Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-27
ECLI:NL:RBDHA:2026:9712
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
11,930 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9712 text/xml public 2026-04-30T13:06:45 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-27 SGR 25/9130 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9712 text/html public 2026-04-30T13:05:03 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9712 Rechtbank Den Haag , 27-02-2026 / SGR 25/9130 Vovo; lasten onder dwangsom; afgeleid belang; bijzondere omstandigheden; uitvoering van de lasten; herontwikkeling; dienstbaarheidsbeginsel; natuur; afwijzing verzoek RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/9130 uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 februari 2026 in de zaak tussen [verzoekers sub 1] B.V. en [verzoekers sub 2], uit [plaats 1], verzoekers (gemachtigden: mr. F. Huisman en mr. G. van der Wende), en het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas, het college ([gemachtigde]). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [belanghebbende] B.V . uit [vestigingsplaats], belanghebbende. Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de door het college aan [verzoekers sub 2] opgelegde lasten onder dwangsom voor het in strijd met het omgevingsplan gebruiken van een aantal percelen nabij [adres] te [plaats 2] (thans: [plaats 1]). Verzoekers zijn het niet eens met de opgelegde lasten onder dwangsom en het daarop volgende besluit op hun bezwaar en willen dat dit besluit wordt geschorst totdat uitspraak is gedaan in de bodemprocedure. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan. 1.1. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop 2. Met het besluit van 18 december 2024 (het primaire besluit) heeft het college [verzoekers sub 2] gelast om binnen de daarvoor gestelde begunstigingstermijnen het in strijd met het omgevingsplan gebruiken van een aantal percelen nabij de [adres] te [plaats 2] (thans: [plaats 1]) te beëindigen en beëindigd te houden. 2.1. Met het wijzigingsbesluit van 14 april 2025 heeft het college het primaire besluit gewijzigd door twee percelen toe te voegen aan de opgelegde lasten onder dwangsom. 2.2. Met het besluit van 9 september 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van verzoekers heeft het college de lasten onder dwangsom in stand gelaten en de herstelmaatregelen verduidelijkt. 2.3. Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.4. Op verzoek van verzoekers zijn de gestelde begunstigingstermijnen verlengd tot 14 januari 2026. Omdat het college niet bereid was om de begunstigingstermijnen nogmaals te verlengen, hebben verzoekers de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2.5. Het college heeft de begunstigingstermijnen van de lasten onder dwangsom vervolgens verlengd tot uitspraak is gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening. 2.6. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van verzoekers, vergezeld door [naam 1] en [naam 2] en de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam 3]. Beoordeling door de voorzieningenrechter Totstandkoming van het bestreden besluit 3. [verzoekers sub 2] is eigenaar van de percelen nabij de [adres] te [plaats 2] (thans: [plaats 1]), kadastraal bekend als: [kadastraal kenmerk]. [verzoekers sub 2] heeft deze percelen verhuurd aan [verzoekers sub 1]. [verzoekers sub 1] gebruikt de genoemde percelen voor grondverzet, grondopslag en opslag van materieel. 3.1. Het college heeft op 17 juli 2024 en 2 augustus 2024, naar aanleiding van een handhavingsverzoek van belanghebbende, controles uitgevoerd op de genoemde percelen. Tijdens deze controles is geconstateerd dat de percelen in strijd met de ter plaatse geldende regels van het omgevingsplan worden gebruikt. Op de genoemde percelen is immers sprake van grondverzet, grondopslag en opslag van materieel, terwijl ter plaatse de bestemmingen ‘Natuur’ en ‘Woongebied’ gelden. 3.2. Het college heeft daarom op 2 en 28 oktober 2024 voornemens tot het opleggen van lasten onder dwangsom aan [verzoekers sub 2] bekendgemaakt. 3.3. Omdat het college in de door [verzoekers sub 2] ingediende zienswijze geen aanleiding heeft gezien om van zijn voornemen af te zien, heeft het college met het primaire besluit meerdere lasten onder dwangsom opgelegd aan [verzoekers sub 2]. 3.4. Met het wijzigingsbesluit van 14 april 2025 heeft het college het primaire besluit gewijzigd door twee percelen toe te voegen aan de opgelegde lasten onder dwangsom. 