Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-20
ECLI:NL:RBDHA:2026:9696
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Mondelinge uitspraak
3,894 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9696 text/xml public 2026-05-04T09:30:19 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-20 SGR 26/2926 Uitspraak Mondelinge uitspraak Proces-verbaal Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9696 text/html public 2026-04-30T12:07:46 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9696 Rechtbank Den Haag , 20-04-2026 / SGR 26/2926 Mondelinge uitspraak; verleende omgevingsvergunning voor een dakopbouw op een woning; belangenafweging; ordemaatregel opgeheven; verzoek afgewezen RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 26/2926 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 april 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk (gemachtigden: mr. T.C. Slinger en mr. I. Ruitenbeek). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [woonplaats] , vergunninghouder (gemachtigde: M.M. Breukers). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de verleende omgevingsvergunning voor de bouw van een dakopbouw op de woning [adres] . 1.1. Met het besluit van 22 mei 2025 (het primaire besluit) heeft het college deze gevraagde omgevingsvergunning verleend. 1.2. Met het bestreden besluit van 18 september 2025 op het bezwaar van verzoeker is het college bij het primaire besluit gebleven. 1.3. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. 1.4. Deze rechtbank heeft in de tussenuitspraak van 4 februari 2026 het college in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen. In deze tussenuitspraak is overwogen dat het bestreden besluit, gelet op het ontbreken van een beoordeling van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en de onvoldoende beoordeling van de schaduwwerking van de dakopbouw, in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en niet berust op een draagkrachtige motivering. 1.5. Omdat vergunninghouder na deze tussenuitspraak is begonnen met het uitvoeren van werkzaamheden, heeft verzoeker op 7 april 2026 de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 1.6. Op 8 april 2026 heeft de voorzieningenrechter een ordemaatregel getroffen in die zin dat van de omgevingsvergunning geen gebruik mag worden gemaakt totdat op het verzoek om een voorlopige voorziening is beslist. 1.7. Verzoeker heeft nadere stukken overgelegd. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Ook vergunninghouder heeft gereageerd. 1.8. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 20 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigden van het college, vergunninghouder en de gemachtigde van vergunninghouder, vergezeld door [naam] . 1.9. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. De voorzieningenrechter heft de bij wijze van ordemaatregel getroffen voorlopige voorziening in deze uitspraak op en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen daarmee alsnog af . Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 3. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het college naar aanleiding van de tussenuitspraak van deze rechtbank van 4 februari 2026 een aanvullende motivering heeft gegeven en dat verzoeker en vergunninghouder daarop hebben gereageerd. Naar verwachting zal de rechtbank daarom in die zaak over zes weken uitspraak doen. Gelet hierop ligt het niet in de rede om een voorlopig rechtmatigheidsoordeel te geven over de verleende omgevingsvergunning. De voorzieningenrechter zal daarom uitsluitend aan de hand van een belangenafweging beoordelen of hij de getroffen ordemaatregel zal handhaven, wijzigen of opheffen. 4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van vergunninghouder bij uitvoering van de omgevingsvergunning op dit moment zwaarder weegt dan het belang van verzoeker bij het stilleggen van de werkzaamheden. De voorzieningenrechter betrekt daarbij dat de hoofdregel is dat een omgevingsvergunning in werking treedt op het moment dat hij wordt verleend en niet geschorst wordt in afwachting van een uitspraak van de bestuursrechter. De voorzieningenrechter betrekt daarbij ook dat naar verwachting binnen ongeveer zes weken uitspraak zal worden gedaan in de bodemprocedure. 