Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-14
ECLI:NL:RBDHA:2026:9695
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Mondelinge uitspraak
3,073 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9695 text/xml public 2026-04-30T11:57:15 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-14 SGR 26/2881 Uitspraak Mondelinge uitspraak Proces-verbaal Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9695 text/html public 2026-04-30T11:56:42 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9695 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / SGR 26/2881 Mondelinge uitspraak; aanbouw op de woning; gebonden beschikking; privacy; voorlopige voorziening afgewezen RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 26/2881 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 april 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer, het college (gemachtigde: mr. C.T. Kreffer). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [woonplaats] , vergunninghouder. Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker met betrekking tot een omgevingsvergunning voor het realiseren van een aanbouw bij de woning aan de [adres] . 1.1. Met het bestreden besluit van 4 maart 2026 heeft het college deze omgevingsvergunning verleend aan vergunninghouder. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 1.2. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 14 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, vergezeld door [naam 1] , de gemachtigde van het college en vergunninghouder, vergezeld door [naam 2] . 1.4. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 3. Verzoeker heeft ter zitting toegelicht dat hij voornamelijk vreest dat hij door de aanbouw geen privacy meer zal hebben in zijn tuin, woonkamer en slaapkamer. 4. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de omgevingsvergunning terecht en op goede gronden is verleend, nu de aanbouw niet in strijd is met de voorschriften uit het geldende omgevingsplan en voldoet aan de redelijke eisen van welstand. 5. De aangevraagde omgevingsvergunning ziet op de omgevingsplanactiviteit “bouwen”. Als een bouwplan voldoet aan de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld, mag een dergelijke omgevingsvergunning niet worden geweigerd . Er is in dat geval sprake van een zogenoemde gebonden beschikking. Het college heeft dan geen ruimte om de belangen die voor of tegen het verlenen van de omgevingsvergunning pleiten – waaronder de belangen die verzoeker in deze procedure naar voren heeft gebracht – tegen elkaar af te wegen. 6. De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het bouwplan voldoet aan de bouw- en gebruiksregels van het bestemmingsplan “Oosterheem/Zegwaartseweg-Noord”. De aanbouw is bedoeld om in te wonen en past daarmee binnen de bestemming ‘Wonen-1’, er wordt gebouwd binnen het bouwvlak en de maximale bouwhoogte van 15 meter wordt niet overschreden. Evenmin is in geschil dat de aanbouw voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Het bouwplan voldoet daarmee aan de eisen die artikel 22.29 van het omgevingsplan stelt voor het verlenen van de omgevingsvergunning. Dit betekent – gelet op artikel 8.0a, eerste lid van het Bkl dat het college de omgevingsvergunning in dit geval naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht heeft verleend. 7. Het betoog van verzoeker met betrekking tot de aantasting van zijn privacy kan in het licht van het voorgaande niet leiden tot een ander oordeel. De beoordeling van de gevolgen van de op grond van het bestemmingsplan toegestane activiteiten voor omwonenden – zoals privacy – heeft al plaatsgevonden in het kader van de vaststelling van het omgevingsplan, waaraan het bouwplan voldoet, en kunnen dus niet meer aan de orde komen in het kader van de vergunningverlening. Alleen wanneer het bouwplan niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan – en er dus moet worden afgeweken van de regels van het omgevingsplan – is er ruimte voor het college om de gevolgen van het bouwplan voor omwonenden te betrekken bij de beoordeling. Nu vaststaat dat daarvan geen sprake is, heeft dit tot gevolg dat de bezwaren van verzoeker, die op de gevolgen van het bouwplan voor zijn leefomgeving en privacy zien, terecht door het college niet betrokken zijn bij de verlening van de vergunning. 8. Er is daarom geen grond om deze vergunning bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen. Conclusie en gevolgen 9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de vergunning niet wordt geschorst en dat vergunninghouder – op eigen risico – mag beginnen met de bouwactiviteiten. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 10. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2026 door mr. R.H. Smits, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Klein, griffier. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Dit volgt uit artikel 8.0a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) Dat op grond van artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, gelezen in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als tijdelijk deel onderdeel uitmaakt van het omgevingsplan.