigheden aangedragen waaruit onevenredigheid blijkt. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/2227 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser, en de Dienst Toeslagen, verweerder (gemachtigden: mr. H. Nieuwendijk en [naam]). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de terugvordering van een voorschot zorgtoeslag van € 9,-. 1.1. Verweerder heeft met het besluit van 22 januari 2025 het voorschot zorgtoeslag voor 2025 vastgesteld op € 0,-. Het al betaalde voorschot van € 9,- is vervolgens teruggevorderd. Verweerder heeft het bezwaar van eiser met het bestreden besluit van 20 maart 2025 kennelijk ongegrond verklaard. 1.2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser via een beeldverbinding en de gemachtigden van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Als gevolg van een inkomenswijziging van € 39.100,- naar € 70.000,- is het eerder aan eiser toegekende voorschot zorgtoeslag voor 2025 herzien van € 108,- naar € 0,-. In december 2024 heeft eiser al wel een eerste maandbedrag van € 9,- ontvangen. Omdat eiser geen recht meer heeft op een voorschot zorgtoeslag voor 2025 heeft verweerder dit voorschot teruggevorderd. Verweerder ziet geen aanleiding om het bedrag dat eiser moet terugbetalen te matigen. Wat vindt eiser in beroep? 3. Eiser stelt zich op het standpunt dat de doelmatigheidsgrens in artikel 26a van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) naar analogie kan worden toegepast. Volgens eiser valt niet in te zien waarom deze bepaling niet kan worden toegepast op de voorschotfase. Er zijn door de indiener van het wetsvoorstel geen argumenten aangedragen waarom de voorschotfase is uitgesloten. Hierdoor bestaat er volgens eiser voldoende ruimte om dit artikel naar analogie toe te passen. 3.1. Daarnaast stelt eiser dat de terugvordering onevenredig is. De terugvordering is mede ontstaan door toedoen van verweerder. Eiser heeft zijn inkomen binnen de daarvoor gestelde termijn van vier weken na het ontvangen van de voorschotbeschikking gewijzigd. Verweerder heeft het bedrag aan zorgtoeslag binnen de termijn van vier weken gestort. Verweerder had de termijn moeten afwachten. Het bestreden besluit is ook onvoldoende gemotiveerd. Verweerder heeft geen enkele belangenafweging gemaakt. Verweerder heeft miskend dat een terugvordering die conform wet- en regelgeving tot stand is gekomen, toch gematigd kan worden. 3.2. Ten slotte stelt eiser dat hij ten onrechte niet is gehoord in bezwaar. Naar het oordeel van eiser is zijn bezwaar onterecht kennelijk ongegrond verklaard. Verweerders standpunt dat er volgens de wet geen andere beslissing mogelijk is, is volgens eiser onjuist. Wat is het oordeel van de rechtbank? 4. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser geen recht meer heeft op een voorschot zorgtoeslag voor 2025. De vraag die bij de rechtbank voorligt is of verweerder het al betaalde voorschotbedrag van € 9,- mocht terugvorderen, of dat hij dat in ieder geval had moeten matigen. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 5. In artikel 26a, eerste lid, eerste zin, van de Awir is geregeld dat als een herziening van een toegekende tegemoetkoming of een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming leidt tot een terug te vorderen bedrag van niet meer dan € 121,- , dit bedrag niet wordt teruggevorderd. Artikel 26a van de Awir is dus alleen van toepassing bij een herziening van een toegekende tegemoetkoming of een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming. Dit artikel is niet van toepassing op de situatie van eiser, waarin een voorschot is verstrekt. De rechtbank wijst op de memorie van toelichting waaruit volgt dat een doelmatigheidsgrens voor het terugvorderen van kleine bedragen in de voorschotfase door de wetgever expliciet is uitgesloten. Voor toepassing naar analogie is daarom naar het oordeel van de rechtbank geen ruimte. 