Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-03-26
ECLI:NL:RBDHA:2026:9767
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.44404 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiseres] , eiseres V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. F.J.E. Hogewind), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. D.A.H. van den Tillaar). Procesverloop Bij besluit van 8 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen L. Neshin. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Het asielrelaas 1.1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1964 en heeft de Iraanse nationaliteit. Zij heeft haar asielaanvraag op 12 juli 2023 ingediend. 1.2. Eiseres heeft aan haar asielaanvraag – samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd. Eiseres heeft in december 2022 een jonge Iraanse vrouw, genaamd [naam 1] , voor enkele dagen opgevangen in haar woning. Deze vrouw was gewond geraakt tijdens een demonstratie tegen het Iraanse regime. Eiseres heeft ook aan een vriendin van [naam 1] , genaamd [naam 2] , één nacht onderdak in haar woning verleend. Zij kwam [naam 1] helpen met haar verwondingen en was ook betrokken bij de demonstratie. Eiseres is vervolgens in april 2023, met een visum, naar Nederland gereisd om op bezoek te gaan bij haar hier wonende zoon. Tijdens dit bezoek heeft eiseres bericht ontvangen van één van haar zussen in Iran dat de Iraanse autoriteiten naar haar op zoek zijn vanwege haar hulp aan [naam 1] en [naam 2] , die door de Iraanse autoriteiten worden aangemerkt als antirevolutionairen. De zussen en broer van eiseres in Iran zijn hierover door de autoriteiten bevraagd. Eén van haar zussen is zelfs meermaals ondervraagd. Bij terugkeer naar Iran vreest eiseres dat zij ernstige problemen zal krijgen met de Iraanse autoriteiten vanwege de hulp die zij heeft geboden aan [naam 1] en [naam 2] . Het bestreden besluit 2.1. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen: identiteit, nationaliteit en herkomst; problemen met de Iraanse autoriteiten vanwege het door eiseres verleende onderdak aan [naam 1] en [naam 2] . 2.2. Verweerder heeft het eerste relevante element geloofwaardig geacht. Het tweede relevante element heeft verweerder evenwel niet geloofwaardig geacht, omdat in zoverre niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c en d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Het geloofwaardig geachte element levert volgens verweerder geen asielgrond op als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw, omdat op grond daarvan niet aannemelijk is dat eiseres een gegronde vrees voor vervolging heeft als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of bij terugkeer naar Iran een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Gelet op het voorgaande, en nu eiseres haar asielaanvraag volgens verweerder niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend, heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw. 2.3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan eiseres voorlopig uitstel van vertrek verleend, in afwachting van een definitieve (ambtshalve) beoordeling in het kader van artikel 64 van de Vw. Beroepsgronden 3. Eiseres betoogt dat verweerder zich ten onrechte en ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat haar problemen met de Iraanse autoriteiten ongeloofwaardig zijn. Eiseres bestrijdt alle tegenwerpingen die verweerder in dit kader heeft gedaan. Eisere Wat er inhoudelijk gezien ook moge zijn van deze tegenwerping, de rechtbank overweegt dat deze tegenwerping niet ‘thuis hoort’ in een standpunt dat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw. Deze bepaling gaat immers over de inhoud en waardering van de door de vreemdeling afgegeven verklaringen en niet over het (verwijtbaar) ontbreken van documenten. Indien verweerder het ontbreken van documenten aan eiseres had willen tegenwerpen, had hij dit onder artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b (of a), van de Vw moeten doen en beoordelen. Dit heeft hij niet gedaan. Gelet hierop kan de tegenwerping dat eiseres geen documenten ter onderbouwing van haar asielrelaas heeft overgelegd, het standpunt van verweerder dat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw niet dragen. 4.2.3. Een ander argument dat verweerder ten grondslag heeft gelegd aan zijn standpunt dat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw is dat zij onvoldoende heeft verklaard over haar precieze situatie in Iran en meer in het bijzonder over welke straf haar staat te wachten bij terugkeer (punten 2.1.1 en 2.1.3 van het voornemen en het bestreden besluit). Volgens verweerder mocht van eiseres worden verwacht dat zij hiernaar meer onderzoek zou hebben gedaan. Nog daargelaten dat deze tegenwerping eerder ‘thuis hoort’ in een standpunt dat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder a, van de Vw dan in een standpunt dat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw, overweegt de rechtbank dat eiseres tijdens het nader gehoor behoorlijk concreet heeft verklaard over de aard van de verdenkingen die de Iraanse autoriteiten jegens haar hebben geuit. Zo heeft zij verklaard dat zij van haar zus heeft vernomen dat zij er door de Iraanse autoriteiten van wordt verdacht dat zij antirevolutionaire personen heeft geholpen, onderdak heeft gegeven aan antirevolutionaire personen en contactpersoon is van antirevolutionaire personen (p. 9 NG). Ter zitting heeft verweerder te