Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-06
ECLI:NL:RBDHA:2026:9770
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,042 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9770 text/xml public 2026-05-01T12:46:17 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-06 25/9210 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9770 text/html public 2026-05-01T12:44:37 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9770 Rechtbank Den Haag , 06-02-2026 / 25/9210 Vovo. Met het primaire besluit is verzoeker medegedeeld dat zijn Nederlandse paspoort van rechtswege is vervallen en de persoonsgegevens die hierop staan zullen worden opgenomen in het Register Paspoortsignaleringen als hij deze niet binnen twee weken inlevert bij de Nederlandse ambassade in [land 1]. Verweerder heeft met het e-mailbericht van 29 december 2025 aangegeven dat de moeder van verzoeker en haar kinderen in ieder geval gedurende de bezwaarprocedure hun Nederlandse reisdocumenten nog niet hoeven in te leveren, en dat hun persoonsgegevens nog niet zullen worden opgenomen in het Register Paspoortsignaleringen. Verder staat vast dat verzoeker over de [land 1] nationaliteit en een [land 1] paspoort beschikt. Dat hij desondanks op korte termijn problemen zal ondervinden door het ongeldig verklaren van zijn Nederlandse paspoort en ID-kaart, heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Ook de stelling dat hij stress ondervindt van deze situatie heeft hij onvoldoende met objectieve medische informatie onderbouwd. De voorzieningenrechter ziet gelet daarop niet in waarom van verzoeker niet zou kunnen worden gevergd om de beslissing op het door hem ingediende bezwaarschrift af te wachten en is daarom van oordeel dat bij verzoeker het spoedeisende belang ontbreekt. Evenmin is sprake van een evident onrechtmatig besluit. Het verzoek is niet-ontvankelijk. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/9210 uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 februari 2026 in de zaak tussen [verzoeker], uit [land 1], verzoeker (gemachtigde: mr. H. de Voer), en de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder (gemachtigde: mr. R. Geraedts). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om voorlopige voorziening dat verzoeker heeft ingediend hangende het door hem ingestelde bezwaar tegen het primaire besluit van 13 november waarin hem is medegedeeld dat zijn Nederlandse paspoort van rechtswege is vervallen en de persoonsgegevens die hierop staan zullen worden opgenomen in het Register Paspoortsignaleringen als hij deze documenten niet binnen twee weken inlevert bij de Nederlandse ambassade in [land 1]. 1.1. Verweerder heeft op de voorziening gereageerd met een verweerschrift. 1.2. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af vanwege het ontbreken van spoedeisend belang bij verzoeker. Omdat het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) maakt dat mogelijk. Hieronder legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Beoordeling door de voorzieningenrechter Waar gaat deze zaak over? 2. [naam 1] (hierna: de moeder van verzoeker) is op [geboortedatum] 1965 geboren in [geboorteplaats] en verkreeg via haar Nederlandse vader bij geboorte de Nederlandse nationaliteit. Op enig moment is zij met haar ouders naar [land 2] vertrokken. Bij besluit van 6 mei 1980 hebben de [land 2] autoriteiten de moeder van verzoeker als minderjarige door voorlopige naturalisatie de [land 2] nationaliteit verleend. Bij besluit van 5 september 1989 is deze naturalisatie definitief geworden. De moeder van verzoeker beschikt over een [land 2] paspoort dat is afgegeven op 16 juni 2016 en geldig is tot 15 juni 2026. 2.1. Sinds 8 september 1990 woont de moeder van verzoeker in [land 1], alwaar zij in het huwelijk is getreden met de heer [naam 2] (hierna: de vader van verzoeker) die beschikt over de [land 1] nationaliteit. Samen hebben zij vijf kinderen gekregen, te weten [kind 1] (1993), [kind 2] (1994), verzoeker (2000), [kind 3] (2002) en [kind 4] (2007). Alle kinderen verkregen door geboorte de [land 1] nationaliteit en beschikken over een [land 1] paspoort, zo ook verzoeker. 2.2. Op 9 oktober 2025 heeft de moeder van verzoeker bij de Nederlandse ambassade in [land 1] een aanvraag voor een Nederlands paspoort ingediend. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft verweerder een nader onderzoek ingesteld. Hieruit heeft verweerder geconcludeerd dat de moeder van verzoeker het Nederlanderschap op 14 september 1989 van rechtswege heeft verloren omdat zij op die datum de [land 2] nationaliteit heeft verkregen door naturalisatie. Ook verzoeker beschikt daarmee niet meer over de Nederlandse nationaliteit. Om die reden heeft verweerder verzoeker met het primaire besluit medegedeeld dat de laatstelijk op 24 november 2020 aan hem verstrekte Nederlandse paspoort van rechtswege is vervallen en de persoonsgegevens die hierop staan zullen worden opgenomen in het Register Paspoortsignaleringen als hij dit document niet binnen twee weken inlevert bij de Nederlandse ambassade in [land 1]. Wat vindt verzoeker? 