5. Eventuele schaduwhinder die verzoeker in zijn tuin kan ondervinden, leidt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet tot het oordeel dat voldoende belang bestaat bij schorsing van de verleende omgevingsvergunning, omdat de genoemde schaduwhinder geen onomkeerbaar gevolg is van de bouw van de dakopbouw. De door verzoeker gevreesde schaduwhinder op zijn zonnepanelen, is geen actueel belang dat kan leiden tot schorsing van de verleende omgevingsvergunning, omdat verzoeker deze zonnepanelen op dit moment nog niet heeft. 6. Dat vergunninghouder na de tussenuitspraak van 4 februari 2026 is begonnen met het uitvoeren van werkzaamheden is bovendien niet in strijd met de wet- en regelgeving. De omgevingsvergunning was op dat moment immers in werking en niet geschorst. 7. De overige aspecten die verzoeker heeft genoemd, zoals de afwerking van de zijgevel, zijn alternatieve voorstel en het volgens verzoeker tekortschietende participatietraject, zijn reeds in de tussenuitspraak van 4 februari 2026 aan de orde gekomen. In de regel zal de rechtbank daar niet van terugkomen. De voorzieningenrechter ziet daarom ook daarin geen reden tot schorsing van de verleende omgevingsvergunning. 8. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de hoofdregel dat een verleende omgevingsvergunning gedurende een beroepsprocedure niet geschorst is, weer moet gelden. Het belang van vergunninghouder om de werkzaamheden te kunnen voortzetten weegt namelijk zwaarder dan het belang van verzoeker bij schorsing van de verleende omgevingsvergunning. Dat betekent overigens wel dat vergunninghouder op eigen risico uitvoering geeft aan de verleende omgevingsvergunning. Deze uitspraak zegt immers niets over de inhoud van de verleende omgevingsvergunning en heeft daarmee ook geen voorspellende waarde over de uitkomst van de bodemprocedure. Conclusie en gevolgen 9. De voorzieningenrechter heft de bij wijze van ordemaatregel getroffen voorlopige voorziening op en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen daarmee alsnog af . Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding. 10. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat. Beslissing De voorzieningenrechter heft de bij wijze van ordemaatregel getroffen voorlopige voorziening op en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen daarmee alsnog af. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026 door mr. A.J. van der Ven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Klein, griffier. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1700.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9696 text/xml public 2026-05-04T09:30:19 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-20 SGR 26/2926 Uitspraak Mondelinge uitspraak Proces-verbaal Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9696 text/html public 2026-04-30T12:07:46 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9696 Rechtbank Den Haag , 20-04-2026 / SGR 26/2926 Mondelinge uitspraak; verleende omgevingsvergunning voor een dakopbouw op een woning; belangenafweging; ordemaatregel opgeheven; verzoek afgewezen RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 26/2926 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 april 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk (gemachtigden: mr. T.C. Slinger en mr. I. Ruitenbeek). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [woonplaats] , vergunninghouder (gemachtigde: M.M. Breukers). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de verleende omgevingsvergunning voor de bouw van een dakopbouw op de woning [adres] . 1.1. Met het besluit van 22 mei 2025 (het primaire besluit) heeft het college deze gevraagde omgevingsvergunning verleend. 1.2. Met het bestreden besluit van 18 september 2025 op het bezwaar van verzoeker is het college bij het primaire besluit gebleven. 1.3. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. 1.4. Deze rechtbank heeft in de tussenuitspraak van 4 februari 2026 het college in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen. In deze tussenuitspraak is overwogen dat het bestreden besluit, gelet op het ontbreken van een beoordeling van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en de onvoldoende beoordeling van de schaduwwerking van de dakopbouw, in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en niet berust op een draagkrachtige motivering. 1.5. Omdat vergunninghouder na deze tussenuitspraak is begonnen met het uitvoeren van werkzaamheden, heeft verzoeker op 7 april 2026 de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 1.6. Op 8 april 2026 heeft de voorzieningenrechter een ordemaatregel getroffen in die zin dat van de omgevingsvergunning geen gebruik mag worden gemaakt totdat op het verzoek om een voorlopige voorziening is beslist. 