kennen gegeven dat deze verklaringen van eiseres inderdaad concreet zijn, reden waarom alsnog wordt geloofd dat dit contact tussen de Iraanse autoriteiten en haar zus (en overige familieleden) heeft plaatsgevonden (zie 4.2.1), maar dat dit onverlet laat dat van eiseres mocht worden verwacht dat zij meer informatie zou vergaren en verstrekken over de actuele stand van zaken rondom voormelde verdenkingen. De rechtbank is van oordeel dat dit standpunt van verweerder niet berust op een zorgvuldige voorbereiding en evenmin op een deugdelijke motivering. Verweerder is hierbij namelijk niet (kenbaar) ingegaan op de, in het Algemeen Ambtsbericht Iran van september 2023 (hierna: AA Iran) vermelde belemmeringen en problemen die spelen rondom informatievertrekking bij ‘anti-regime’ verdenkingen zoals die jegens eiseres zijn geuit. Zo is daarin vermeld dat er in Iran geen sprake is van een eerlijke procesgang vooral bij politieke en veiligheidszaken, dat procedures niet transparant zijn, dat advocaten die rechtshulp verlenen aan demonstranten zelf te maken kregen met problemen en dat er geen/nauwelijks stukken of informatie over zaken worden verstrekt (p. 95-98). Gelet op deze (en ook overige) informatie in het AA Iran, waaruit duidelijk blijkt dat er in Iran geen sprake is van een eerlijk, transparant en voorspelbaar rechtssysteem, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ook ondeugdelijk gemotiveerd aan eiseres tegengeworpen dat zij niet voldoende concreet kan verklaren over welke straf haar te wachten staat bij terugkeer naar Iran. Gelet op de grote mate van willekeur die in het Iraanse rechtssysteem aan de orde is, kan naar het oordeel van de rechtbank niet van eiseres worden verwacht dat zij hierover een gefundeerde uitspraak doet. Gelet hierop kan de tegenwerping dat eiseres onvoldoende heeft verklaar Nog daargelaten dat verweerder niet met objectieve landeninformatie heeft onderbouwd dat het legaal vertrek van een vreemdeling in Iran wordt geregistreerd en voor alle instanties kenbaar is, overweegt de rechtbank dat er diverse redenen voor de Iraanse autoriteiten konden bestaan om het huis van eiseres te bezoeken en de zus van eiseres meerdere keren op te roepen. Zo kon het doel van het huisbezoek zijn om bewijsmateriaal te verzamelen, en kon het doel van het herhaaldelijk ondervragen van de zus zijn om de zus aan te sporen eiseres te laten terugkeren naar Iran, zoals eiseres zelf ook heeft verklaard (zie p. 7 NG). Hoe dan ook, van eiseres kan niet worden verwacht dat zij nadere uitleg geeft over deze handelwijze van de Iraanse autoriteiten, aangezien zij niet kan weten om welke redenen de autoriteiten zo handelen. Gelet hierop kan ook deze tegenwerping het standpunt van verweerder dat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw niet dragen. 4.2.7. Al het vorenstaande, in samenhang bezien, leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder zich onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw. 4.3. Over het standpunt van verweerder dat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d, van de Vw overweegt de rechtbank als volgt. 4.3.1. De rechtbank is ermee bekend dat uit (‘stap 2b’ van) Werkinstructie (WI) 2024/6, die hier is toegepast, volgt dat een asielmotief ongeloofwaardig wordt bevonden als niet aan alle vijf voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw is voldaan. Uit rechtspraak van deze zittingsplaats (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3109) volgt echter dat de toepassing van WI 2024/6 in een concrete zaak in strijd met het Unierecht, meer specifiek artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn, kan komen als verweerder ‘stap 2b’ van WI 2024/6 te strikt, als een ‘checklist’, toepast en niet alle omstandigheden, waaronder de afgelegde verklaringen en het overgelegde bewijsmateriaal, betrekt en in samenhang beoordeelt. 4.3.2. Eén van de omstandigheden die verweerder ook bij deze integrale beoordeling moet betrekken is de omstandigheid dat een vreemdeling zijn/haar asielaanvraag verwijtbaar niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en dus niet heeft voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d, van de Vw. Deze omstandigheid staat echter niet op zichzelf, maar moet in samenhang met alle andere omstandigheden, waaronder in ieder geval de verklaringen van de vreemdeling, waarbij het zwaartepunt ligt, worden beoordeeld. Zoals hiervoor, onder 4.2.7, is overwogen heeft verweerder zich onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Naar het oordeel van de rechtbank tast dit de integrale beoordeling van verweerder in deze zaak zodanig aan dat die reeds hierom niet in stand kan blijven. De vraag of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres haar asielaanvraag verwijtbaar niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend als bedoeld in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d, van de Vw blijft daarom onbesproken. Het niet voldoen aan deze voorwaarde kan immers in deze zaak toch niet zelfstandig de conclusie dragen dat het asielrelaas ongeloofwaardig is. 4.4. Gelet op het vorenstaande, in samenhang bezien, komt de rechtbank tot de slotsom dat verweerder zich onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de problemen van eiseres met de Iraanse autoriteiten vanwege het door haar verleende onderdak aan [naam 1] en [naam 2] ongeloofwaardig zijn. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is gezien het voorgaande