3. Verzoeker heeft bezwaar ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen, in casu dat hij de Nederlandse nationaliteit behoudt, een Nederlands reisdocument aan hem wordt verstrekt en dat zijn persoonsgegevens niet in het Register Paspoortsignaleringen zullen worden opgenomen. Hij betoogt allereerst dat het bestreden besluit in de bezwaarfase geen stand zal houden en draagt daartoe – kort en zakelijk weergegeven – het volgende aan. De door verweerder genoemde verliesgrond van het Nederlanderschap is hier niet van toepassing omdat zijn moeder bij besluit van 6 mei 1980 als minderjarige zelfstandig de [land 2] nationaliteit heeft verkregen door naturalisatie. De [land 2] autoriteiten hebben haar toen ook een [land 2] paspoort en een [land 2] ID-kaart toegekend. Op grond van de [land 2] wetgeving moet een minderjarige, die op deze wijze de [land 2] nationaliteit heeft verkregen, binnen twee jaar na het bereiken van de meerderjarige leeftijd bevestigen of hij of zij de [land 2] nationaliteit ook wil behouden. Dat heeft de moeder van verzoeker op 14 september 1989 gedaan. Dit gaat echter om een herbevestiging en laat onverlet dat zij de [land 2] nationaliteit al op 6 mei 1980 heeft verkregen. Ter ondersteuning van deze opvatting heeft verzoeker een legal opinion van [naam 3] ingebracht en verwezen naar de landeninformatie in de database VIND Burgerzaken. Voorts geeft verzoeker aan dat het bestreden besluit onevenredige Unierechtelijke gevolgen voor hem heeft. Tot slot heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld door zich bij de besluitvorming slechts te baseren op een niet-vertaalde [land 2] naturalisatieakte. Mocht het aankomen op een belangenafweging, dan valt deze uit in het voordeel van verzoeker. Zijn persoonsgegevens zullen namelijk worden opgenomen in het Register Paspoortsignaleringen als hij zijn Nederlandse paspoort niet tijdig inlevert. Voorts brengt deze onzekere situatie de nodige stress en spanning met zich mee. Beoordeling door de voorzieningenrechter Spoedeisend belang 4. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. Voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld, moet eerst worden beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. 4.1. Met het e-mailbericht van 29 december 2025 heeft verweerder aangegeven dat de moeder van verzoeker en haar kinderen in ieder geval gedurende de bezwaarprocedure hun reisdocumenten nog niet hoeven in te leveren en dat hun persoonsgegevens nog niet zullen worden opgenomen in het Register Paspoortsignaleringen. Verder staat vast dat verzoeker over de [land 1] nationaliteit en een [land 1] paspoort beschikt.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9770 text/xml public 2026-05-01T12:46:17 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-06 25/9210 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9770 text/html public 2026-05-01T12:44:37 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9770 Rechtbank Den Haag , 06-02-2026 / 25/9210 Vovo. Met het primaire besluit is verzoeker medegedeeld dat zijn Nederlandse paspoort van rechtswege is vervallen en de persoonsgegevens die hierop staan zullen worden opgenomen in het Register Paspoortsignaleringen als hij deze niet binnen twee weken inlevert bij de Nederlandse ambassade in [land 1]. Verweerder heeft met het e-mailbericht van 29 december 2025 aangegeven dat de moeder van verzoeker en haar kinderen in ieder geval gedurende de bezwaarprocedure hun Nederlandse reisdocumenten nog niet hoeven in te leveren, en dat hun persoonsgegevens nog niet zullen worden opgenomen in het Register Paspoortsignaleringen. Verder staat vast dat verzoeker over de [land 1] nationaliteit en een [land 1] paspoort beschikt. Dat hij desondanks op korte termijn problemen zal ondervinden door het ongeldig verklaren van zijn Nederlandse paspoort en ID-kaart, heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Ook de stelling dat hij stress ondervindt van deze situatie heeft hij onvoldoende met objectieve medische informatie onderbouwd. De voorzieningenrechter ziet gelet daarop niet in waarom van verzoeker niet zou kunnen worden gevergd om de beslissing op het door hem ingediende bezwaarschrift af te wachten en is daarom van oordeel dat bij verzoeker het spoedeisende belang ontbreekt. Evenmin is sprake van een evident onrechtmatig besluit. Het verzoek is niet-ontvankelijk. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/9210 uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 februari 2026 in de zaak tussen [verzoeker], uit [land 1], verzoeker (gemachtigde: mr. H. de Voer), en de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder (gemachtigde: mr. R. Geraedts). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om voorlopige voorziening dat verzoeker heeft ingediend hangende het door hem ingestelde bezwaar tegen het primaire besluit van 13 november waarin hem is medegedeeld dat zijn Nederlandse paspoort van rechtswege is vervallen en de persoonsgegevens die hierop staan zullen worden opgenomen in het Register Paspoortsignaleringen als hij deze documenten niet binnen twee weken inlevert bij de Nederlandse ambassade in [land 1]. 