Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-21
ECLI:NL:RBDHA:2026:9634
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
26,077 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9634 text/xml public 2026-04-29T12:32:16 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-21 09-223282-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Op tegenspraak NL Den Haag Strafrecht; Materieel strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9634 text/html public 2026-04-29T12:31:43 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9634 Rechtbank Den Haag , 21-04-2026 / 09-223282-25 Mishandeling en gekwalificeerde opzetverkrachting van levensgezel. Oplegging gevangenisstraf 36 maanden waarvan 12 voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en bijzondere voorwaarden, waaronder een contactverbod met het slachtoffer en ambulante behandeling. Gedeeltelijke toewijzing schadevergoeding. Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummer: 09/223282-25 Datum uitspraak: 21 april 2026 Tegenspraak De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [de verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1998 te [geboorteplaats 1] , op dit moment gedetineerd in de PI [plaats] , locatie [locatie] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 25 november 2025, 10 februari 2026 (beide pro forma) en 7 april 2026 (inhoudelijke behandeling). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Briejer en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. N.W.A. Dekens naar voren is gebracht. 2 De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: 1 hij op of omstreeks 14 augustus 2025 te Gouda, althans in Nederland, met een persoon, te weten [aangeefster] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten - het meermalen althans een maal brengen en/of heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [aangeefster] , terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangeefster] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door - die [aangeefster] (met kracht) bij de kaak beet te pakken en/of - het t-shirt van die [aangeefster] (met kracht) vast te pakken en/of kapot te trekken en/of - de onderbroek van die [aangeefster] uit te trekken en/of - tegen die [aangeefster] te zeggen dat hij haar in stukken zal maken en zal begraven, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking - tegen die [aangeefster] (op dwingende toon) te zeggen dat zij zich moest omdraaien op haar kniëen, waarop [aangeefster] antwoordde dat dat niet ging vanwege haar nek en hij, verdachte, vervolgens tegen die [aangeefster] zei "pak maar een kussen" subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 14 augustus 2025 te Gouda, althans in Nederland, met een persoon, te weten [aangeefster] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten - die [aangeefster] (met kracht) bij de kaak beet te pakken en/of - het t-shirt van die [aangeefster] (met kracht) vast te pakken en/of kapot te trekken en/of - de onderbroek van die [aangeefster] uit te trekken en/of - tegen die [aangeefster] te zeggen dat hij haar in stukken zal maken en zal begraven, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking - tegen die [aangeefster] (op dwingende toon) te zeggen dat zij zich moest omdraaien op haar kniëen, waarop [aangeefster] antwoordde dat dat niet ging vanwege haar nek en hij, verdachte, vervolgens tegen die [aangeefster] zei "pak maar een kussen" terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [aangeefster] daartoe de wil ontbrak 2 hij op of omstreeks 10 juli 2025 te Gouda, althans in Nederland, [aangeefster] , heeft mishandeld, door die [aangeefster] - (met kracht) meermalen, althans een maal, in het gezicht en/of op de hand, althans het lichaam, te slaan en/of stompen en/of - (nadat die [aangeefster] op de grond lag) (met kracht) tegen het hoofd, althans het lichaam te schoppen, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel 3 hij op of omstreeks 10 juli 2025 en/of 14 augustus 2025 te Gouda, althans in Nederland, [aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [aangeefster] dreigend de woorden toe te voegen "Het kan een week, een maand of een jaar duren, maar los komen zal ik en dan zal ik een pistool en kogels kopen en niet alleen jou, maar ook je kinderen om het leven brengen," en/of "als je aangifte doet, dan hak ik je in stukken en ga ik je begraven." althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking 3 De bewijsbeslissing 3.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair en onder 2 en 3 tenlastegelegde. 3.2. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van het onder 1 primair en onder 3 tenlastegelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot het onder 1 subsidiair en onder 2 tenlastegelegde op het standpunt gesteld dat dit (gedeeltelijk) kan worden bewezen verklaard. 3.3. Vrijspraak feit 3: bedreiging De rechtbank is met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen. Volgens het tweede lid van artikel 342 Sv – dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan – kan het bewijs dat een verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de verklaring van één getuige met betrekking tot de feiten en omstandigheden op zichzelf staat en onvoldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal. Op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting is onvoldoende steunbewijs voorhanden om te komen tot een bewezenverklaring van de bedreiging. Dit blijkt immers enkel uit de verklaring van de aangeefster. De rechtbank zal de verdachte derhalve vrijspreken van het onder 3 tenlastegelegde. 3.4. Gebruikte bewijsmiddelen Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025274288, onderzoek 15SALZBURG / DHRBC25057, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 198). 1. Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] , opgemaakt op 14 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 20-28): Plaats delict: Pretoriaplein, Gouda Pleegdatum/tijd: 14 augustus 2025 om 01:18 uur V: Kan je ons vertellen van begin tot het eind wat er gister is gebeurd? A: Ik ben met mijn zus naar de zonnebank geweest. Dit heb ik voor hem verzwegen. Omdat ik dat voor hem verzwegen heb heeft hij mij geslagen mijn shirt kapot getrokken. Hij heeft mij ook met een vaatdoek geslagen in mijn gezicht. Ik kon alleen maar zeggen pas op voor mijn nek. Hij zei toen kom mee naar zolder een peuk roken. Dit heb ik toen gedaan. Ik durfde niks te zeggen omdat hij anders weer de deur op slot zou doen en dan kon ik nergens meer heen. Dit heeft hij 10 juli ook gedaan en toen had hij ook mijn telefoon afgepakt. V: 10 juli ben je bij de politie geweest? A: Nee toen ben ik op de spoedeisende hulp beland. Dit was de eerste keer dat hij mij sloeg met zijn vuisten en dat hij mij ook schopte. V: Even terug naar gister. Je zei ik kwam terug van mijn zus en verzwegen dat je bij de zonnebank bent geweest. En toen? A: Ik dacht dat hij relaxt was. Ik wilde gaan douchen.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9634 text/xml public 2026-04-29T12:32:16 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-21 09-223282-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Op tegenspraak NL Den Haag Strafrecht; Materieel strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9634 text/html public 2026-04-29T12:31:43 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9634 Rechtbank Den Haag , 21-04-2026 / 09-223282-25 Mishandeling en gekwalificeerde opzetverkrachting van levensgezel. Oplegging gevangenisstraf 36 maanden waarvan 12 voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en bijzondere voorwaarden, waaronder een contactverbod met het slachtoffer en ambulante behandeling. Gedeeltelijke toewijzing schadevergoeding. Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummer: 09/223282-25 Datum uitspraak: 21 april 2026 Tegenspraak De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [de verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1998 te [geboorteplaats 1] , op dit moment gedetineerd in de PI [plaats] , locatie [locatie] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 25 november 2025, 10 februari 2026 (beide pro forma) en 7 april 2026 (inhoudelijke behandeling). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Briejer en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. N.W.A. Dekens naar voren is gebracht. 2 De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: 1 hij op of omstreeks 14 augustus 2025 te Gouda, althans in Nederland, met een persoon, te weten [aangeefster] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten - het meermalen althans een maal brengen en/of heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [aangeefster] , terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangeefster] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door - die [aangeefster] (met kracht) bij de kaak beet te pakken en/of - het t-shirt van die [aangeefster] (met kracht) vast te pakken en/of kapot te trekken en/of - de onderbroek van die [aangeefster] uit te trekken en/of - tegen die [aangeefster] te zeggen dat hij haar in stukken zal maken en zal begraven, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking - tegen die [aangeefster] (op dwingende toon) te zeggen dat zij zich moest omdraaien op haar kniëen, waarop [aangeefster] antwoordde dat dat niet ging vanwege haar nek en hij, verdachte, vervolgens tegen die [aangeefster] zei "pak maar een kussen" subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 14 augustus 2025 te Gouda, althans in Nederland, met een persoon, te weten [aangeefster] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten - die [aangeefster] (met kracht) bij de kaak beet te pakken en/of - het t-shirt van die [aangeefster] (met kracht) vast te pakken en/of kapot te trekken en/of - de onderbroek van die [aangeefster] uit te trekken en/of - tegen die [aangeefster] te zeggen dat hij haar in stukken zal maken en zal begraven, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking - tegen die [aangeefster] (op dwingende toon) te zeggen dat zij zich moest omdraaien op haar kniëen, waarop [aangeefster] antwoordde dat dat niet ging vanwege haar nek en hij, verdachte, vervolgens tegen die [aangeefster] zei "pak maar een kussen" terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [aangeefster] daartoe de wil ontbrak 2 hij op of omstreeks 10 juli 2025 te Gouda, althans in Nederland, [aangeefster] , heeft mishandeld, door die [aangeefster] - (met kracht) meermalen, althans een maal, in het gezicht en/of op de hand, althans het lichaam, te slaan en/of stompen en/of - (nadat die [aangeefster] op de grond lag) (met kracht) tegen het hoofd, althans het lichaam te schoppen, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel 3 hij op of omstreeks 10 juli 2025 en/of 14 augustus 2025 te Gouda, althans in Nederland, [aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [aangeefster] dreigend de woorden toe te voegen "Het kan een week, een maand of een jaar duren, maar los komen zal ik en dan zal ik een pistool en kogels kopen en niet alleen jou, maar ook je kinderen om het leven brengen," en/of "als je aangifte doet, dan hak ik je in stukken en ga ik je begraven." althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking 3 De bewijsbeslissing 3.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair en onder 2 en 3 tenlastegelegde. 3.2. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van het onder 1 primair en onder 3 tenlastegelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot het onder 1 subsidiair en onder 2 tenlastegelegde op het standpunt gesteld dat dit (gedeeltelijk) kan worden bewezen verklaard. 3.3. Vrijspraak feit 3: bedreiging De rechtbank is met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen. Volgens het tweede lid van artikel 342 Sv – dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan – kan het bewijs dat een verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de verklaring van één getuige met betrekking tot de feiten en omstandigheden op zichzelf staat en onvoldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal. Op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting is onvoldoende steunbewijs voorhanden om te komen tot een bewezenverklaring van de bedreiging. Dit blijkt immers enkel uit de verklaring van de aangeefster. De rechtbank zal de verdachte derhalve vrijspreken van het onder 3 tenlastegelegde. 3.4. Gebruikte bewijsmiddelen Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025274288, onderzoek 15SALZBURG / DHRBC25057, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 198). 1. Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] , opgemaakt op 14 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 20-28): Plaats delict: Pretoriaplein, Gouda Pleegdatum/tijd: 14 augustus 2025 om 01:18 uur V: Kan je ons vertellen van begin tot het eind wat er gister is gebeurd? A: Ik ben met mijn zus naar de zonnebank geweest. Dit heb ik voor hem verzwegen. Omdat ik dat voor hem verzwegen heb heeft hij mij geslagen mijn shirt kapot getrokken. Hij heeft mij ook met een vaatdoek geslagen in mijn gezicht. Ik kon alleen maar zeggen pas op voor mijn nek. Hij zei toen kom mee naar zolder een peuk roken. Dit heb ik toen gedaan. Ik durfde niks te zeggen omdat hij anders weer de deur op slot zou doen en dan kon ik nergens meer heen. Dit heeft hij 10 juli ook gedaan en toen had hij ook mijn telefoon afgepakt. V: 10 juli ben je bij de politie geweest? A: Nee toen ben ik op de spoedeisende hulp beland. Dit was de eerste keer dat hij mij sloeg met zijn vuisten en dat hij mij ook schopte. V: Even terug naar gister. Je zei ik kwam terug van mijn zus en verzwegen dat je bij de zonnebank bent geweest. En toen? A: Ik dacht dat hij relaxt was. Ik wilde gaan douchen.