3.5. Met het bestreden besluit op het bezwaar van verzoekers heeft het college de genoemde herstelmaatregelen verduidelijkt. [verzoekers sub 2] wordt gelast om: [perceel 1] en [perceel 2] niet meer te gebruiken voor het afgraven, ophogen, mengen of opslaan van grond of het anderszins uitvoeren van bedrijfsactiviteiten, grondbewerkingen of andere activiteiten die niet conform het vigerende omgevingsplan voor deze gronden mogelijk zijn, alsmede het terugbrengen van deze gronden naar de staat voorafgaand aan de genoemde activiteiten. Als hieraan niet geheel, of niet tijdig wordt voldaan, verbeurt [verzoekers sub 2] een eenmalige dwangsom van € 5.000,-. [perceel 3], [perceel 4], [perceel 5] en [perceel 6] niet meer te gebruiken voor het afgraven, ophogen, mengen of opslaan van grond of het anderszins uitvoeren van bedrijfsactiviteiten, grondbewerkingen of andere activiteiten die niet conform het vigerende omgevingsplan voor deze gronden mogelijk zijn, alsmede het terugbrengen van deze gronden naar de staat voorafgaand aan de genoemde activiteiten waaronder in ieder geval begrepen het herstellen van het peil voorafgaand aan de activiteiten en het ongedaan maken van de zonder vergunning uitgevoerde activiteiten die zijn genoemd in artikel 8, derde lid, van het bestemmingsplan “[bestemmingsplan 2]”. Als hieraan niet, niet geheel, of niet tijdig wordt voldaan, verbeurt [verzoekers sub 2] per genoemd perceel een eenmalige dwangsom van € 5.000,-. het (op)stallen van het aanwezige materieel, materiaal en voertuigen op [perceel 3], [perceel 4], [perceel 5], [perceel 1], [perceel 2] en [perceel 6] te staken en gestaakt te houden. Als hieraan niet, niet geheel, of niet tijdig wordt voldaan, verbeurt [verzoekers sub 2] een eenmalige dwangsom van € 10.000,-. het (laten) gebruiken van [perceel 3], [perceel 4], [perceel 5], [perceel 1], [perceel 2] en [perceel 6] voor (bedrijfs)activiteiten, in het bijzonder grondverzetactiviteiten of activiteiten ten behoeve van de bouwnijverheid, te staken en gestaakt te (laten) houden. Als hieraan niet, niet geheel, of niet tijdig wordt voldaan, verbeurt [verzoekers sub 2] een eenmalige dwangsom van € 10.000,-. Spoedeisend belang 4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat, gelet op de betrokken belangen, vereist. 4.1. Aangezien het college de begunstigingstermijnen heeft verlengd tot de uitspraak op dit verzoek en [verzoekers sub 2] dus – als geen uitvoering wordt gegeven aan de lasten – vanaf dat moment dwangsommen kan verbeuren tot een bedrag van € 45.000,-, is het spoedeisend belang naar het oordeel van de voorzieningenrechter gegeven. Belanghebbendheid [verzoekers sub 1] 5. Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Om te kunnen worden aangemerkt als belanghebbende dient volgens vaste rechtspraak sprake te zijn van een eigen, persoonlijk, objectief bepaalbaar, actueel en voldoende zeker belang, dat rechtstreeks bij het besluit is betrokken. 5.1.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9712 text/xml public 2026-04-30T13:06:45 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-27 SGR 25/9130 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9712 text/html public 2026-04-30T13:05:03 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9712 Rechtbank Den Haag , 27-02-2026 / SGR 25/9130 Vovo; lasten onder dwangsom; afgeleid belang; bijzondere omstandigheden; uitvoering van de lasten; herontwikkeling; dienstbaarheidsbeginsel; natuur; afwijzing verzoek RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/9130 uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 februari 2026 in de zaak tussen [verzoekers sub 1] B.V. en [verzoekers sub 2], uit [plaats 1], verzoekers (gemachtigden: mr. F. Huisman en mr. G. van der Wende), en het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas, het college ([gemachtigde]). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [belanghebbende] B.V . uit [vestigingsplaats], belanghebbende. Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de door het college aan [verzoekers sub 2] opgelegde lasten onder dwangsom voor het in strijd met het omgevingsplan gebruiken van een aantal percelen nabij [adres] te [plaats 2] (thans: [plaats 1]). Verzoekers zijn het niet eens met de opgelegde lasten onder dwangsom en het daarop volgende besluit op hun bezwaar en willen dat dit besluit wordt geschorst totdat uitspraak is gedaan in de bodemprocedure. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan. 1.1. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop 2. Met het besluit van 18 december 2024 (het primaire besluit) heeft het college [verzoekers sub 2] gelast om binnen de daarvoor gestelde begunstigingstermijnen het in strijd met het omgevingsplan gebruiken van een aantal percelen nabij de [adres] te [plaats 2] (thans: [plaats 1]) te beëindigen en beëindigd te houden. 2.1. Met het wijzigingsbesluit van 14 april 2025 heeft het college het primaire besluit gewijzigd door twee percelen toe te voegen aan de opgelegde lasten onder dwangsom. 2.2. Met het besluit van 9 september 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van verzoekers heeft het college de lasten onder dwangsom in stand gelaten en de herstelmaatregelen verduidelijkt. 2.3. Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.4. Op verzoek van verzoekers zijn de gestelde begunstigingstermijnen verlengd tot 14 januari 2026. Omdat het college niet bereid was om de begunstigingstermijnen nogmaals te verlengen, hebben verzoekers de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2.5. Het college heeft de begunstigingstermijnen van de lasten onder dwangsom vervolgens verlengd tot uitspraak is gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening. 2.6. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van verzoekers, vergezeld door [naam 1] en [naam 2] en de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam 3]. Beoordeling door de voorzieningenrechter Totstandkoming van het bestreden besluit 3. [verzoekers sub 2] is eigenaar van de percelen nabij de [adres] te [plaats 2] (thans: [plaats 1]), kadastraal bekend als: [kadastraal kenmerk]. [verzoekers sub 2] heeft deze percelen verhuurd aan [verzoekers sub 1]. [verzoekers sub 1] gebruikt de genoemde percelen voor grondverzet, grondopslag en opslag van materieel. 3.1. Het college heeft op 17 juli 2024 en 2 augustus 2024, naar aanleiding van een handhavingsverzoek van belanghebbende, controles uitgevoerd op de genoemde percelen. Tijdens deze controles is geconstateerd dat de percelen in strijd met de ter plaatse geldende regels van het omgevingsplan worden gebruikt. Op de genoemde percelen is immers sprake van grondverzet, grondopslag en opslag van materieel, terwijl ter plaatse de bestemmingen ‘Natuur’ en ‘Woongebied’ gelden. 3.2. Het college heeft daarom op 2 en 28 oktober 2024 voornemens tot het opleggen van lasten onder dwangsom aan [verzoekers sub 2] bekendgemaakt. 3.3. Omdat het college in de door [verzoekers sub 2] ingediende zienswijze geen aanleiding heeft gezien om van zijn voornemen af te zien, heeft het college met het primaire besluit meerdere lasten onder dwangsom opgelegd aan [verzoekers sub 2]. 3.4. Met het wijzigingsbesluit van 14 april 2025 heeft het college het primaire besluit gewijzigd door twee percelen toe te voegen aan de opgelegde lasten onder dwangsom. 3.5. Met het bestreden besluit op het bezwaar van verzoekers heeft het college de genoemde herstelmaatregelen verduidelijkt. [verzoekers sub 2] wordt gelast om: [perceel 1] en [perceel 2] niet meer te gebruiken voor het afgraven, ophogen, mengen of opslaan van grond of het anderszins uitvoeren van bedrijfsactiviteiten, grondbewerkingen of andere activiteiten die niet conform het vigerende omgevingsplan voor deze gronden mogelijk zijn, alsmede het terugbrengen van deze gronden naar de staat voorafgaand aan de genoemde activiteiten. Als hieraan niet geheel, of niet tijdig wordt voldaan, verbeurt [verzoekers sub 2] een eenmalige dwangsom van € 5.000,-. [perceel 3], [perceel 4], [perceel 5] en [perceel 6] niet meer te gebruiken voor het afgraven, ophogen, mengen of opslaan van grond of het anderszins uitvoeren van bedrijfsactiviteiten, grondbewerkingen of andere activiteiten die niet conform het vigerende omgevingsplan voor deze gronden mogelijk zijn, alsmede het terugbrengen van deze gronden naar de staat voorafgaand aan de genoemde activiteiten waaronder in ieder geval begrepen het herstellen van het peil voorafgaand aan de activiteiten en het ongedaan maken van de zonder vergunning uitgevoerde activiteiten die zijn genoemd in artikel 8, derde lid, van het bestemmingsplan “[bestemmingsplan 2]”. Als hieraan niet, niet geheel, of niet tijdig wordt voldaan, verbeurt [verzoekers sub 2] per genoemd perceel een eenmalige dwangsom van € 5.000,-. het (op)stallen van het aanwezige materieel, materiaal en voertuigen op [perceel 3], [perceel 4], [perceel 5], [perceel 1], [perceel 2] en [perceel 6] te staken en gestaakt te houden. Als hieraan niet, niet geheel, of niet tijdig wordt voldaan, verbeurt [verzoekers sub 2] een eenmalige dwangsom van € 10.000,-. het (laten) gebruiken van [perceel 3], [perceel 4], [perceel 5], [perceel 1], [perceel 2] en [perceel 6] voor (bedrijfs)activiteiten, in het bijzonder grondverzetactiviteiten of activiteiten ten behoeve van de bouwnijverheid, te staken en gestaakt te (laten) houden. Als hieraan niet, niet geheel, of niet tijdig wordt voldaan, verbeurt [verzoekers sub 2] een eenmalige dwangsom van € 10.000,-. Spoedeisend belang 4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat, gelet op de betrokken belangen, vereist. 4.1. Aangezien het college de begunstigingstermijnen heeft verlengd tot de uitspraak op dit verzoek en [verzoekers sub 2] dus – als geen uitvoering wordt gegeven aan de lasten – vanaf dat moment dwangsommen kan verbeuren tot een bedrag van € 45.000,-, is het spoedeisend belang naar het oordeel van de voorzieningenrechter gegeven. Belanghebbendheid [verzoekers sub 1] 5. Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Om te kunnen worden aangemerkt als belanghebbende dient volgens vaste rechtspraak sprake te zijn van een eigen, persoonlijk, objectief bepaalbaar, actueel en voldoende zeker belang, dat rechtstreeks bij het besluit is betrokken. 5.1.
