Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-27
ECLI:NL:RBDHA:2026:9694
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,068 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9694 text/xml public 2026-04-30T12:09:45 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-27 SGR 24/5165 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9694 text/html public 2026-04-30T12:09:22 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9694 Rechtbank Den Haag , 27-03-2026 / SGR 24/5165 Verleende ontheffing voor het opzettelijk verstoren van de gewone dwergvleermuis en het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis; 3.8, eerste lid van de Wet natuurbescherming (Wnb); essentiële vliegroute; mitigerende maatregelen; de Verordening Natuurherstel 2024; beroep ongegrond RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 24/5165 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2026 in de zaak tussen Commissie Leefomgeving VvE [vereniging] , uit [plaats] , eiseres en het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, (gemachtigde: mr. A. van Duijkeren). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Amvest Development Real Estate B.V. uit Amsterdam, ontheffinghoudster (gemachtigden: mr. E. Haverkamp en mr. N. Lange). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen het besluit van het college om een ontheffing te verlenen voor het opzettelijk verstoren van de gewone dwergvleermuis en het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis. Eiseres is het niet eens met de verleende ontheffing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende ontheffing. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de ontheffing mocht verlenen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Op 17 maart 2023 heeft de rechtsvoorganger van ontheffinghoudster een ontheffing als bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb) aangevraagd voor het opzettelijk verstoren van de gewone dwergvleermuis alsmede het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis. 2.1. Met het besluit van 13 september 2023 (het primaire besluit) heeft het college de gevraagde ontheffing verleend. 2.2. Met het bestreden besluit van 30 april 2024 op het bezwaar van eiseres is het college, onder aanvulling van de motivering en toevoeging van voorschriften, bij verlening van de ontheffing gebleven. 2.3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op 13 februari 2026 op zitting behandeld. Namens eiseres zijn [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , en [naam 5] verschenen. Het college heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [naam 6] en [naam 7] . De gemachtigden van ontheffinghoudster zijn verschenen, vergezeld door [naam 8] . Beoordeling door de rechtbank Overgangsrecht Omgevingswet 3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet, de Invoeringswet Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om ontheffing op grond van de Wnb is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. 3.1. De aanvraag om een ontheffing is ingediend op 17 maart 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wnb, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Feiten en omstandigheden 4. Aan de [adres 1] te Leidschendam bevindt zich een leegstaand kantoorgebouw. Ontheffinghoudster is voornemens om dit bestaande kantoorgebouw te slopen en het aanwezige groen te verwijderen ten behoeve van een nieuwbouwproject, bestaande uit 147 huurwoningen, waarvan 30% in het sociale segment, een commerciële ruimte en een gastenhuis met 20 zorgeenheden voor intramurale zorg met een beheerdersappartement. Bovendien is ontheffinghoudster voornemens het verwijderde groen terug te planten. Voor deze werkzaamheden is een ontheffing, zoals bedoeld in artikel 3.8, eerste lid van de Wnb nodig, omdat deze werkzaamheden de verbodsbepalingen van artikel 3.5, tweede lid, van de Wnb voor wat betreft het opzettelijk verstoren van de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) en artikel 3.5, vierde lid, van de Wnb voor wat betreft het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis overtreden. Het college heeft de gevraagde ontheffing verleend. Eiseres maakt zich zorgen over de gevolgen van de verleende ontheffing en heeft daarom beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Juridisch kader 5. De gewone dwergvleermuis is aan te merken als een in het wild levend dier van een soort die genoemd wordt in bijlage IV, onderdeel a, van de Habitatrichtlijn. Ingevolge het bepaalde in artikel 3.5, tweede en vierde lid, van de Wnb is het verboden om deze vleermuis opzettelijk te verstoren, dan wel de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze vleermuis te beschadigen of te vernielen. 