Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-06
ECLI:NL:RBDHA:2026:9803
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,061 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9803 text/xml public 2026-05-01T13:15:47 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-06 25/9214 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9803 text/html public 2026-05-01T13:10:00 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9803 Rechtbank Den Haag , 06-02-2026 / 25/9214 Vovo. Met het primaire besluit is de aanvraag van verzoekster om een Nederlandse ID-kaart buiten behandeling gesteld. Verweerder heeft met het e-mailbericht van 29 december 2025 aangegeven dat de moeder van verzoekster en haar kinderen in ieder geval gedurende de bezwaarprocedure hun Nederlandse ID-kaarten nog niet hoeven in te leveren, en dat hun persoonsgegevens nog niet zullen worden opgenomen in het Register Paspoortsignaleringen. Verder staat vast dat verzoekster over de [land 1] nationaliteit en een [land 1] paspoort beschikt. Dat zij desondanks op korte termijn problemen zal ondervinden omdat haar aanvraag om een Nederlandse ID-kaart buiten behandeling is gesteld, heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Ook de stelling dat zij stress ondervindt van deze situatie heeft zij onvoldoende met objectieve medische informatie onderbouwd. De voorzieningenrechter ziet gelet daarop niet in waarom van verzoekster niet zou kunnen worden gevergd om de beslissing op het door haar ingediende bezwaarschrift af te wachten en is daarom van oordeel dat bij verzoekster het spoedeisende belang ontbreekt. Evenmin is sprake van een evident onrechtmatig besluit. Het verzoek is niet-ontvankelijk. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/9214 uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 februari 2026 in de zaak tussen [verzoekster], uit [land 1], verzoekster (gemachtigde: mr. H. de Voer), en de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder (gemachtigde: mr. R. Geraedts). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om voorlopige voorziening dat verzoekster heeft ingediend hangende het door haar ingestelde bezwaar tegen het primaire besluit van 6 november waarmee haar aanvraag om een Nederlandse identiteitskaart (hierna: ID-kaart) buiten behandeling is gesteld. 1.1. Verweerder heeft op de voorziening gereageerd met een verweerschrift. 1.2. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af vanwege het ontbreken van spoedeisend belang bij verzoekster. Omdat het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) maakt dat mogelijk. Hieronder legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Beoordeling door de voorzieningenrechter Waar gaat deze zaak over? 2. [naam 1] (hierna: de moeder van verzoekster) is op [geboortedatum] 1965 geboren in [geboorteplaats] en verkreeg via haar Nederlandse vader bij geboorte de Nederlandse nationaliteit. Op enig moment is zij met haar ouders naar [land 2] vertrokken. Bij besluit van 6 mei 1980 hebben de [land 2] autoriteiten de moeder van verzoekster als minderjarige door voorlopige naturalisatie de [land 2] nationaliteit verleend. Bij besluit van 5 september 1989 is deze naturalisatie definitief geworden. De moeder van verzoekster beschikt over een [land 2] paspoort dat is afgegeven op 16 juni 2016 en geldig is tot 15 juni 2026. 2.1. Sinds 8 september 1990 woont de moeder van verzoekster in [land 1], alwaar zij in het huwelijk is getreden met de heer [naam 2] (hierna: de vader van verzoekster) die beschikt over de [land 1] nationaliteit. Samen hebben zij vijf kinderen gekregen, te weten [kind 1] (1993), [kind 2] (1994), [kind 3] (2000), [kind 4] (2002) en verzoekster (2007). Alle kinderen verkregen door geboorte de [land 1] nationaliteit en beschikken over een [land 1] paspoort, zo ook verzoekster. 2.2. Op 9 oktober 2025 heeft de verzoekster bij de Nederlandse ambassade in [land 1] een aanvraag voor een Nederlands paspoort ingediend. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft verweerder een nader onderzoek ingesteld. Hieruit heeft verweerder geconcludeerd dat de moeder van verzoekster het Nederlanderschap op 14 september 1989 van rechtswege heeft verloren omdat zij op die datum de [land 2] nationaliteit heeft verkregen door naturalisatie. Hierdoor beschikt ook verzoekster niet meer over de Nederlandse nationaliteit. Met het bestreden besluit van 6 november 2025 heeft verweerder daarom de aanvraag van verzoekster om een Nederlandse ID-kaart buiten behandeling gesteld. Wat vindt verzoekster? 