Volledig
In beginsel is slechts de overtreder belanghebbende bij de oplegging van een last onder dwangsom, omdat alleen de overtreder de dwangsom kan verbeuren, maar dat sluit niet uit dat ook een ander dan de overtreder bij dat besluit belanghebbende kan zijn, als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. 5.2. Een uitsluitend van een andere betrokkene afgeleid belang voldoet echter niet aan het vereiste dat een belang rechtstreeks betrokken is bij het betreffende besluit. Een afgeleid belang kan aan de derde worden tegengeworpen als zijn belang parallel loopt aan dat van de eerstbetrokkene en zijn belang uitsluitend via een contractuele relatie met die eerstbetrokkene bij dat besluit is betrokken. Het enkele feit dat sprake is van een contractuele relatie tussen degene tot wie een besluit is gericht en een derde, zoals een huurovereenkomst, betekent niet dat het belang van die derde bij dat besluit alleen al daarom een afgeleid belang is. Onderzocht moet worden of die derde los van die contractuele relatie ook een zelfstandig eigen belang heeft bij dat besluit. 5.3. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft [verzoekers sub 1] geen zelfstandig eigen belang bij het bestreden besluit. [verzoekers sub 1] huurt de percelen en heeft met [verzoekers sub 2] in dat kader een contractuele relatie. Dat [verzoekers sub 1] gebruik maakt van de percelen en daarvoor toestemming heeft van [verzoekers sub 2], maakt [verzoekers sub 1] nog geen belanghebbende bij een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Dit belang vloeit namelijk voort uit de huurovereenkomst met [verzoekers sub 2] en loopt daarom parallel met het belang van [verzoekers sub 2]. Beiden hebben er immers belang bij dat de opgelegde lasten onder dwangsom niet in stand blijven. [verzoekers sub 1] wordt niet in een aan een zakelijk of fundamenteel recht ontleend zelfstandig belang geraakt. Het belang van [verzoekers sub 1] is om die reden een afgeleid belang, dat niet rechtstreeks bij het bestreden besluit is betrokken. Gelet hierop kan [verzoekers sub 1] naar voorlopig oordeel niet als belanghebbende worden aangemerkt bij het bestreden besluit, zodat zijn beroep daartegen naar verwachting niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Gelet hierop bestaat geen aanleiding om voor [verzoekers sub 1] een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek voor zover verzocht door [verzoekers sub 1] dan ook reeds daarom af. De voorzieningenrechter zal hierna beoordelen of het verzoek voor zover verzocht door [verzoekers sub 2] voor toewijzing in aanmerking komt. Is sprake van overtredingen? 6. Tussen partijen is niet in geschil dat het gebruik van de percelen voor bedrijfsactiviteiten, grondverzet, grondopslag en het stallen van materieel, materiaal en voertuigen in strijd is met het omgevingsplan. 6.1. Nu [verzoekers sub 2] niet beschikt over een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor dit gebruik, heeft het college terecht aangenomen dat sprake is van overtredingen van artikel 5.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet. [verzoekers sub 2] heeft dit ook niet bestreden. Beginselplicht tot handhaving 7. Op grond van vaste rechtspraak geldt bij handhavingsbesluiten als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. Is sprake van concreet zicht op legalisatie? 8. [verzoekers sub 2] betoogt dat ten aanzien van zowel het stallen van materieel als het grondverzet en de grondopslag sprake is van concreet zicht op legalisatie, omdat hij omgevingsvergunningen hiervoor heeft aangevraagd. 8.1. [verzoekers sub 2] heeft ter zitting toegelicht dat de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het stallen van materieel is ingetrokken. Wel is op 30 december 2025 een principeverzoek bij het college neergelegd voor het stallen van materieel. Voor het grondverzet en de grondopslag is op 30 mei 2025 een omgevingsvergunning aangevraagd. Op deze aanvraag heeft het college nog niet besloten. 8.2. Nu voor het stallen van materieel geen ontvankelijke aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend, is van concreet zicht op legalisatie van dit gebruik geen sprake. 8.3. Voor het grondverzet en de grondopslag is weliswaar een ontvankelijke aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend, maar het college heeft aangegeven niet bereid te zijn om mee te werken aan vergunningverlening, omdat de aangevraagde activiteit niet past binnen de op deze locatie geplande herontwikkeling van het Middengebied naar een woongebied en omdat deze activiteiten niet ten dienste zijn van de bestemming ‘Natuur’. Uit vaste rechtspraak volgt dat voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat in beginsel het enkele feit volstaat dat het college niet bereid is om een omgevingsvergunning voor planologisch afwijkend gebruik te verlenen. De voorzieningenrechter toetst de weigering om geen planologische medewerking te verlenen slechts zeer terughoudend. De voorzieningenrechter ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat op voorhand moet worden geconcludeerd dat het door het college ingenomen standpunt rechtens onhoudbaar is en de vereiste omgevingsvergunning niet zal kunnen worden geweigerd. Daarom is ook geen sprake van concreet zicht op legalisatie met betrekking tot het grondverzet en de grondopslag. Is sprake van bijzondere omstandigheden? 9. [verzoekers sub 2] betoogt dat sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor het college van handhavend optreden had moeten afzien en dat het bestreden besluit daarom in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. 9.1. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter mocht het college een zwaarder gewicht toekennen aan het algemeen belang dat gediend is met handhaving van het planologisch kader dan aan de belangen van [verzoekers sub 2]. De voorzieningenrechter overweegt daartoe het volgende per door [verzoekers sub 2] aangevoerde omstandigheid. Uitvoering van de lasten 10. [verzoekers sub 2] voert aan dat hij momenteel niet aan de lasten onder kan voldoen omdat het college, naar aanleiding van een controle naar plastic in de opgehoogde grond, alle werkzaamheden op de percelen, inclusief het afvoeren van grond, heeft stilgelegd. 10.1. Het college heeft ter zitting toegelicht dat de lasten onder dwangsom wel degelijk uitgevoerd kunnen worden. Dat in het kader van controles in het milieuspoor is geconstateerd dat op de percelen grond is toegepast die (gedeeltelijk) verontreinigd is met plastic en dat er een bodemonderzoek wordt uitgevoerd om vast te stellen waar verontreinigde grond is toegepast, staat niet in de weg aan de uitvoering van de met het bestreden besluit opgelegde herstelmaatregelen. Het college heeft toegelicht dat de grond gewoon mag worden afgevoerd en bestrijdt de stelling van [verzoekers sub 2] dat werkzaamheden ter uitvoering van de lasten zijn stilgelegd. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft [verzoekers sub 2] dit standpunt van het college niet gemotiveerd betwist. Bovendien wijst de voorzieningenrechter op de vaste rechtspraak dat een gegeven last de vereiste toestemming om aan die last te voldoen, impliceert. Herontwikkeling 11.