1.7. Verzoeker heeft nadere stukken overgelegd. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Ook vergunninghouder heeft gereageerd. 1.8. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 20 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigden van het college, vergunninghouder en de gemachtigde van vergunninghouder, vergezeld door [naam] . 1.9. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. De voorzieningenrechter heft de bij wijze van ordemaatregel getroffen voorlopige voorziening in deze uitspraak op en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen daarmee alsnog af . Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 3. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het college naar aanleiding van de tussenuitspraak van deze rechtbank van 4 februari 2026 een aanvullende motivering heeft gegeven en dat verzoeker en vergunninghouder daarop hebben gereageerd. Naar verwachting zal de rechtbank daarom in die zaak over zes weken uitspraak doen. Gelet hierop ligt het niet in de rede om een voorlopig rechtmatigheidsoordeel te geven over de verleende omgevingsvergunning. De voorzieningenrechter zal daarom uitsluitend aan de hand van een belangenafweging beoordelen of hij de getroffen ordemaatregel zal handhaven, wijzigen of opheffen. 4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van vergunninghouder bij uitvoering van de omgevingsvergunning op dit moment zwaarder weegt dan het belang van verzoeker bij het stilleggen van de werkzaamheden. De voorzieningenrechter betrekt daarbij dat de hoofdregel is dat een omgevingsvergunning in werking treedt op het moment dat hij wordt verleend en niet geschorst wordt in afwachting van een uitspraak van de bestuursrechter. De voorzieningenrechter betrekt daarbij ook dat naar verwachting binnen ongeveer zes weken uitspraak zal worden gedaan in de bodemprocedure. 5. Eventuele schaduwhinder die verzoeker in zijn tuin kan ondervinden, leidt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet tot het oordeel dat voldoende belang bestaat bij schorsing van de verleende omgevingsvergunning, omdat de genoemde schaduwhinder geen onomkeerbaar gevolg is van de bouw van de dakopbouw. De door verzoeker gevreesde schaduwhinder op zijn zonnepanelen, is geen actueel belang dat kan leiden tot schorsing van de verleende omgevingsvergunning, omdat verzoeker deze zonnepanelen op dit moment nog niet heeft. 6. Dat vergunninghouder na de tussenuitspraak van 4 februari 2026 is begonnen met het uitvoeren van werkzaamheden is bovendien niet in strijd met de wet- en regelgeving. De omgevingsvergunning was op dat moment immers in werking en niet geschorst. 7. De overige aspecten die verzoeker heeft genoemd, zoals de afwerking van de zijgevel, zijn alternatieve voorstel en het volgens verzoeker tekortschietende participatietraject, zijn reeds in de tussenuitspraak van 4 februari 2026 aan de orde gekomen. In de regel zal de rechtbank daar niet van terugkomen. De voorzieningenrechter ziet daarom ook daarin geen reden tot schorsing van de verleende omgevingsvergunning. 8. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de hoofdregel dat een verleende omgevingsvergunning gedurende een beroepsprocedure niet geschorst is, weer moet gelden. Het belang van vergunninghouder om de werkzaamheden te kunnen voortzetten weegt namelijk zwaarder dan het belang van verzoeker bij schorsing van de verleende omgevingsvergunning. Dat betekent overigens wel dat vergunninghouder op eigen risico uitvoering geeft aan de verleende omgevingsvergunning. Deze uitspraak zegt immers niets over de inhoud van de verleende omgevingsvergunning en heeft daarmee ook geen voorspellende waarde over de uitkomst van de bodemprocedure. Conclusie en gevolgen 9. De voorzieningenrechter heft de bij wijze van ordemaatregel getroffen voorlopige voorziening op en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen daarmee alsnog af . Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding. 10. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat. Beslissing De voorzieningenrechter heft de bij wijze van ordemaatregel getroffen voorlopige voorziening op en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen daarmee alsnog af. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026 door mr. A.J. van der Ven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Klein, griffier. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1700.