3. Verzoekster heeft bezwaar ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen, in casu dat zij de Nederlandse nationaliteit behoudt, een Nederlands reisdocument aan haar wordt verstrekt en dat haar persoonsgegevens niet in het Register Paspoortsignaleringen zullen worden opgenomen. Zij betoogt allereerst dat het bestreden besluit in de bezwaarfase geen stand zal houden en draagt daartoe – kort en zakelijk weergegeven – het volgende aan. De door verweerder genoemde verliesgrond is hier niet van toepassing omdat de moeder van verzoekster bij besluit van 6 mei 1980 als minderjarige zelfstandig de [land 2] nationaliteit heeft verkregen door naturalisatie. De [land 2] autoriteiten hebben haar toen ook een [land 2] paspoort en een [land 2] ID-kaart toegekend. Op grond van de [land 2] wetgeving moet een minderjarige, die op deze wijze de [land 2] nationaliteit heeft verkregen, binnen twee jaar na het bereiken van de meerderjarige leeftijd bevestigen of hij of zij de [land 2] nationaliteit ook wil behouden. Dat heeft zij op 14 september 1989 gedaan. Dit gaat echter om een herbevestiging en laat onverlet dat de moeder van verzoekster de [land 2] nationaliteit al op 6 mei 1980 heeft verkregen. Ter ondersteuning van deze opvatting heeft verzoekster een legal opinion van [naam 3] ingebracht en verwezen naar de landeninformatie in de database VIND Burgerzaken. Voorts geeft verzoekster aan dat het bestreden besluit onevenredige Unierechtelijke gevolgen voor haar heeft. Tot slot heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld door zich bij de besluitvorming slechts te baseren op een niet-vertaalde [land 2] naturalisatieakte. Mocht het aankomen op een belangenafweging, dan valt deze uit in het voordeel van verzoekster. Deze onzekere situatie brengt namelijk de nodige stress en spanning met zich mee. Beoordeling door de voorzieningenrechter Spoedeisend belang 4. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. Voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld, moet eerst worden beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. 4.1. Vast staat dat verzoekster beschikt over de [land 1] nationaliteit en een [land 1] paspoort. Dat zij desondanks op korte termijn problemen zal ondervinden omdat haar aanvraag om een Nederlandse ID-kaart buiten behandeling is gesteld, heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Ook de stelling dat zij stress ondervindt van deze situatie heeft zij onvoldoende met objectieve medische informatie onderbouwd. De voorzieningenrechter ziet gelet daarop niet in waarom van verzoekster niet zou kunnen worden gevergd om de beslissing op het door hem ingediende bezwaarschrift af te wachten en is daarom van oordeel dat bij verzoekster het spoedeisende belang ontbreekt. Evident onrechtmatig 5. Omdat de voorzieningenrechter vindt dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft, kan de door haar gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven. 5.1.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9803 text/xml public 2026-05-01T13:15:47 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-06 25/9214 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9803 text/html public 2026-05-01T13:10:00 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9803 Rechtbank Den Haag , 06-02-2026 / 25/9214 Vovo. Met het primaire besluit is de aanvraag van verzoekster om een Nederlandse ID-kaart buiten behandeling gesteld. Verweerder heeft met het e-mailbericht van 29 december 2025 aangegeven dat de moeder van verzoekster en haar kinderen in ieder geval gedurende de bezwaarprocedure hun Nederlandse ID-kaarten nog niet hoeven in te leveren, en dat hun persoonsgegevens nog niet zullen worden opgenomen in het Register Paspoortsignaleringen. Verder staat vast dat verzoekster over de [land 1] nationaliteit en een [land 1] paspoort beschikt. Dat zij desondanks op korte termijn problemen zal ondervinden omdat haar aanvraag om een Nederlandse ID-kaart buiten behandeling is gesteld, heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Ook de stelling dat zij stress ondervindt van deze situatie heeft zij onvoldoende met objectieve medische informatie onderbouwd. De voorzieningenrechter ziet gelet daarop niet in waarom van verzoekster niet zou kunnen worden gevergd om de beslissing op het door haar ingediende bezwaarschrift af te wachten en is daarom van oordeel dat bij verzoekster het spoedeisende belang ontbreekt. Evenmin is sprake van een evident onrechtmatig besluit. Het verzoek is niet-ontvankelijk. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/9214 uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 februari 2026 in de zaak tussen [verzoekster], uit [land 1], verzoekster (gemachtigde: mr. H. de Voer), en de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder (gemachtigde: mr. R. Geraedts). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om voorlopige voorziening dat verzoekster heeft ingediend hangende het door haar ingestelde bezwaar tegen het primaire besluit van 6 november waarmee haar aanvraag om een Nederlandse identiteitskaart (hierna: ID-kaart) buiten behandeling is gesteld. 1.1. Verweerder heeft op de voorziening gereageerd met een verweerschrift. 1.2. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af vanwege het ontbreken van spoedeisend belang bij verzoekster. Omdat het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) maakt dat mogelijk. Hieronder legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Beoordeling door de voorzieningenrechter Waar gaat deze zaak over? 2. [naam 1] (hierna: de moeder van verzoekster) is op [geboortedatum] 1965 geboren in [geboorteplaats] en verkreeg via haar Nederlandse vader bij geboorte de Nederlandse nationaliteit. Op enig moment is zij met haar ouders naar [land 2] vertrokken. Bij besluit van 6 mei 1980 hebben de [land 2] autoriteiten de moeder van verzoekster als minderjarige door voorlopige naturalisatie de [land 2] nationaliteit verleend. Bij besluit van 5 september 1989 is deze naturalisatie definitief geworden. De moeder van verzoekster beschikt over een [land 2] paspoort dat is afgegeven op 16 juni 2016 en geldig is tot 15 juni 2026. 2.1. Sinds 8 september 1990 woont de moeder van verzoekster in [land 1], alwaar zij in het huwelijk is getreden met de heer [naam 2] (hierna: de vader van verzoekster) die beschikt over de [land 1] nationaliteit. Samen hebben zij vijf kinderen gekregen, te weten [kind 1] (1993), [kind 2] (1994), [kind 3] (2000), [kind 4] (2002) en verzoekster (2007). Alle kinderen verkregen door geboorte de [land 1] nationaliteit en beschikken over een [land 1] paspoort, zo ook verzoekster. 2.2. Op 9 oktober 2025 heeft de verzoekster bij de Nederlandse ambassade in [land 1] een aanvraag voor een Nederlands paspoort ingediend. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft verweerder een nader onderzoek ingesteld. Hieruit heeft verweerder geconcludeerd dat de moeder van verzoekster het Nederlanderschap op 14 september 1989 van rechtswege heeft verloren omdat zij op die datum de [land 2] nationaliteit heeft verkregen door naturalisatie. Hierdoor beschikt ook verzoekster niet meer over de Nederlandse nationaliteit. Met het bestreden besluit van 6 november 2025 heeft verweerder daarom de aanvraag van verzoekster om een Nederlandse ID-kaart buiten behandeling gesteld. Wat vindt verzoekster? 3. Verzoekster heeft bezwaar ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen, in casu dat zij de Nederlandse nationaliteit behoudt, een Nederlands reisdocument aan haar wordt verstrekt en dat haar persoonsgegevens niet in het Register Paspoortsignaleringen zullen worden opgenomen. Zij betoogt allereerst dat het bestreden besluit in de bezwaarfase geen stand zal houden en draagt daartoe – kort en zakelijk weergegeven – het volgende aan. De door verweerder genoemde verliesgrond is hier niet van toepassing omdat de moeder van verzoekster bij besluit van 6 mei 1980 als minderjarige zelfstandig de [land 2] nationaliteit heeft verkregen door naturalisatie. De [land 2] autoriteiten hebben haar toen ook een [land 2] paspoort en een [land 2] ID-kaart toegekend. Op grond van de [land 2] wetgeving moet een minderjarige, die op deze wijze de [land 2] nationaliteit heeft verkregen, binnen twee jaar na het bereiken van de meerderjarige leeftijd bevestigen of hij of zij de [land 2] nationaliteit ook wil behouden. Dat heeft zij op 14 september 1989 gedaan. Dit gaat echter om een herbevestiging en laat onverlet dat de moeder van verzoekster de [land 2] nationaliteit al op 6 mei 1980 heeft verkregen. Ter ondersteuning van deze opvatting heeft verzoekster een legal opinion van [naam 3] ingebracht en verwezen naar de landeninformatie in de database VIND Burgerzaken. Voorts geeft verzoekster aan dat het bestreden besluit onevenredige Unierechtelijke gevolgen voor haar heeft. Tot slot heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld door zich bij de besluitvorming slechts te baseren op een niet-vertaalde [land 2] naturalisatieakte. Mocht het aankomen op een belangenafweging, dan valt deze uit in het voordeel van verzoekster. Deze onzekere situatie brengt namelijk de nodige stress en spanning met zich mee. Beoordeling door de voorzieningenrechter Spoedeisend belang 4. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. Voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld, moet eerst worden beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. 4.1. Vast staat dat verzoekster beschikt over de [land 1] nationaliteit en een [land 1] paspoort. Dat zij desondanks op korte termijn problemen zal ondervinden omdat haar aanvraag om een Nederlandse ID-kaart buiten behandeling is gesteld, heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Ook de stelling dat zij stress ondervindt van deze situatie heeft zij onvoldoende met objectieve medische informatie onderbouwd. De voorzieningenrechter ziet gelet daarop niet in waarom van verzoekster niet zou kunnen worden gevergd om de beslissing op het door hem ingediende bezwaarschrift af te wachten en is daarom van oordeel dat bij verzoekster het spoedeisende belang ontbreekt. Evident onrechtmatig 5. Omdat de voorzieningenrechter vindt dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft, kan de door haar gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven. 5.1.