Volledig
In beginsel is slechts de overtreder belanghebbende bij de oplegging van een last onder dwangsom, omdat alleen de overtreder de dwangsom kan verbeuren, maar dat sluit niet uit dat ook een ander dan de overtreder bij dat besluit belanghebbende kan zijn, als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. 5.2. Een uitsluitend van een andere betrokkene afgeleid belang voldoet echter niet aan het vereiste dat een belang rechtstreeks betrokken is bij het betreffende besluit. Een afgeleid belang kan aan de derde worden tegengeworpen als zijn belang parallel loopt aan dat van de eerstbetrokkene en zijn belang uitsluitend via een contractuele relatie met die eerstbetrokkene bij dat besluit is betrokken. Het enkele feit dat sprake is van een contractuele relatie tussen degene tot wie een besluit is gericht en een derde, zoals een huurovereenkomst, betekent niet dat het belang van die derde bij dat besluit alleen al daarom een afgeleid belang is. Onderzocht moet worden of die derde los van die contractuele relatie ook een zelfstandig eigen belang heeft bij dat besluit. 5.3. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft [verzoekers sub 1] geen zelfstandig eigen belang bij het bestreden besluit. [verzoekers sub 1] huurt de percelen en heeft met [verzoekers sub 2] in dat kader een contractuele relatie. Dat [verzoekers sub 1] gebruik maakt van de percelen en daarvoor toestemming heeft van [verzoekers sub 2], maakt [verzoekers sub 1] nog geen belanghebbende bij een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Dit belang vloeit namelijk voort uit de huurovereenkomst met [verzoekers sub 2] en loopt daarom parallel met het belang van [verzoekers sub 2]. Beiden hebben er immers belang bij dat de opgelegde lasten onder dwangsom niet in stand blijven. [verzoekers sub 1] wordt niet in een aan een zakelijk of fundamenteel recht ontleend zelfstandig belang geraakt. Het belang van [verzoekers sub 1] is om die reden een afgeleid belang, dat niet rechtstreeks bij het bestreden besluit is betrokken. Gelet hierop kan [verzoekers sub 1] naar voorlopig oordeel niet als belanghebbende worden aangemerkt bij het bestreden besluit, zodat zijn beroep daartegen naar verwachting niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Gelet hierop bestaat geen aanleiding om voor [verzoekers sub 1] een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek voor zover verzocht door [verzoekers sub 1] dan ook reeds daarom af. De voorzieningenrechter zal hierna beoordelen of het verzoek voor zover verzocht door [verzoekers sub 2] voor toewijzing in aanmerking komt. Is sprake van overtredingen? 6. Tussen partijen is niet in geschil dat het gebruik van de percelen voor bedrijfsactiviteiten, grondverzet, grondopslag en het stallen van materieel, materiaal en voertuigen in strijd is met het omgevingsplan. 6.1. Nu [verzoekers sub 2] niet beschikt over een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor dit gebruik, heeft het college terecht aangenomen dat sprake is van overtredingen van artikel 5.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet. [verzoekers sub 2] heeft dit ook niet bestreden. Beginselplicht tot handhaving 7. Op grond van vaste rechtspraak geldt bij handhavingsbesluiten als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. Is sprake van concreet zicht op legalisatie? 8. [verzoekers sub 2] betoogt dat ten aanzien van zowel het stallen van materieel als het grondverzet en de grondopslag sprake is van concreet zicht op legalisatie, omdat hij omgevingsvergunningen hiervoor heeft aangevraagd. 8.1. [verzoekers sub 2] heeft ter zitting toegelicht dat de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het stallen van materieel is ingetrokken. Wel is op 30 december 2025 een principeverzoek bij het college neergelegd voor het stallen van materieel. Voor het grondverzet en de grondopslag is op 30 mei 2025 een omgevingsvergunning aangevraagd. Op deze aanvraag heeft het college nog niet besloten. 8.2. Nu voor het stallen van materieel geen ontvankelijke aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend, is van concreet zicht op legalisatie van dit gebruik geen sprake. 8.3. Voor het grondverzet en de grondopslag is weliswaar een ontvankelijke aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend, maar het college heeft aangegeven niet bereid te zijn om mee te werken aan vergunningverlening, omdat de aangevraagde activiteit niet past binnen de op deze locatie geplande herontwikkeling van het Middengebied naar een woongebied en omdat deze activiteiten niet ten dienste zijn van de bestemming ‘Natuur’. Uit vaste rechtspraak volgt dat voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat in beginsel het enkele feit volstaat dat het college niet bereid is om een omgevingsvergunning voor planologisch afwijkend gebruik te verlenen. De voorzieningenrechter toetst de weigering om geen planologische medewerking te verlenen slechts zeer terughoudend. De voorzieningenrechter ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat op voorhand moet worden geconcludeerd dat het door het college ingenomen standpunt rechtens onhoudbaar is en de vereiste omgevingsvergunning niet zal kunnen worden geweigerd. Daarom is ook geen sprake van concreet zicht op legalisatie met betrekking tot het grondverzet en de grondopslag. Is sprake van bijzondere omstandigheden? 