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9695 text/xml public 2026-04-30T11:57:15 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-14 SGR 26/2881 Uitspraak Mondelinge uitspraak Proces-verbaal Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9695 text/html public 2026-04-30T11:56:42 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9695 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / SGR 26/2881 Mondelinge uitspraak; aanbouw op de woning; gebonden beschikking; privacy; voorlopige voorziening afgewezen RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 26/2881 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 april 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer, het college (gemachtigde: mr. C.T. Kreffer). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [woonplaats] , vergunninghouder. Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker met betrekking tot een omgevingsvergunning voor het realiseren van een aanbouw bij de woning aan de [adres] . 1.1. Met het bestreden besluit van 4 maart 2026 heeft het college deze omgevingsvergunning verleend aan vergunninghouder. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 1.2. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 14 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, vergezeld door [naam 1] , de gemachtigde van het college en vergunninghouder, vergezeld door [naam 2] . 1.4. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 3. Verzoeker heeft ter zitting toegelicht dat hij voornamelijk vreest dat hij door de aanbouw geen privacy meer zal hebben in zijn tuin, woonkamer en slaapkamer. 4. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de omgevingsvergunning terecht en op goede gronden is verleend, nu de aanbouw niet in strijd is met de voorschriften uit het geldende omgevingsplan en voldoet aan de redelijke eisen van welstand. 5. De aangevraagde omgevingsvergunning ziet op de omgevingsplanactiviteit “bouwen”. Als een bouwplan voldoet aan de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld, mag een dergelijke omgevingsvergunning niet worden geweigerd . Er is in dat geval sprake van een zogenoemde gebonden beschikking. Het college heeft dan geen ruimte om de belangen die voor of tegen het verlenen van de omgevingsvergunning pleiten – waaronder de belangen die verzoeker in deze procedure naar voren heeft gebracht – tegen elkaar af te wegen. 6. De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het bouwplan voldoet aan de bouw- en gebruiksregels van het bestemmingsplan “Oosterheem/Zegwaartseweg-Noord”. De aanbouw is bedoeld om in te wonen en past daarmee binnen de bestemming ‘Wonen-1’, er wordt gebouwd binnen het bouwvlak en de maximale bouwhoogte van 15 meter wordt niet overschreden. Evenmin is in geschil dat de aanbouw voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Het bouwplan voldoet daarmee aan de eisen die artikel 22.29 van het omgevingsplan stelt voor het verlenen van de omgevingsvergunning. Dit betekent – gelet op artikel 8.0a, eerste lid van het Bkl dat het college de omgevingsvergunning in dit geval naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht heeft verleend. 7. Het betoog van verzoeker met betrekking tot de aantasting van zijn privacy kan in het licht van het voorgaande niet leiden tot een ander oordeel. De beoordeling van de gevolgen van de op grond van het bestemmingsplan toegestane activiteiten voor omwonenden – zoals privacy – heeft al plaatsgevonden in het kader van de vaststelling van het omgevingsplan, waaraan het bouwplan voldoet, en kunnen dus niet meer aan de orde komen in het kader van de vergunningverlening. Alleen wanneer het bouwplan niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan – en er dus moet worden afgeweken van de regels van het omgevingsplan – is er ruimte voor het college om de gevolgen van het bouwplan voor omwonenden te betrekken bij de beoordeling. Nu vaststaat dat daarvan geen sprake is, heeft dit tot gevolg dat de bezwaren van verzoeker, die op de gevolgen van het bouwplan voor zijn leefomgeving en privacy zien, terecht door het college niet betrokken zijn bij de verlening van de vergunning. 8. Er is daarom geen grond om deze vergunning bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen. Conclusie en gevolgen 9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de vergunning niet wordt geschorst en dat vergunninghouder – op eigen risico – mag beginnen met de bouwactiviteiten. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 10. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2026 door mr. R.H. Smits, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Klein, griffier. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Dit volgt uit artikel 8.0a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) Dat op grond van artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, gelezen in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als tijdelijk deel onderdeel uitmaakt van het omgevingsplan.