5.1. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Wnb kan het college ontheffing verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in de artikelen 3.5 en 3.6, tweede lid, ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. 5.2. Ingevolge artikel 3.8, vijfde lid, van de Wnb wordt een ontheffing uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: er bestaat geen andere bevredigende oplossing; zij is nodig: 1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economischer aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of 5. om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betroken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voorbestaan. Is de verleende ontheffing onvolledig? 6. Eiseres betoogt dat de verleende ontheffing onvolledig is, omdat een aanvraag voor meerdere activiteiten, zoals voor een ontheffing voor artikel 3.5, tweede lid en vierde lid, van de Wnb – en meer specifiek voor het aantasten van de essentiële vliegroute van de gewone dwergvleermuis – ontbreekt en dat reeds daarom een nieuwe ontheffing moet worden aangevraagd. 6.1. Ter zitting is door het college toegelicht dat op 17 maart 2023 een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, van de Wnb is binnengekomen voor de verbodsbepalingen van artikel 3.5, tweede en vierde lid, van de Wnb. Volgens het college blijkt uit het bij de aanvraag aangeleverde document ‘Projectplan [adres 1] te Leidschendam’ van 13 februari 2023 (het projectplan) dat de aanvraag betrekking heeft op het gehele plangebied.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9694 text/xml public 2026-04-30T12:09:45 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-27 SGR 24/5165 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9694 text/html public 2026-04-30T12:09:22 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9694 Rechtbank Den Haag , 27-03-2026 / SGR 24/5165 Verleende ontheffing voor het opzettelijk verstoren van de gewone dwergvleermuis en het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis; 3.8, eerste lid van de Wet natuurbescherming (Wnb); essentiële vliegroute; mitigerende maatregelen; de Verordening Natuurherstel 2024; beroep ongegrond RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 24/5165 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2026 in de zaak tussen Commissie Leefomgeving VvE [vereniging] , uit [plaats] , eiseres en het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, (gemachtigde: mr. A. van Duijkeren). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Amvest Development Real Estate B.V. uit Amsterdam, ontheffinghoudster (gemachtigden: mr. E. Haverkamp en mr. N. Lange). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen het besluit van het college om een ontheffing te verlenen voor het opzettelijk verstoren van de gewone dwergvleermuis en het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis. Eiseres is het niet eens met de verleende ontheffing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende ontheffing. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de ontheffing mocht verlenen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Op 17 maart 2023 heeft de rechtsvoorganger van ontheffinghoudster een ontheffing als bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb) aangevraagd voor het opzettelijk verstoren van de gewone dwergvleermuis alsmede het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis. 2.1. Met het besluit van 13 september 2023 (het primaire besluit) heeft het college de gevraagde ontheffing verleend. 2.2. Met het bestreden besluit van 30 april 2024 op het bezwaar van eiseres is het college, onder aanvulling van de motivering en toevoeging van voorschriften, bij verlening van de ontheffing gebleven. 2.3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op 13 februari 2026 op zitting behandeld. Namens eiseres zijn [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , en [naam 5] verschenen. Het college heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [naam 6] en [naam 7] . De gemachtigden van ontheffinghoudster zijn verschenen, vergezeld door [naam 8] . Beoordeling door de rechtbank Overgangsrecht Omgevingswet 3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet, de Invoeringswet Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om ontheffing op grond van de Wnb is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. 