6. Op grond van artikel 26, tweede lid, van de Awir is het uitgangspunt dat verweerder het volledige bedrag terugvordert. Deze bepaling schrijft gehele terugvordering echter niet verplicht voor. Verweerder heeft discretionaire ruimte bij de vaststelling van het bedrag dat wordt teruggevorderd. Dit betekent dat verweerder de betrokken belangen moet afwegen en onder bijzondere omstandigheden van terugvordering kan afzien of het terug te vorderen bedrag kan matigen. Eiser stelt zich op het standpunt dat de terugvordering onevenredig is. Eiser heeft echter geen omstandigheden aangedragen waaruit volgt dat zijn persoonlijke belangen zwaarder moeten wegen dan het belang van terugvordering van een voorschotbedrag van € 9,- waar hij geen recht meer op heeft. De omstandigheid dat verweerder het voorschotbedrag binnen de termijn van vier weken aan eiser heeft betaald, maakt de terugvordering eveneens niet onevenredig. Verweerder heeft ook toegelicht dat de Awir ertoe verplicht om al in december voorschotten uit te betalen voor de eerste maand van het daarop volgende berekeningsjaar. 7. Verweerder mocht naar het oordeel van de rechtbank van het horen van eiser afzien op grond van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder hoefde er op basis van de informatie die eiser had gegeven namelijk redelijkerwijs geen twijfel over te hebben dat zijn bezwaar ongegrond is. 8. Gelet op het bovenstaande heeft verweerder het bezwaar van eiser terecht kennelijk ongegrond verklaard. Het bestreden besluit is naar het oordeel van de rechtbank ook voldoende gemotiveerd. 9. De rechtbank merkt op dat eiser op de zitting naar voren heeft gebracht dat hij zich niet kan vinden in de systematiek van de Awir. Dat is echter aan de wetgever. In deze zaak ligt alleen de terugvordering van het aan eiser betaalde voorschot voor. Zoals hiervoor overwogen is verweerder in het bestreden besluit terecht bij de terugvordering van het voorschot gebleven. Conclusie en gevolgen 10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Kock-Molendijk, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Hoeijmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Volgens de huidige wettekst. Ten tijde van het bestreden besluit was dit een bedrag van € 118,-. Kamerstukken 2020-2021, 35 574, nr.3, pagina’s 29 en 30. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1753. Artikel 22, eerste lid, van de Awir.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9882 text/xml public 2026-05-08T09:30:25 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-24 25/2227 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9882 text/html public 2026-05-04T15:39:39 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9882 Rechtbank Den Haag , 24-04-2026 / 25/2227 Als gevolg van inkomenswijziging voorschot zorgtoeslag herzien naar € 0,-. Eerste maandbedrag is teruggevorderd. Artikel 26a van de Awir kan niet naar analogie voor eisers situatie worden toegepast. Geen omstandigheden aangedragen waaruit onevenredigheid blijkt. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/2227 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser, en de Dienst Toeslagen, verweerder (gemachtigden: mr. H. Nieuwendijk en [naam]). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de terugvordering van een voorschot zorgtoeslag van € 9,-. 1.1. Verweerder heeft met het besluit van 22 januari 2025 het voorschot zorgtoeslag voor 2025 vastgesteld op € 0,-. Het al betaalde voorschot van € 9,- is vervolgens teruggevorderd. Verweerder heeft het bezwaar van eiser met het bestreden besluit van 20 maart 2025 kennelijk ongegrond verklaard. 1.2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser via een beeldverbinding en de gemachtigden van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Als gevolg van een inkomenswijziging van € 39.100,- naar € 70.000,- is het eerder aan eiser toegekende voorschot zorgtoeslag voor 2025 herzien van € 108,- naar € 0,-. In december 2024 heeft eiser al wel een eerste maandbedrag van € 9,- ontvangen. Omdat eiser geen recht meer heeft op een voorschot zorgtoeslag voor 2025 heeft verweerder dit voorschot teruggevorderd. Verweerder ziet geen aanleiding om het bedrag dat eiser moet terugbetalen te matigen. Wat vindt eiser in beroep? 3. Eiser stelt zich op het standpunt dat de doelmatigheidsgrens in artikel 26a van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) naar analogie kan worden toegepast. Volgens eiser valt niet in te zien waarom deze bepaling niet kan worden toegepast op de voorschotfase. Er zijn door de indiener van het wetsvoorstel geen argumenten aangedragen waarom de voorschotfase is uitgesloten. Hierdoor bestaat er volgens eiser voldoende ruimte om dit artikel naar analogie toe te passen. 