9. [verzoekers sub 2] betoogt dat sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor het college van handhavend optreden had moeten afzien en dat het bestreden besluit daarom in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. 9.1. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter mocht het college een zwaarder gewicht toekennen aan het algemeen belang dat gediend is met handhaving van het planologisch kader dan aan de belangen van [verzoekers sub 2]. De voorzieningenrechter overweegt daartoe het volgende per door [verzoekers sub 2] aangevoerde omstandigheid. Uitvoering van de lasten 10. [verzoekers sub 2] voert aan dat hij momenteel niet aan de lasten onder kan voldoen omdat het college, naar aanleiding van een controle naar plastic in de opgehoogde grond, alle werkzaamheden op de percelen, inclusief het afvoeren van grond, heeft stilgelegd. 10.1. Het college heeft ter zitting toegelicht dat de lasten onder dwangsom wel degelijk uitgevoerd kunnen worden. Dat in het kader van controles in het milieuspoor is geconstateerd dat op de percelen grond is toegepast die (gedeeltelijk) verontreinigd is met plastic en dat er een bodemonderzoek wordt uitgevoerd om vast te stellen waar verontreinigde grond is toegepast, staat niet in de weg aan de uitvoering van de met het bestreden besluit opgelegde herstelmaatregelen. Het college heeft toegelicht dat de grond gewoon mag worden afgevoerd en bestrijdt de stelling van [verzoekers sub 2] dat werkzaamheden ter uitvoering van de lasten zijn stilgelegd. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft [verzoekers sub 2] dit standpunt van het college niet gemotiveerd betwist. Bovendien wijst de voorzieningenrechter op de vaste rechtspraak dat een gegeven last de vereiste toestemming om aan die last te voldoen, impliceert. Herontwikkeling 11.
Volledig
Voor zover [verzoekers sub 2] aanvoert dat het college geen belang heeft bij handhavend optreden omdat de herontwikkeling van het Middengebied naar woongebied nog jaren op zich zal laten wachten, overweegt de voorzieningenrechter dat het college eerst en vooral het algemeen belang dat is gediend bij handhaving ten aanzien van de natuurbestemming van de percelen ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit. De toekomstige herontwikkeling van het Middengebied en de voortgang daarvan staan hier los van en doen aan dat belang geen afbreuk. Het college heeft de herontwikkeling van het gebied wel genoemd als een van de redenen waarom het niet bereid is over te gaan tot legalisering van het illegale gebruik van de betreffende percelen. Zoals de voorzieningenrechter reeds heeft overwogen, bestaan er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college zich niet op dit standpunt heeft mogen stellen. 11.1. [verzoekers sub 2] wijst in dit kader ook op een aangenomen motie en amendement door de gemeenteraad, waarmee is besloten dat perspectief moet worden geboden aan bewoners en bedrijven binnen het gebied van de herontwikkeling. Uit deze motie en dit amendement blijkt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet dat de gemeenteraad heeft beoogd dat bewoners en bedrijven gronden in strijd met het omgevingsplan mogen (blijven) gebruiken en dat het college daarom zou moeten afzien van handhaving. Nut voor de natuur 12. Voor zover [verzoekers sub 2] betoogt dat van handhavend optreden moet worden afgezien omdat niet duidelijk is welk nut het handhavend optreden voor de natuur heeft, overweegt de voorzieningenrechter dat het beëindigen en ongedaan maken van de illegale activiteiten ertoe leidt dat geen sprake meer is van activiteiten die niet ten dienste van de bestemming ‘Natuur’ staan. Overleg 13. [verzoekers sub 2] voert aan dat moet worden afgezien van handhavend optreden, omdat hij al lange tijd in overleg is met het college over de toekomst van de percelen. 13.1. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter maakt de enkele omstandigheid dat [verzoekers sub 2] en het college overleg voerden niet dat handhavend optreden onevenredig was. Van een toezegging dat het college niet tot handhaving over zou gaan zo lang [verzoekers sub 2] en het college nog in gesprek waren, is de voorzieningenrechter ook niet gebleken. Dienstbaarheidsbeginsel 14. Voor zover [verzoekers sub 2] wijst op het dienstbaarheidsbeginsel, dat overigens nog niet is opgenomen in de Awb, overweegt de voorzieningenrechter dat het beginsel dat een bestuursorgaan zich bij de uitoefening van zijn taak dienstbaar opstelt, niet betekent dat het college gehouden is om illegaal gebruik van percelen toe te staan en daarom niet mag overgaan tot handhavend optreden. Ook het dienstbaarheidsbeginsel is dus niet aan te merken als bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college had moeten afzien van handhaving. Duidelijkheid van de lasten 15. [verzoekers sub 2] betoogt dat de opgelegde lasten onder dwangsom ten aanzien van de opgehoogde percelen niet voldoende duidelijk zijn. Volgens [verzoekers sub 2] is het onduidelijk op welke manier de percelen naar de staat voorafgaand aan de genoemde activiteiten kunnen worden gebracht. 15.1. Het rechtszekerheidsbeginsel vereist dat een last zodanig duidelijk en concreet geformuleerd wordt dat degene tot wie de last is gericht niet in het duister hoeft te tasten over hetgeen gedaan of nagelaten moet worden om de overtreding te beëindigen. 15.2. De voorzieningenrechter volgt [verzoekers sub 2] niet in het betoog dat de lasten ten aanzien van de opgehoogde percelen onduidelijk zijn geformuleerd. [verzoekers sub 2] heeft zelf de percelen laten ophogen. Dat betekent dat ook van hem mag worden verwacht dat hij weet hoeveel grond is aangebracht en dus ook hoeveel grond er moet worden afgevoerd om aan de lasten te voldoen. Begunstigingstermijn 16. [verzoekers sub 2] betoogt dat het college de begunstigingstermijn had moeten verlengen, zodat hij de tijd heeft om aan de lasten onder dwangsom te voldoen. 16.1. Het college heeft ter zitting toegelicht niet bereid te zijn om de begunstigingstermijn (nogmaals) te verlengen. 16.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling komt aan het college bij het bepalen van de lengte van een begunstigingstermijn enige vrijheid toe. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de termijn niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. Voor de vraag of een begunstigingstermijn in redelijkheid kan worden gesteld, is slechts van belang of binnen die termijn aan de last kan worden voldaan. Het is daarbij aan degene aan wie de last is opgelegd om aannemelijk te maken dat de gegeven termijn te kort is om aan de last te voldoen. 16.3. De voorzieningenrechter overweegt dat [verzoekers sub 2] ter zitting heeft aangegeven zeker zes maanden nodig te hebben om aan de lasten ten aanzien van de opgehoogde gronden te kunnen voldoen. De begunstigingstermijn was oorspronkelijk gesteld op zes maanden. Deze begunstigingstermijn is inmiddels reeds verlengd tot meer dan tien respectievelijk veertien maanden. Naar voorlopig oordeel is [verzoekers sub 2] daarmee al meer dan voldoende tijd gegeven om de overtredingen te beëindigen. Dat geldt ook voor de lasten ten aanzien van het stallen van materiaal, materieel en voertuigen en het gebruik van de percelen voor bedrijfsactiviteiten. Voor het opheffen van die overtredingen zal immers minder tijd benodigd zijn. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om de begunstigingstermijn te verlengen. Conclusie en gevolgen 17. Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft de voorzieningenrechter de verwachting dat het bestreden besluit in de beroepsprocedure in stand zal blijven. Dat betekent dat het verzoek tot schorsing van het bestreden besluit wordt afgewezen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Klein, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2026. De voorzieningenrechter is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2237. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 31 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2525. Zie de conclusie van Advocaat-Generaal Widdershoven van 7 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3474. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1276. Meer specifiek gaat het om de op grond van de bestemmingsplannen ‘[bestemmingsplan 1]’ en ‘[bestemmingsplan 2]’, die op grond van artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet als tijdelijk deel onderdeel uitmaken van het omgevingsplan, op de percelen rustende bestemmingen 'Natuur’, 'Agrarisch' en ‘Woongebied’. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2918. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2019:4363. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2091. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1218. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2621. Voor de percelen kadastraal bekend als [kadastraal kenmerk] is de begunstigingstermijn gaan lopen met verzending van het primaire besluit. Voor [perceel 4] is de begunstigingstermijn gaan lopen met verzending van het wijzigingsbesluit.