3.1. De aanvraag om een ontheffing is ingediend op 17 maart 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wnb, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Feiten en omstandigheden 4. Aan de [adres 1] te Leidschendam bevindt zich een leegstaand kantoorgebouw. Ontheffinghoudster is voornemens om dit bestaande kantoorgebouw te slopen en het aanwezige groen te verwijderen ten behoeve van een nieuwbouwproject, bestaande uit 147 huurwoningen, waarvan 30% in het sociale segment, een commerciële ruimte en een gastenhuis met 20 zorgeenheden voor intramurale zorg met een beheerdersappartement. Bovendien is ontheffinghoudster voornemens het verwijderde groen terug te planten. Voor deze werkzaamheden is een ontheffing, zoals bedoeld in artikel 3.8, eerste lid van de Wnb nodig, omdat deze werkzaamheden de verbodsbepalingen van artikel 3.5, tweede lid, van de Wnb voor wat betreft het opzettelijk verstoren van de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) en artikel 3.5, vierde lid, van de Wnb voor wat betreft het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis overtreden. Het college heeft de gevraagde ontheffing verleend. Eiseres maakt zich zorgen over de gevolgen van de verleende ontheffing en heeft daarom beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Juridisch kader 5. De gewone dwergvleermuis is aan te merken als een in het wild levend dier van een soort die genoemd wordt in bijlage IV, onderdeel a, van de Habitatrichtlijn. Ingevolge het bepaalde in artikel 3.5, tweede en vierde lid, van de Wnb is het verboden om deze vleermuis opzettelijk te verstoren, dan wel de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze vleermuis te beschadigen of te vernielen. 5.1. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Wnb kan het college ontheffing verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in de artikelen 3.5 en 3.6, tweede lid, ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. 5.2. Ingevolge artikel 3.8, vijfde lid, van de Wnb wordt een ontheffing uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: er bestaat geen andere bevredigende oplossing; zij is nodig: 1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economischer aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of 5. om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betroken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voorbestaan. Is de verleende ontheffing onvolledig? 6. Eiseres betoogt dat de verleende ontheffing onvolledig is, omdat een aanvraag voor meerdere activiteiten, zoals voor een ontheffing voor artikel 3.5, tweede lid en vierde lid, van de Wnb – en meer specifiek voor het aantasten van de essentiële vliegroute van de gewone dwergvleermuis – ontbreekt en dat reeds daarom een nieuwe ontheffing moet worden aangevraagd. 6.1. Ter zitting is door het college toegelicht dat op 17 maart 2023 een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, van de Wnb is binnengekomen voor de verbodsbepalingen van artikel 3.5, tweede en vierde lid, van de Wnb. Volgens het college blijkt uit het bij de aanvraag aangeleverde document ‘Projectplan [adres 1] te Leidschendam’ van 13 februari 2023 (het projectplan) dat de aanvraag betrekking heeft op het gehele plangebied.
Volledig
De rechtbank volgt de aldus toegelichte reikwijdte van de aanvraag en stelt op basis daarvan vast dat niet alleen een ontheffing is gevraagd en verleend voor het verstoren van de gewone dwergvleermuis en het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis ter plaatse van het te slopen kantoorgebouw, maar dat de aanvraag ziet op het plangebied als geheel. Hangende de bezwaarprocedure heeft het college onderkend dat het project invloed heeft op de essentiële vliegroute van de gewone dwergvleermuis. In dat licht is de essentiële vliegroute nader beoordeeld in het Addendum vliegroute van Eelerwoude van 10 januari 2024 (Addendum vliegroute). Het bestreden besluit is mede daarop gebaseerd. 6.2. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat een nieuwe aanvraag nodig is vanwege de geconstateerde invloed van het project op de essentiële vliegroute van de gewone dwergvleermuis. Naar het oordeel van de rechtbank stelt het college zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt dat het met het verlenen van de ontheffing niet buiten de grondslag van de aanvraag is getreden, omdat het projectplan ten grondslag ligt aan de aanvraag. In dat licht volgt de rechtbank het college in het standpunt dat de aanvraag mede betrekking heeft op de gevolgen voor de essentiële vliegroute van de gewone dwergvleermuis, zodat het geconstateerde gebrek met betrekking tot de beoordeling van de essentiële vliegroute met het bestreden besluit hersteld kon worden en dus geen nieuwe aanvraag benodigd is. Het betoog slaagt niet. Zijn de gevolgen van het project voldoende onderzocht? 7. Voor zover eiseres betoogt dat het college de ontheffing ten onrechte heeft verleend, omdat uit het Soortgericht onderzoek van Aqua-Terra Nova B.V. van 28 december 2021 (het Soortgericht onderzoek) blijkt dat ook de Ruige dwergvleermuis, de Rosse vleermuis, de Laatvlieger en de Watervleermuis in het plangebied zijn waargenomen, overweegt de rechtbank dat de verleende ontheffing niet ziet op andere beschermde soorten. Reeds daarom volgt de rechtbank het college in het standpunt dat de mogelijke aanwezigheid van andere vleermuissoorten binnen het plangebied niet maakt dat sprake is van een gebrek aan het bestreden besluit. Gelet op de omvang van de gevraagde ontheffing is het onderzoek ten behoeve van het bestreden besluit terecht enkel gericht op de gevolgen van het project voor de gewone dwergvleermuis. Daarbij overweegt de rechtbank ten overvloede dat met de verleende ontheffing geen toestemming wordt verleend om andere beschermde diersoorten te verstoren. 7.1. De rechtbank ziet verder in de door eiseres overgelegde e-mail van 31 januari 2024 van één van de opstellers van het Soortgericht onderzoek geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het onderzoek onvolledig is geweest, omdat enkel het vleermuisvrij maken van het kantoorgebouw zou zijn onderzocht. Uit het Soortgericht onderzoek, waaronder uit figuur 4.2, blijkt immers dat het onderzoek niet enkel gericht was op het te slopen kantoorgebouw. Het betoog slaagt niet. Essentiële vliegroute 8. Eiseres betoogt dat het college onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de aantasting van de vastgestelde efficiënte vliegroute van de gewone dwergvleermuis. Eiseres voert hiertoe aan dat de vastgestelde essentiële vliegroutes zullen verdwijnen door de bouw van een school aan de [adres 2] en door het verdwijnen van de watergang ten noorden. 8.1. De rechtbank overweegt dat de nieuwe ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied ten tijde van het bestreden besluit niet vaststonden, zodat deze ontwikkelingen niet bij de beoordeling van de vliegroutes betrokken hoefden te worden. Bovendien is ter zitting toegelicht dat deze ontwikkelingen in de omgeving niet zonder meer met zich brengen dat de vastgestelde efficiënte vliegroute onherstelbaar wordt aangetast. 8.2. Voor zover eiseres ter zitting heeft aangevoerd dat het wenselijk is dat alle ontwikkelingen met betrekking tot alle vleermuizen in de omgeving in samenhang worden beoordeeld, overweegt de rechtbank – nog daargelaten of dat praktisch mogelijk zou zijn – dat elke nieuwe ontwikkeling op zichzelf getoetst wordt. Bovendien geldt er een monitoringsverplichting voor het nu in geding zijnde project, zodat rekening kan worden gehouden met onvoorziene omstandigheden. 8.3. Voor zover eiseres betoogt dat het Addendum vliegroute niet aan het bestreden besluit ten grondslag kan liggen, omdat dit niet volgens het voorgeschreven Vleermuisprotocol tot stand is gekomen, slaagt dit niet. De rechtbank overweegt daartoe allereerst dat het Vleermuisprotocol een hulpmiddel is bij het doen van onderzoek naar het belang van gebieden voor een vleermuissoort, waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken. Verder hebben het college en de ontheffinghoudster toegelicht dat het Addendum vliegroute is opgesteld conform de meest actuele inzichten uit het Vleermuisprotocol. Daartegenover heeft eiseres niet concreet gemaakt aan welke punten van het Vleermuisprotocol niet zou zijn voldaan. 