3.1. Daarnaast stelt eiser dat de terugvordering onevenredig is. De terugvordering is mede ontstaan door toedoen van verweerder. Eiser heeft zijn inkomen binnen de daarvoor gestelde termijn van vier weken na het ontvangen van de voorschotbeschikking gewijzigd. Verweerder heeft het bedrag aan zorgtoeslag binnen de termijn van vier weken gestort. Verweerder had de termijn moeten afwachten. Het bestreden besluit is ook onvoldoende gemotiveerd. Verweerder heeft geen enkele belangenafweging gemaakt. Verweerder heeft miskend dat een terugvordering die conform wet- en regelgeving tot stand is gekomen, toch gematigd kan worden. 3.2. Ten slotte stelt eiser dat hij ten onrechte niet is gehoord in bezwaar. Naar het oordeel van eiser is zijn bezwaar onterecht kennelijk ongegrond verklaard. Verweerders standpunt dat er volgens de wet geen andere beslissing mogelijk is, is volgens eiser onjuist. Wat is het oordeel van de rechtbank? 4. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser geen recht meer heeft op een voorschot zorgtoeslag voor 2025. De vraag die bij de rechtbank voorligt is of verweerder het al betaalde voorschotbedrag van € 9,- mocht terugvorderen, of dat hij dat in ieder geval had moeten matigen. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 5. In artikel 26a, eerste lid, eerste zin, van de Awir is geregeld dat als een herziening van een toegekende tegemoetkoming of een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming leidt tot een terug te vorderen bedrag van niet meer dan € 121,- , dit bedrag niet wordt teruggevorderd. Artikel 26a van de Awir is dus alleen van toepassing bij een herziening van een toegekende tegemoetkoming of een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming. Dit artikel is niet van toepassing op de situatie van eiser, waarin een voorschot is verstrekt. De rechtbank wijst op de memorie van toelichting waaruit volgt dat een doelmatigheidsgrens voor het terugvorderen van kleine bedragen in de voorschotfase door de wetgever expliciet is uitgesloten. Voor toepassing naar analogie is daarom naar het oordeel van de rechtbank geen ruimte. 6. Op grond van artikel 26, tweede lid, van de Awir is het uitgangspunt dat verweerder het volledige bedrag terugvordert. Deze bepaling schrijft gehele terugvordering echter niet verplicht voor. Verweerder heeft discretionaire ruimte bij de vaststelling van het bedrag dat wordt teruggevorderd. Dit betekent dat verweerder de betrokken belangen moet afwegen en onder bijzondere omstandigheden van terugvordering kan afzien of het terug te vorderen bedrag kan matigen. Eiser stelt zich op het standpunt dat de terugvordering onevenredig is. Eiser heeft echter geen omstandigheden aangedragen waaruit volgt dat zijn persoonlijke belangen zwaarder moeten wegen dan het belang van terugvordering van een voorschotbedrag van € 9,- waar hij geen recht meer op heeft. De omstandigheid dat verweerder het voorschotbedrag binnen de termijn van vier weken aan eiser heeft betaald, maakt de terugvordering eveneens niet onevenredig. Verweerder heeft ook toegelicht dat de Awir ertoe verplicht om al in december voorschotten uit te betalen voor de eerste maand van het daarop volgende berekeningsjaar. 7. Verweerder mocht naar het oordeel van de rechtbank van het horen van eiser afzien op grond van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder hoefde er op basis van de informatie die eiser had gegeven namelijk redelijkerwijs geen twijfel over te hebben dat zijn bezwaar ongegrond is. 8. Gelet op het bovenstaande heeft verweerder het bezwaar van eiser terecht kennelijk ongegrond verklaard. Het bestreden besluit is naar het oordeel van de rechtbank ook voldoende gemotiveerd. 9. De rechtbank merkt op dat eiser op de zitting naar voren heeft gebracht dat hij zich niet kan vinden in de systematiek van de Awir. Dat is echter aan de wetgever. In deze zaak ligt alleen de terugvordering van het aan eiser betaalde voorschot voor. Zoals hiervoor overwogen is verweerder in het bestreden besluit terecht bij de terugvordering van het voorschot gebleven. Conclusie en gevolgen 10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Kock-Molendijk, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Hoeijmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Volgens de huidige wettekst. Ten tijde van het bestreden besluit was dit een bedrag van € 118,-. Kamerstukken 2020-2021, 35 574, nr.3, pagina’s 29 en 30. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1753. Artikel 22, eerste lid, van de Awir.