Volledig
Voor zover [verzoekers sub 2] aanvoert dat het college geen belang heeft bij handhavend optreden omdat de herontwikkeling van het Middengebied naar woongebied nog jaren op zich zal laten wachten, overweegt de voorzieningenrechter dat het college eerst en vooral het algemeen belang dat is gediend bij handhaving ten aanzien van de natuurbestemming van de percelen ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit. De toekomstige herontwikkeling van het Middengebied en de voortgang daarvan staan hier los van en doen aan dat belang geen afbreuk. Het college heeft de herontwikkeling van het gebied wel genoemd als een van de redenen waarom het niet bereid is over te gaan tot legalisering van het illegale gebruik van de betreffende percelen. Zoals de voorzieningenrechter reeds heeft overwogen, bestaan er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college zich niet op dit standpunt heeft mogen stellen. 11.1. [verzoekers sub 2] wijst in dit kader ook op een aangenomen motie en amendement door de gemeenteraad, waarmee is besloten dat perspectief moet worden geboden aan bewoners en bedrijven binnen het gebied van de herontwikkeling. Uit deze motie en dit amendement blijkt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet dat de gemeenteraad heeft beoogd dat bewoners en bedrijven gronden in strijd met het omgevingsplan mogen (blijven) gebruiken en dat het college daarom zou moeten afzien van handhaving. Nut voor de natuur 12. Voor zover [verzoekers sub 2] betoogt dat van handhavend optreden moet worden afgezien omdat niet duidelijk is welk nut het handhavend optreden voor de natuur heeft, overweegt de voorzieningenrechter dat het beëindigen en ongedaan maken van de illegale activiteiten ertoe leidt dat geen sprake meer is van activiteiten die niet ten dienste van de bestemming ‘Natuur’ staan. Overleg 13. [verzoekers sub 2] voert aan dat moet worden afgezien van handhavend optreden, omdat hij al lange tijd in overleg is met het college over de toekomst van de percelen. 13.1. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter maakt de enkele omstandigheid dat [verzoekers sub 2] en het college overleg voerden niet dat handhavend optreden onevenredig was. Van een toezegging dat het college niet tot handhaving over zou gaan zo lang [verzoekers sub 2] en het college nog in gesprek waren, is de voorzieningenrechter ook niet gebleken. Dienstbaarheidsbeginsel 14. Voor zover [verzoekers sub 2] wijst op het dienstbaarheidsbeginsel, dat overigens nog niet is opgenomen in de Awb, overweegt de voorzieningenrechter dat het beginsel dat een bestuursorgaan zich bij de uitoefening van zijn taak dienstbaar opstelt, niet betekent dat het college gehouden is om illegaal gebruik van percelen toe te staan en daarom niet mag overgaan tot handhavend optreden. Ook het dienstbaarheidsbeginsel is dus niet aan te merken als bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college had moeten afzien van handhaving. Duidelijkheid van de lasten 15. [verzoekers sub 2] betoogt dat de opgelegde lasten onder dwangsom ten aanzien van de opgehoogde percelen niet voldoende duidelijk zijn. Volgens [verzoekers sub 2] is het onduidelijk op welke manier de percelen naar de staat voorafgaand aan de genoemde activiteiten kunnen worden gebracht. 15.1. Het rechtszekerheidsbeginsel vereist dat een last zodanig duidelijk en concreet geformuleerd wordt dat degene tot wie de last is gericht niet in het duister hoeft te tasten over hetgeen gedaan of nagelaten moet worden om de overtreding te beëindigen. 15.2. De voorzieningenrechter volgt [verzoekers sub 2] niet in het betoog dat de lasten ten aanzien van de opgehoogde percelen onduidelijk zijn geformuleerd. [verzoekers sub 2] heeft zelf de percelen laten ophogen. Dat betekent dat ook van hem mag worden verwacht dat hij weet hoeveel grond is aangebracht en dus ook hoeveel grond er moet worden afgevoerd om aan de lasten te voldoen. Begunstigingstermijn 16. [verzoekers sub 2] betoogt dat het college de begunstigingstermijn had moeten verlengen, zodat hij de tijd heeft om aan de lasten onder dwangsom te voldoen. 16.1. Het college heeft ter zitting toegelicht niet bereid te zijn om de begunstigingstermijn (nogmaals) te verlengen. 16.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling komt aan het college bij het bepalen van de lengte van een begunstigingstermijn enige vrijheid toe. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de termijn niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. Voor de vraag of een begunstigingstermijn in redelijkheid kan worden gesteld, is slechts van belang of binnen die termijn aan de last kan worden voldaan. Het is daarbij aan degene aan wie de last is opgelegd om aannemelijk te maken dat de gegeven termijn te kort is om aan de last te voldoen. 16.3. De voorzieningenrechter overweegt dat [verzoekers sub 2] ter zitting heeft aangegeven zeker zes maanden nodig te hebben om aan de lasten ten aanzien van de opgehoogde gronden te kunnen voldoen. De begunstigingstermijn was oorspronkelijk gesteld op zes maanden. Deze begunstigingstermijn is inmiddels reeds verlengd tot meer dan tien respectievelijk veertien maanden. Naar voorlopig oordeel is [verzoekers sub 2] daarmee al meer dan voldoende tijd gegeven om de overtredingen te beëindigen. Dat geldt ook voor de lasten ten aanzien van het stallen van materiaal, materieel en voertuigen en het gebruik van de percelen voor bedrijfsactiviteiten. Voor het opheffen van die overtredingen zal immers minder tijd benodigd zijn. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om de begunstigingstermijn te verlengen. Conclusie en gevolgen 17. Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft de voorzieningenrechter de verwachting dat het bestreden besluit in de beroepsprocedure in stand zal blijven. Dat betekent dat het verzoek tot schorsing van het bestreden besluit wordt afgewezen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Klein, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2026. De voorzieningenrechter is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2237. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 31 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2525. Zie de conclusie van Advocaat-Generaal Widdershoven van 7 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3474. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1276. Meer specifiek gaat het om de op grond van de bestemmingsplannen ‘[bestemmingsplan 1]’ en ‘[bestemmingsplan 2]’, die op grond van artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet als tijdelijk deel onderdeel uitmaken van het omgevingsplan, op de percelen rustende bestemmingen 'Natuur’, 'Agrarisch' en ‘Woongebied’. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2918. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2019:4363. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2091. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1218. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2621. Voor de percelen kadastraal bekend als [kadastraal kenmerk] is de begunstigingstermijn gaan lopen met verzending van het primaire besluit. Voor [perceel 4] is de begunstigingstermijn gaan lopen met verzending van het wijzigingsbesluit.