Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-17
ECLI:NL:RBDHA:2026:9794
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,969 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9794 text/xml public 2026-05-01T12:01:47 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-17 25/9422 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9794 text/html public 2026-05-01T11:53:15 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9794 Rechtbank Den Haag , 17-02-2026 / 25/9422 Vovo. Verzoeker heeft een voorlopige voorziening ingesteld tegen de afwijziging van de aanvraag om verlenging van zijn parkeervergunning. Geen sprake van spoedeisend belang omdat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een financiele noodsituatie. Evenmin sprake van een evident onrechtmatig besluit. Het verzoek is niet ontvankelijk. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/9422 uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 februari 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder (gemachtigde: N.C. de Haas). Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de weigering van de aanvraag van verzoeker om een bewonersparkeervergunning. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. 1.1. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventueel bodemgeding niet. Procesverloop 2. Op 23 december 2025 heeft verzoeker een aanvraag ingediend voor een bewonersparkeervergunning. Met het besluit van dezelfde datum (het bestreden besluit I) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Met het besluit van 13 januari 2026 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bestreden besluit I ingetrokken en het bestreden besluit II hiervoor in de plaats gesteld. 2.1. Verweerder heeft op het ingediende verzoek gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, zijn partner en de gemachtigde van verweerder vergezeld door [naam] . Beoordeling door de voorzieningenrechter Waar gaat deze zaak over? 3. Verzoeker woont sinds 14 december 2021 in de sociale huurwoning aan de [adres] (hierna: de woning) en beschikt over een bewonersparkeervergunning waarvan de geldigheid op 1 februari 2026 verloopt. Verweerder heeft de aanvraag van verzoeker om zijn bewonersparkeervergunning te verlengen afgewezen omdat deze niet aan de daarvoor geldende voorwaarden voldoet. Wat vindt verzoeker? 4. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Ten eerste betoogt hij dat het bestreden besluit II onrechtmatig is. Plotseling wordt zijn bewonersparkeervergunning, waar hij vier jaren onafgebroken over beschikte, niet meer verlengd. Bovendien staat in een brief van verweerder van 7 maart 2024 inzake de verlenging van zijn bewonersparkeervergunning voor dat jaar aangegeven dat indien aan de criteria wordt voldaan, het besluit na betaling van de factuur jaarlijks stilzwijgend wordt verlengd. Nu de omstandigheden in de tussentijd niet zijn gewijzigd, mocht verzoeker hieraan het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat ook dit jaar zijn bewonersparkeervergunning zou worden verlengd. Verder heeft verweerder verzoeker voorafgaand aan de weigering nooit geïnformeerd over het feit dat hij in de toekomst geen recht meer zou hebben op een bewonersparkeervergunning. Ook uit overige (officiële) documenten kan dit niet worden afgeleid. Tot slot baseert verweerder de weigering van de aanvraag op een besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning en een huisnummerbesluit die in het verleden zijn genomen. Verzoeker kon hiervan echter niet op de hoogte zijn omdat hij destijds nog niet in de woning woonde. Mocht het toch aankomen op een belangenafweging, dan valt deze uit in het voordeel van verzoeker. Als verzoeker niet kan beschikken over een parkeervergunning, dan moet hij namelijk dagelijks parkeerkosten betalen om zijn auto te kunnen parkeren. Deze kosten lopen op tot ongeveer € 500,- per maand. Dit bedrag zal verdubbelen als ook zijn tweede bewonersparkeervergunning, waarvan de geldigheid op 1 maart 2026 verloopt, niet wordt verlengd. Beoordeling door de voorzieningenrechter Spoedeisend belang 5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Een financieel belang, zoals in deze zaak, vormt op zichzelf geen reden om een voorlopige voorziening te treffen, omdat de financiële gevolgen van (achteraf bezien) onrechtmatige besluitvorming in beginsel naderhand kunnen worden gecompenseerd. Dit kan anders zijn als sprake is van een acute financiële noodsituatie. 5.1. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat het vervelend is voor verzoeker om extra parkeerkosten te moeten betalen omdat hij niet meer over een parkeervergunning beschikt, is daarmee nog geen sprake van een acute financiële noodsituatie als in hiervoor bedoelde zin. De stukken die door verzoeker zijn ingediend, maken onvoldoende aannemelijk dat hij hierdoor in de financiële problemen zal geraken. De stelling van verzoeker dat vanaf 1 maart 2026 ook de geldigheid verloopt van zijn tweede bewonersparkeervergunning en hij daardoor nog meer parkeerkosten zal moeten maken, maakt dit oordeel niet anders. Ter beoordeling staat namelijk slechts of verzoeker voldoende spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening die is ingediend tegen het bestreden besluit II. Als verweerder besluit ook de aanvraag van deze tweede bewonersvergunning te weigeren, dan ligt het op de weg van verzoeker om tegen dát besluit een voorlopige voorziening in te stellen zodat dit punt in die procedure aan de orde kan worden gesteld. Bovendien kan verzoeker bij verweerder om een schadevergoeding vragen als het bestreden besluit II na bezwaar of een eventueel beroep geen stand houdt. Daar komt nog bij dat verzoeker op de zitting desgevraagd heeft aangegeven dat hij de mogelijkheid heeft om zijn auto zo’n 500 meter verderop in een nieuwbouwwijk kan parkeren, alwaar hij geen parkeerkosten verschuldigd is. Ook heeft hij nog wat tegoed over op de bezoekersvergunning van zijn tweede auto die hij kan aanwenden voor het parkeren van de auto waarvoor hij nu geen parkeervergunning meer heeft. Het bovenstaande in onderling verband bezien brengt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het spoedeisende belang bij verzoeker ontbreekt. Evident onrechtmatig besluit 6. De door verzoeker gevraagde voorziening kan, nu spoedeisend belang ontbreekt, alleen nog worden getroffen als het besluit van verweerder evident onrechtmatig is. Dit houdt in dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bezwaarprocedure in stand zal blijven. Daarvan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval echter geen sprake. Zo geeft de regelgeving verweerder de bevoegdheid om een aanvraag om een bewonersparkeervergunning te weigeren als een bewoner woont in een gebouwencomplex waar een vrijstelling van de autoparkeereis is verleend. Vast staat dat er in 2020 een omgevingsvergunning is verleend met daarin een vrijstelling van de autoparkeereis in onder meer de [adres] . Dat betekent dat de vergunningaanvraag van verzoeker niet voldoet aan de geldende voorwaarden.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9794 text/xml public 2026-05-01T12:01:47 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-17 25/9422 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9794 text/html public 2026-05-01T11:53:15 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9794 Rechtbank Den Haag , 17-02-2026 / 25/9422 Vovo. Verzoeker heeft een voorlopige voorziening ingesteld tegen de afwijziging van de aanvraag om verlenging van zijn parkeervergunning. Geen sprake van spoedeisend belang omdat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een financiele noodsituatie. Evenmin sprake van een evident onrechtmatig besluit. Het verzoek is niet ontvankelijk. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/9422 uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 februari 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder (gemachtigde: N.C. de Haas). Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de weigering van de aanvraag van verzoeker om een bewonersparkeervergunning. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. 1.1. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventueel bodemgeding niet. Procesverloop 2. Op 23 december 2025 heeft verzoeker een aanvraag ingediend voor een bewonersparkeervergunning. Met het besluit van dezelfde datum (het bestreden besluit I) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Met het besluit van 13 januari 2026 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bestreden besluit I ingetrokken en het bestreden besluit II hiervoor in de plaats gesteld. 2.1. Verweerder heeft op het ingediende verzoek gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, zijn partner en de gemachtigde van verweerder vergezeld door [naam] . Beoordeling door de voorzieningenrechter Waar gaat deze zaak over? 3. Verzoeker woont sinds 14 december 2021 in de sociale huurwoning aan de [adres] (hierna: de woning) en beschikt over een bewonersparkeervergunning waarvan de geldigheid op 1 februari 2026 verloopt. Verweerder heeft de aanvraag van verzoeker om zijn bewonersparkeervergunning te verlengen afgewezen omdat deze niet aan de daarvoor geldende voorwaarden voldoet. Wat vindt verzoeker? 4. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Ten eerste betoogt hij dat het bestreden besluit II onrechtmatig is. Plotseling wordt zijn bewonersparkeervergunning, waar hij vier jaren onafgebroken over beschikte, niet meer verlengd. Bovendien staat in een brief van verweerder van 7 maart 2024 inzake de verlenging van zijn bewonersparkeervergunning voor dat jaar aangegeven dat indien aan de criteria wordt voldaan, het besluit na betaling van de factuur jaarlijks stilzwijgend wordt verlengd. Nu de omstandigheden in de tussentijd niet zijn gewijzigd, mocht verzoeker hieraan het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat ook dit jaar zijn bewonersparkeervergunning zou worden verlengd. Verder heeft verweerder verzoeker voorafgaand aan de weigering nooit geïnformeerd over het feit dat hij in de toekomst geen recht meer zou hebben op een bewonersparkeervergunning. Ook uit overige (officiële) documenten kan dit niet worden afgeleid. Tot slot baseert verweerder de weigering van de aanvraag op een besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning en een huisnummerbesluit die in het verleden zijn genomen. Verzoeker kon hiervan echter niet op de hoogte zijn omdat hij destijds nog niet in de woning woonde. Mocht het toch aankomen op een belangenafweging, dan valt deze uit in het voordeel van verzoeker. Als verzoeker niet kan beschikken over een parkeervergunning, dan moet hij namelijk dagelijks parkeerkosten betalen om zijn auto te kunnen parkeren. Deze kosten lopen op tot ongeveer € 500,- per maand. Dit bedrag zal verdubbelen als ook zijn tweede bewonersparkeervergunning, waarvan de geldigheid op 1 maart 2026 verloopt, niet wordt verlengd. Beoordeling door de voorzieningenrechter Spoedeisend belang 5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Een financieel belang, zoals in deze zaak, vormt op zichzelf geen reden om een voorlopige voorziening te treffen, omdat de financiële gevolgen van (achteraf bezien) onrechtmatige besluitvorming in beginsel naderhand kunnen worden gecompenseerd. Dit kan anders zijn als sprake is van een acute financiële noodsituatie. 5.1. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat het vervelend is voor verzoeker om extra parkeerkosten te moeten betalen omdat hij niet meer over een parkeervergunning beschikt, is daarmee nog geen sprake van een acute financiële noodsituatie als in hiervoor bedoelde zin. De stukken die door verzoeker zijn ingediend, maken onvoldoende aannemelijk dat hij hierdoor in de financiële problemen zal geraken. De stelling van verzoeker dat vanaf 1 maart 2026 ook de geldigheid verloopt van zijn tweede bewonersparkeervergunning en hij daardoor nog meer parkeerkosten zal moeten maken, maakt dit oordeel niet anders. Ter beoordeling staat namelijk slechts of verzoeker voldoende spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening die is ingediend tegen het bestreden besluit II. Als verweerder besluit ook de aanvraag van deze tweede bewonersvergunning te weigeren, dan ligt het op de weg van verzoeker om tegen dát besluit een voorlopige voorziening in te stellen zodat dit punt in die procedure aan de orde kan worden gesteld. Bovendien kan verzoeker bij verweerder om een schadevergoeding vragen als het bestreden besluit II na bezwaar of een eventueel beroep geen stand houdt. Daar komt nog bij dat verzoeker op de zitting desgevraagd heeft aangegeven dat hij de mogelijkheid heeft om zijn auto zo’n 500 meter verderop in een nieuwbouwwijk kan parkeren, alwaar hij geen parkeerkosten verschuldigd is. Ook heeft hij nog wat tegoed over op de bezoekersvergunning van zijn tweede auto die hij kan aanwenden voor het parkeren van de auto waarvoor hij nu geen parkeervergunning meer heeft. Het bovenstaande in onderling verband bezien brengt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het spoedeisende belang bij verzoeker ontbreekt. Evident onrechtmatig besluit 6. De door verzoeker gevraagde voorziening kan, nu spoedeisend belang ontbreekt, alleen nog worden getroffen als het besluit van verweerder evident onrechtmatig is. Dit houdt in dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bezwaarprocedure in stand zal blijven. Daarvan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval echter geen sprake. Zo geeft de regelgeving verweerder de bevoegdheid om een aanvraag om een bewonersparkeervergunning te weigeren als een bewoner woont in een gebouwencomplex waar een vrijstelling van de autoparkeereis is verleend. Vast staat dat er in 2020 een omgevingsvergunning is verleend met daarin een vrijstelling van de autoparkeereis in onder meer de [adres] . Dat betekent dat de vergunningaanvraag van verzoeker niet voldoet aan de geldende voorwaarden.