Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-23
ECLI:NL:RBDHA:2026:9779
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,363 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9779 text/xml public 2026-04-30T18:00:21 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-23 NL26.21981 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9779 text/html public 2026-04-23T14:08:52 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9779 Rechtbank Den Haag , 23-04-2026 / NL26.21981 Op 17 april 2026 is de maatregel van bewaring van 15 januari 2026 omgezet en is eiser ogv artikel 59.1.a van de Vw in bewaring gesteld. De vorige maatregel heeft onrechtmatig voortgeduurd als gevolg waarvan eiser van 3 februari 2026 tot 17 april 2026 73 dagen zonder rechtstitel in bewaring is gehouden. De rechtbank is van oordeel dat hierdoor sprake is van een ernstige schending van eisers fundamentele recht op vrijheid en is daarom van oordeel dat de vaststelling van deze onrechtmatigheid moet doorwerken in de beoordeling van de huidige maatregel van bewaring. Gelet op de relatieve eenvoud, waarmee de minister de onrechtmatige bewaring van eiser na zijn asielaanvraag had kunnen worden voorkomen. Beroep gegrond/sv/pkv RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL26.21981 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser gemachtigde: mr. B.A. Palm, en de minister van Asiel en Migratie, gemachtigde: drs. J.P.M. Wuite. Procesverloop Bij besluit van 17 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft door middel van een afstandsverklaring afstand gedaan van het recht om te worden gehoord en heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.J.J. Flantua, als waarnemer van zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2008. 2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; 3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. Doorwerking te late omzetting van de maatregel van bewaring van 15 januari 2026. 3. Uit de uitspraak van heden (NL26.20303) in het vervolgberoep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van bewaring van 15 januari 2026 volgt dat de maatregel van bewaring vanaf het moment van het verlengingsbesluit van 3 februari 2026 heeft voortgeduurd op een onjuiste wettelijke grondslag. Dit betekent dat de maatregel van bewaring vanaf 3 februari 2026 onrechtmatig heeft voortgeduurd. Eiser is als gevolg hiervan van 3 februari 2026 tot 17 april 2026 73 dagen zonder rechtstitel in bewaring gehouden. De rechtbank is ambtshalve van oordeel dat hierdoor sprake is van een ernstige schending van eisers fundamentele recht op vrijheid en is daarom van oordeel dat de vaststelling van deze onrechtmatigheid moet doorwerken in de beoordeling van de huidige maatregel van bewaring. Gelet op de relatieve eenvoud, waarmee de minister de onrechtmatige bewaring van eiser na zijn asielaanvraag had kunnen worden voorkomen , is de rechtbank van oordeel dat de huidige maatregel van bewaring 17 april 2026 vanaf het begin onrechtmatig is en beveelt zij daarom de opheffing van deze maatregel van bewaring met ingang van vandaag. Het beroep is gegrond. Hetgeen eiser voor het overige heeft aangevoerd hoeft geen bespreking meer. Conclusie en gevolgen 4. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. Gelet op hetgeen onder 3 is overwogen beveelt de rechtbank de opheffing van de op 17 april 2026 aan eiser opgelegde maatregel van bewaring met ingang van vandaag. 5. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 7 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 7 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 840,-. 6. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - beveelt de rechtbank de opheffing van de op 17 april 2026 aan eiser opgelegde maatregel van bewaring met ingang van vandaag. - veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 840,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding; - veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. van der Winkel, rechter, in aanwezigheid van H.B. Slot - Akkerman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Zie ook de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, ECLI:NL:RBDHA:2024:17168, r.o. 4. ECLI:NL:RVS:2023:2353, r.o. 8.1.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9779 text/xml public 2026-04-30T18:00:21 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-23 NL26.21981 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9779 text/html public 2026-04-23T14:08:52 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9779 Rechtbank Den Haag , 23-04-2026 / NL26.21981 Op 17 april 2026 is de maatregel van bewaring van 15 januari 2026 omgezet en is eiser ogv artikel 59.1.a van de Vw in bewaring gesteld. De vorige maatregel heeft onrechtmatig voortgeduurd als gevolg waarvan eiser van 3 februari 2026 tot 17 april 2026 73 dagen zonder rechtstitel in bewaring is gehouden. De rechtbank is van oordeel dat hierdoor sprake is van een ernstige schending van eisers fundamentele recht op vrijheid en is daarom van oordeel dat de vaststelling van deze onrechtmatigheid moet doorwerken in de beoordeling van de huidige maatregel van bewaring. Gelet op de relatieve eenvoud, waarmee de minister de onrechtmatige bewaring van eiser na zijn asielaanvraag had kunnen worden voorkomen. Beroep gegrond/sv/pkv RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL26.21981 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser gemachtigde: mr. B.A. Palm, en de minister van Asiel en Migratie, gemachtigde: drs. J.P.M. Wuite. Procesverloop Bij besluit van 17 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft door middel van een afstandsverklaring afstand gedaan van het recht om te worden gehoord en heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.J.J. Flantua, als waarnemer van zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2008. 2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; 3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. Doorwerking te late omzetting van de maatregel van bewaring van 15 januari 2026. 3. Uit de uitspraak van heden (NL26.20303) in het vervolgberoep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van bewaring van 15 januari 2026 volgt dat de maatregel van bewaring vanaf het moment van het verlengingsbesluit van 3 februari 2026 heeft voortgeduurd op een onjuiste wettelijke grondslag. Dit betekent dat de maatregel van bewaring vanaf 3 februari 2026 onrechtmatig heeft voortgeduurd. Eiser is als gevolg hiervan van 3 februari 2026 tot 17 april 2026 73 dagen zonder rechtstitel in bewaring gehouden. De rechtbank is ambtshalve van oordeel dat hierdoor sprake is van een ernstige schending van eisers fundamentele recht op vrijheid en is daarom van oordeel dat de vaststelling van deze onrechtmatigheid moet doorwerken in de beoordeling van de huidige maatregel van bewaring. Gelet op de relatieve eenvoud, waarmee de minister de onrechtmatige bewaring van eiser na zijn asielaanvraag had kunnen worden voorkomen , is de rechtbank van oordeel dat de huidige maatregel van bewaring 17 april 2026 vanaf het begin onrechtmatig is en beveelt zij daarom de opheffing van deze maatregel van bewaring met ingang van vandaag. Het beroep is gegrond. Hetgeen eiser voor het overige heeft aangevoerd hoeft geen bespreking meer. Conclusie en gevolgen 4. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. Gelet op hetgeen onder 3 is overwogen beveelt de rechtbank de opheffing van de op 17 april 2026 aan eiser opgelegde maatregel van bewaring met ingang van vandaag. 5. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 7 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 7 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 840,-. 6. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - beveelt de rechtbank de opheffing van de op 17 april 2026 aan eiser opgelegde maatregel van bewaring met ingang van vandaag. - veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 840,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding; - veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. van der Winkel, rechter, in aanwezigheid van H.B. Slot - Akkerman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Zie ook de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, ECLI:NL:RBDHA:2024:17168, r.o. 4. ECLI:NL:RVS:2023:2353, r.o. 8.1.