1.1. Verweerder heeft op de voorziening gereageerd met een verweerschrift. 1.2. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af vanwege het ontbreken van spoedeisend belang bij verzoeker. Omdat het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) maakt dat mogelijk. Hieronder legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Beoordeling door de voorzieningenrechter Waar gaat deze zaak over? 2. [naam 1] (hierna: de moeder van verzoeker) is op [geboortedatum] 1965 geboren in [geboorteplaats] en verkreeg via haar Nederlandse vader bij geboorte de Nederlandse nationaliteit. Op enig moment is zij met haar ouders naar [land 2] vertrokken. Bij besluit van 6 mei 1980 hebben de [land 2] autoriteiten de moeder van verzoeker als minderjarige door voorlopige naturalisatie de [land 2] nationaliteit verleend. Bij besluit van 5 september 1989 is deze naturalisatie definitief geworden. De moeder van verzoeker beschikt over een [land 2] paspoort dat is afgegeven op 16 juni 2016 en geldig is tot 15 juni 2026. 2.1. Sinds 8 september 1990 woont de moeder van verzoeker in [land 1], alwaar zij in het huwelijk is getreden met de heer [naam 2] (hierna: de vader van verzoeker) die beschikt over de [land 1] nationaliteit. Samen hebben zij vijf kinderen gekregen, te weten [kind 1] (1993), [kind 2] (1994), verzoeker (2000), [kind 3] (2002) en [kind 4] (2007). Alle kinderen verkregen door geboorte de [land 1] nationaliteit en beschikken over een [land 1] paspoort, zo ook verzoeker. 2.2. Op 9 oktober 2025 heeft de moeder van verzoeker bij de Nederlandse ambassade in [land 1] een aanvraag voor een Nederlands paspoort ingediend. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft verweerder een nader onderzoek ingesteld. Hieruit heeft verweerder geconcludeerd dat de moeder van verzoeker het Nederlanderschap op 14 september 1989 van rechtswege heeft verloren omdat zij op die datum de [land 2] nationaliteit heeft verkregen door naturalisatie. Ook verzoeker beschikt daarmee niet meer over de Nederlandse nationaliteit. Om die reden heeft verweerder verzoeker met het primaire besluit medegedeeld dat de laatstelijk op 24 november 2020 aan hem verstrekte Nederlandse paspoort van rechtswege is vervallen en de persoonsgegevens die hierop staan zullen worden opgenomen in het Register Paspoortsignaleringen als hij dit document niet binnen twee weken inlevert bij de Nederlandse ambassade in [land 1]. Wat vindt verzoeker? 3. Verzoeker heeft bezwaar ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen, in casu dat hij de Nederlandse nationaliteit behoudt, een Nederlands reisdocument aan hem wordt verstrekt en dat zijn persoonsgegevens niet in het Register Paspoortsignaleringen zullen worden opgenomen. Hij betoogt allereerst dat het bestreden besluit in de bezwaarfase geen stand zal houden en draagt daartoe – kort en zakelijk weergegeven – het volgende aan. De door verweerder genoemde verliesgrond van het Nederlanderschap is hier niet van toepassing omdat zijn moeder bij besluit van 6 mei 1980 als minderjarige zelfstandig de [land 2] nationaliteit heeft verkregen door naturalisatie. De [land 2] autoriteiten hebben haar toen ook een [land 2] paspoort en een [land 2] ID-kaart toegekend. Op grond van de [land 2] wetgeving moet een minderjarige, die op deze wijze de [land 2] nationaliteit heeft verkregen, binnen twee jaar na het bereiken van de meerderjarige leeftijd bevestigen of hij of zij de [land 2] nationaliteit ook wil behouden. Dat heeft de moeder van verzoeker op 14 september 1989 gedaan. Dit gaat echter om een herbevestiging en laat onverlet dat zij de [land 2] nationaliteit al op 6 mei 1980 heeft verkregen. Ter ondersteuning van deze opvatting heeft verzoeker een legal opinion van [naam 3] ingebracht en verwezen naar de landeninformatie in de database VIND Burgerzaken. Voorts geeft verzoeker aan dat het bestreden besluit onevenredige Unierechtelijke gevolgen voor hem heeft. Tot slot heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld door zich bij de besluitvorming slechts te baseren op een niet-vertaalde [land 2] naturalisatieakte. Mocht het aankomen op een belangenafweging, dan valt deze uit in het voordeel van verzoeker. Zijn persoonsgegevens zullen namelijk worden opgenomen in het Register Paspoortsignaleringen als hij zijn Nederlandse paspoort niet tijdig inlevert. Voorts brengt deze onzekere situatie de nodige stress en spanning met zich mee. Beoordeling door de voorzieningenrechter Spoedeisend belang 4. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. Voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld, moet eerst worden beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. 4.1. Met het e-mailbericht van 29 december 2025 heeft verweerder aangegeven dat de moeder van verzoeker en haar kinderen in ieder geval gedurende de bezwaarprocedure hun reisdocumenten nog niet hoeven in te leveren en dat hun persoonsgegevens nog niet zullen worden opgenomen in het Register Paspoortsignaleringen. Verder staat vast dat verzoeker over de [land 1] nationaliteit en een [land 1] paspoort beschikt.