8.4. In het licht van het voorgaande bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de gevolgen voor de essentiële vliegroute van de gewone dwergvleermuis onvoldoende in kaart zijn gebracht bij het nemen van het bestreden besluit. Het betoog slaagt niet. Mitigerende maatregelen 9. Eiseres betoogt dat niet kan worden voldaan aan de voorgeschreven voorwaarden van de ontheffing, zoals de mitigerende maatregelen, omdat daarvoor dan geen bomen meer beschikbaar zijn. 9.1. Dit betoog slaat niet. Het college stelt zich terecht op het standpunt dat in het Addendum vliegroute rekening is gehouden met de bomenkap bij het vaststellen van de mitigerende maatregelen. Uit het Addendum Vliegroute blijkt verder dat niet alle bomen en struiken zullen worden aangetast. Daarbij strekken de aan de ontheffing verbonden voorschriften 13 tot en met 15 ook tot bescherming van de essentiële vliegroute. Zo is bijvoorbeeld de aanplant van bomen en struiken als voorschrift 14, onder b, als verplichting opgenomen. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet concreet gemaakt waarom het plangebied door de bomenkap niet langer beschikbaar zou zijn voor de gewone dwergvleermuis. Het betoog slaagt niet. De Verordening Natuurherstel 2024 10. Voor zover eiseres betoogt dat het bestreden besluit in strijd is genomen met de Europese Verordening inzake natuurherstel (Verordening (EU) 2024/1991), omdat nergens in het land de natuur nog achteruit mag gaan ten opzichte van 2024, overweegt de rechtbank dat deze Verordening pas na het bestreden besluit in werking is getreden. Bovendien heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet concreet gemaakt dat het bestreden besluit in strijd is met deze Verordening. Het enkel noemen van het landelijk natuurbelang is onvoldoende voor het oordeel dat specifiek dit bestreden besluit onzorgvuldig is genomen. Het betoog slaagt niet. Conclusie en gevolgen 11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Klein, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledig
De rechtbank volgt de aldus toegelichte reikwijdte van de aanvraag en stelt op basis daarvan vast dat niet alleen een ontheffing is gevraagd en verleend voor het verstoren van de gewone dwergvleermuis en het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis ter plaatse van het te slopen kantoorgebouw, maar dat de aanvraag ziet op het plangebied als geheel. Hangende de bezwaarprocedure heeft het college onderkend dat het project invloed heeft op de essentiële vliegroute van de gewone dwergvleermuis. In dat licht is de essentiële vliegroute nader beoordeeld in het Addendum vliegroute van Eelerwoude van 10 januari 2024 (Addendum vliegroute). Het bestreden besluit is mede daarop gebaseerd. 6.2. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat een nieuwe aanvraag nodig is vanwege de geconstateerde invloed van het project op de essentiële vliegroute van de gewone dwergvleermuis. Naar het oordeel van de rechtbank stelt het college zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt dat het met het verlenen van de ontheffing niet buiten de grondslag van de aanvraag is getreden, omdat het projectplan ten grondslag ligt aan de aanvraag. In dat licht volgt de rechtbank het college in het standpunt dat de aanvraag mede betrekking heeft op de gevolgen voor de essentiële vliegroute van de gewone dwergvleermuis, zodat het geconstateerde gebrek met betrekking tot de beoordeling van de essentiële vliegroute met het bestreden besluit hersteld kon worden en dus geen nieuwe aanvraag benodigd is. Het betoog slaagt niet. Zijn de gevolgen van het project voldoende onderzocht? 7. Voor zover eiseres betoogt dat het college de ontheffing ten onrechte heeft verleend, omdat uit het Soortgericht onderzoek van Aqua-Terra Nova B.V. van 28 december 2021 (het Soortgericht onderzoek) blijkt dat ook de Ruige dwergvleermuis, de Rosse vleermuis, de Laatvlieger en de Watervleermuis in het plangebied zijn waargenomen, overweegt de rechtbank dat de verleende ontheffing niet ziet op andere beschermde soorten. Reeds daarom volgt de rechtbank het college in het standpunt dat de mogelijke aanwezigheid van andere vleermuissoorten binnen het plangebied niet maakt dat sprake is van een gebrek aan het bestreden besluit. Gelet op de omvang van de gevraagde ontheffing is het onderzoek ten behoeve van het bestreden besluit terecht enkel gericht op de gevolgen van het project voor de gewone dwergvleermuis. Daarbij overweegt de rechtbank ten overvloede dat met de verleende ontheffing geen toestemming wordt verleend om andere beschermde diersoorten te verstoren. 