Volledig
Hij kwam toen binnen in de slaapkamer. Hij zag dat ik rood was, doordat ik verbrand was. Ik zei het is door de zon buiten. V: Hoe was jouw kleding op dat moment? A: Ik had een wit t-shirt aan en een blauwe onderbroek. V: En toen? A: Toen kwam hij op mij af. Hij pakte mijn t-shirt en gaf er een ruk aan. Mijn t-shirt scheurde een beetje hierna gaf hij er weer een ruk aan en trok hem van mijn lijf. Toen heeft die mijn gezicht beet gepakt met één hand. Hij zei toen: "als je dit al verzwijgt zoiets kleins voor me wat dan nog meer”. Ik kreeg vervolgens een klap in mijn gezicht. Ik heb hem twee keer gezegd pas op voor mijn nek. Ik mag mijn nekkraag af met douchen en in bed. Hij vroeg aan mij waarom ik dat niet gezegd had. Ik had gezegd na 10 juli ben ik gewoon bang geworden voor je. O: ik zie jou met 1 hand je kaak vastpakken. Waar was zijn hand toen hij jou sloeg? A: Die was toen weer weg. V: Hoe reageerde hij daar op? A: Niet het boeide hem niet. V: Heeft hij toen nog wat gezegd? A: Nee. Hij heeft glijmiddel gepakt uit het nachtkastje en vervolgens mijn onderbroek naar beneden getrokken en zijn geslachtsdeel in mij gestopt. Ik moest op mijn knieën gaan zitten en moest maar een kussen pakken voor mijn nek. Als ik nee zeg dan word hij dubbel agressief. V: Je gaf aan hij stopte zijn geslachtsdeel in mij, hoe ging dat precies? A: Hij had mij geslagen, mijn shirt kapot getrokken. Toen deed hij alsof er niks aan de hand was maar hij was opeens opgewonden. Ik lag met mijn rug naar het slaapkamer raam. Hij liep om mij heen en pakte de glijmiddel. Hij smeerde zijn penis er mee in. Ik durfde niet te kijken. Hij trok mijn onderbroek uit en stopte zijn penis in mijn vagina. Ik lag op dit moment op het bed. V: Hoe lag je op dat moment? A: Ik lag eerst op mijn zei. Ik moest daarna op mijn knieën zitten. V: Wat zei hij precies? A: Dat ik op mijn knieën moest gaan zitten. Dit deed ik maar. V: Wat had jij gezegd? A: Pas op; op mijn nek want die is nog aan het herstellen één verkeerde beweging en dan heb ik een dwarslaesie, ik heb een nekwervel gebroken en dat is gevaarlijk. Dit is gebeurd op 10 juli door die mishandeling. Ik moest van hem maar een kussen er onder doen. A: Ik durfde niks te zeggen ook niet in het ziekenhuis omdat hij bij mij bleef. Ik heb tegen mijn familie gezegd dat ik in de tuin gevallen was. Hij weet ook waar mijn kinderen wonen. V: Kan je ons vertellen wat er 10 juli gebeurd is? A: ik vroeg hem of hij niet moest omkleden. Voordat ik het wist had ik een stom tegen mijn gezicht. Dit gebeurde met zijn vuist. Mijn bril viel op het aanrecht. Hij is door blijven slaan. Ik heb toen mijn gezicht beschermd en mijn hand zat onder de blauwe plekken en ik had een blauwe plek op mijn rechterelleboog . V: Wat had je in je gezicht? A: Bloeduitstorting en schaafwonden bij mijn linkeroog. Toen ik op de eerste hulp lag is er een neuroloog bij gekomen en een orthopeed. V: Waar sloeg hij op door? A: Op mijn hoofd. V: Hoe sloeg hij op je hoofd? A: Met zijn vuisten. Ik heb me afgeweerd en daarna ben ik op de grond gevallen. V: En toen? A: Toen kreeg ik een trap in mijn gezicht met zijn pantoffel aan. Hij heeft me toen opgepakt en kreeg in een cool pack in mijn gezicht en mijn hand moest ik onder de kraan doen anders zou het blauw worden. V: Wat was jou letsel? A: Een scheurtje in mijn 7de wervel in mijn nek en kneuzingen. Ik heb gips gekregen om mijn hand te ontlasten omdat hij zo blauw was en dik V: Even terug naar gister, op welke manier was er toen seks? A: Zonder geweld. Hij moest aan zijn trekken komen. Ik denk dat hij een kick kreeg toen hij mij geslagen heeft en dat hij daardoor seks wilde. Een soort macht. Hoe kan je behoefte hebben aan seks als je net iemand mishandeld hebt. V: Hoe stopte de seks? A: Hij is klaargekomen en ging van mij af. V: Waar is hij klaargekomen? A: In mijn vagina. V: Hoe laat was dit? A: In de avond/ nacht ik weet de tijd niet precies. A: Ik ben in bed gebleven tot hij diep sliep, dit hoor ik aan zijn ademhaling. Ik deed alsof ik ging plassen hier reageerde hij niet op en ben ik naar beneden gegaan en heb ik mijn spullen gepakt en ben ik gevlucht. Ik heb wel overgegeven in de poort. Ik belde mijn schoonzus zijn jullie wakker maak de poort open, hij heeft me weer mishandeld. Mijn broer is toen mij tegemoet komen lopen. Hij vroeg waar ik liep dat vertelde ik hem en hij is toen naar mij gelopen. Ik rende in mijn ondergoed en mijn t-shirt met mijn broek in mijn handen naar mijn broer. 