Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-22
ECLI:NL:RBDHA:2026:9705
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,081 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9705 text/xml public 2026-04-29T11:43:18 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-22 NL26.18742 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9705 text/html public 2026-04-22T16:39:55 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9705 Rechtbank Den Haag , 22-04-2026 / NL26.18742 Maatregel van bewaring 59b. Maatregel inmiddels opgeheven vanwege omzetting van grondslag n.a.v. intrekken asielaanvraag. Gronden niet betwist en in beginsel voldoende om de maatregel te kunnen dragen. De minister heeft geen aanleiding hoeven zien voor toepassing van een lichter middel gelet op de niet bestreden omstandigheden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL26.18742 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser (gemachtigde: mr. V. Senczuk), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. J.P.M. Wuite). Procesverloop Bij besluit van 30 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De minister heeft op 8 april 2026 de maatregel van bewaring opgeheven. De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Essebai. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2002. 2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. 3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk was met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser. De minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gronden in beginsel voldoende om de maatregel te kunnen dragen. 5. Eiser voert aan dat de minister voorafgaande aan de opheffing van de bewaring had moeten volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht en een plaatsing op het Azc. Eiser heeft immers uitgelegd dat de reden dat hij zich eerder niet aan de hem opgelegde meldplicht heeft gehouden is gelegen in het feit dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij dit later nog kon herstellen en dat hij daarom een bezoek aan zijn zus kon brengen. Eiser heeft daarnaast in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling verklaard dat hij niet gaat vluchten en dat hij zich niet zal onttrekken aan het toezicht als hij naar Ter Apel kan om asiel aan te vragen. 6. Bij de beantwoording van de vraag of de minister met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende en minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich, gelet op de niet bestreden omstandigheden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende en minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De minister heeft hierbij kunnen betrekken dat eiser eind februari 2026 met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij op 10 maart 2026 niet is verschenen op een gehoor bij de IND. Eiser heeft zich hierdoor niet beschikbaar gehouden voor de behandeling van zijn eerdere asielaanvraag en is in plaats daarvan naar zijn zus in Frankrijk gegaan. Deze beroepsgrond slaagt niet. 7. Ook ambtshalve ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot aan de opheffing daarvan op enig moment onrechtmatig is geweest. 8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Eerde, rechter, in aanwezigheid van F.E. Siblesz, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Zie bijv. ECLI:EU:C:2022:858 en ECLI:EU:C:2025:647 en ECLI:EU:C:2026:148.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9705 text/xml public 2026-04-29T11:43:18 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-22 NL26.18742 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9705 text/html public 2026-04-22T16:39:55 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9705 Rechtbank Den Haag , 22-04-2026 / NL26.18742 Maatregel van bewaring 59b. Maatregel inmiddels opgeheven vanwege omzetting van grondslag n.a.v. intrekken asielaanvraag. Gronden niet betwist en in beginsel voldoende om de maatregel te kunnen dragen. De minister heeft geen aanleiding hoeven zien voor toepassing van een lichter middel gelet op de niet bestreden omstandigheden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL26.18742 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser (gemachtigde: mr. V. Senczuk), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. J.P.M. Wuite). Procesverloop Bij besluit van 30 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De minister heeft op 8 april 2026 de maatregel van bewaring opgeheven. De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Essebai. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2002. 2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. 3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk was met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser. De minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gronden in beginsel voldoende om de maatregel te kunnen dragen. 5. Eiser voert aan dat de minister voorafgaande aan de opheffing van de bewaring had moeten volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht en een plaatsing op het Azc. Eiser heeft immers uitgelegd dat de reden dat hij zich eerder niet aan de hem opgelegde meldplicht heeft gehouden is gelegen in het feit dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij dit later nog kon herstellen en dat hij daarom een bezoek aan zijn zus kon brengen. Eiser heeft daarnaast in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling verklaard dat hij niet gaat vluchten en dat hij zich niet zal onttrekken aan het toezicht als hij naar Ter Apel kan om asiel aan te vragen. 6. Bij de beantwoording van de vraag of de minister met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende en minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich, gelet op de niet bestreden omstandigheden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende en minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De minister heeft hierbij kunnen betrekken dat eiser eind februari 2026 met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij op 10 maart 2026 niet is verschenen op een gehoor bij de IND. Eiser heeft zich hierdoor niet beschikbaar gehouden voor de behandeling van zijn eerdere asielaanvraag en is in plaats daarvan naar zijn zus in Frankrijk gegaan. Deze beroepsgrond slaagt niet. 7. Ook ambtshalve ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot aan de opheffing daarvan op enig moment onrechtmatig is geweest. 8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Eerde, rechter, in aanwezigheid van F.E. Siblesz, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Zie bijv. ECLI:EU:C:2022:858 en ECLI:EU:C:2025:647 en ECLI:EU:C:2026:148.