7.1. De rechtbank ziet verder in de door eiseres overgelegde e-mail van 31 januari 2024 van één van de opstellers van het Soortgericht onderzoek geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het onderzoek onvolledig is geweest, omdat enkel het vleermuisvrij maken van het kantoorgebouw zou zijn onderzocht. Uit het Soortgericht onderzoek, waaronder uit figuur 4.2, blijkt immers dat het onderzoek niet enkel gericht was op het te slopen kantoorgebouw. Het betoog slaagt niet. Essentiële vliegroute 8. Eiseres betoogt dat het college onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de aantasting van de vastgestelde efficiënte vliegroute van de gewone dwergvleermuis. Eiseres voert hiertoe aan dat de vastgestelde essentiële vliegroutes zullen verdwijnen door de bouw van een school aan de [adres 2] en door het verdwijnen van de watergang ten noorden. 8.1. De rechtbank overweegt dat de nieuwe ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied ten tijde van het bestreden besluit niet vaststonden, zodat deze ontwikkelingen niet bij de beoordeling van de vliegroutes betrokken hoefden te worden. Bovendien is ter zitting toegelicht dat deze ontwikkelingen in de omgeving niet zonder meer met zich brengen dat de vastgestelde efficiënte vliegroute onherstelbaar wordt aangetast. 8.2. Voor zover eiseres ter zitting heeft aangevoerd dat het wenselijk is dat alle ontwikkelingen met betrekking tot alle vleermuizen in de omgeving in samenhang worden beoordeeld, overweegt de rechtbank – nog daargelaten of dat praktisch mogelijk zou zijn – dat elke nieuwe ontwikkeling op zichzelf getoetst wordt. Bovendien geldt er een monitoringsverplichting voor het nu in geding zijnde project, zodat rekening kan worden gehouden met onvoorziene omstandigheden. 8.3. Voor zover eiseres betoogt dat het Addendum vliegroute niet aan het bestreden besluit ten grondslag kan liggen, omdat dit niet volgens het voorgeschreven Vleermuisprotocol tot stand is gekomen, slaagt dit niet. De rechtbank overweegt daartoe allereerst dat het Vleermuisprotocol een hulpmiddel is bij het doen van onderzoek naar het belang van gebieden voor een vleermuissoort, waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken. Verder hebben het college en de ontheffinghoudster toegelicht dat het Addendum vliegroute is opgesteld conform de meest actuele inzichten uit het Vleermuisprotocol. Daartegenover heeft eiseres niet concreet gemaakt aan welke punten van het Vleermuisprotocol niet zou zijn voldaan. 8.4. In het licht van het voorgaande bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de gevolgen voor de essentiële vliegroute van de gewone dwergvleermuis onvoldoende in kaart zijn gebracht bij het nemen van het bestreden besluit. Het betoog slaagt niet. Mitigerende maatregelen 9. Eiseres betoogt dat niet kan worden voldaan aan de voorgeschreven voorwaarden van de ontheffing, zoals de mitigerende maatregelen, omdat daarvoor dan geen bomen meer beschikbaar zijn. 9.1. Dit betoog slaat niet. Het college stelt zich terecht op het standpunt dat in het Addendum vliegroute rekening is gehouden met de bomenkap bij het vaststellen van de mitigerende maatregelen. Uit het Addendum Vliegroute blijkt verder dat niet alle bomen en struiken zullen worden aangetast. Daarbij strekken de aan de ontheffing verbonden voorschriften 13 tot en met 15 ook tot bescherming van de essentiële vliegroute. Zo is bijvoorbeeld de aanplant van bomen en struiken als voorschrift 14, onder b, als verplichting opgenomen. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet concreet gemaakt waarom het plangebied door de bomenkap niet langer beschikbaar zou zijn voor de gewone dwergvleermuis. Het betoog slaagt niet. De Verordening Natuurherstel 2024 10. Voor zover eiseres betoogt dat het bestreden besluit in strijd is genomen met de Europese Verordening inzake natuurherstel (Verordening (EU) 2024/1991), omdat nergens in het land de natuur nog achteruit mag gaan ten opzichte van 2024, overweegt de rechtbank dat deze Verordening pas na het bestreden besluit in werking is getreden. Bovendien heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet concreet gemaakt dat het bestreden besluit in strijd is met deze Verordening. Het enkel noemen van het landelijk natuurbelang is onvoldoende voor het oordeel dat specifiek dit bestreden besluit onzorgvuldig is genomen. Het betoog slaagt niet. Conclusie en gevolgen 11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Klein, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.