2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 15 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 17-18): Op donderdag 14 augustus 2025 kwamen wij omstreeks 01.25 uur, ter plaatse op de [adres] In de woning zag ik, verbalisant [verbalisant 1] , een vrouw zitten die hoog in haar emotie zat. Deze vrouw werd later bekend als: * [aangeefster] geboren op [geboortedatum 2] 1977 * Ik zag dat [aangeefster] aan het huilen was. Ik zag dat [aangeefster] helemaal rood was in haar gezicht. Ik vroeg aan [aangeefster] , wat er was gebeurd. De vrouw vertelde dat haar partner haar weer had mishandeld. De partner later bekend als: * [de verdachte] geboren op [geboortedatum 1] 1998 * Ik hoorde dat [aangeefster] zei dat [de verdachte] dit toen deed. Zonder de wil van [aangeefster] penetreerde [de verdachte] haar totdat hij ejaculeerde. Dit volledig tegen de wil van [aangeefster] in. Ik hoorde dat [aangeefster] zei dat [de verdachte] zelfs glijmiddel moest pakken omdat het anders niet lukte. Ik, verbalisant [verbalisant 1] , zag dat [aangeefster] tijdens dat ze dit verhaal uitlegde moest overgeven. Dit deed [aangeefster] omdat zij hoog in haar emoties zat. Ik zag dat [aangeefster] tijdens het braken in tranen uitbarstte. 3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 22 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 153-154): Op 14 augustus 2025, kwam ik, verbalisant [verbalisant 2] , om 01:27 uur aan op het [adres] . Aldaar trof ik [aangeefster] geboren op [geboortedatum 2] 1977 te [geboorteplaats 2] . Ik hoorde dat [aangeefster] zei dat zij door haar vriend die later bekend bleek als - [de verdachte] geboren op [geboortedatum 1] 1998 te [geboorteplaats 1] , verkracht zou zijn. Ik zag dat [aangeefster] hevig aan het huilen was en dat zij hierbij heel erg beefde. Ik zag dat [aangeefster] op de bank in de woonkamer zat in de woning van haar broer op de [adres] . Ik hoorde dat [aangeefster] hoog in haar emotie zat, ik zag dat zij aan het hyperventileren was en hierdoor moeite had met spreken. Ik hoorde dat [aangeefster] zei dat zij vijf weken geleden zou zijn mishandeld door [de verdachte] . Ik hoorde dat [aangeefster] zei dat [de verdachte] haar bleef slaan en dat dit toen ook bleef doorgaan toen ook al op de grond terecht was gekomen. Ik hoorde dat [aangeefster] zei dat zij hierna was vervoerd naar het ziekenhuis in Gouda en dat zij geen aangifte durfde te doen tegen [de verdachte] omdat hij haar steeds in de gaten bleef houden tijdens het bezoek aan de spoed eisende hulp. Ik zag dat [aangeefster] moest overgeven toen zij dit verhaal vertelde en dat dit tijdens het gehele gesprek ook door bleef gaan 6. Het geschrift, te weten de Ontslagbrief Spoedeisende Hulp namens mevrouw dr. [naam] – gastrointestinaal chirurg, opgemaakt op 11 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 98-100): mevrouw [aangeefster] (V), [geboortedatum 2] 1977 Bovengenoemde patiënt zag ik op 10-07-2025 op de Spoedeisende Hulp. Conclusie 1.TC 2. Fractuur corpus en processus spinosus C7 3. Zwelling en pijn bij handrug rechts zonder evidente fracturen dd contusie 7. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 7 april 2026, voor zover inhoudende: U, voorzitter, vraagt mij wat er op 10 juli 2025 is gebeurd. Ik loop naar [aangeefster] toe. Ze vraagt of ik me niet moest omkleden. Ik vroeg aan haar of zij zich ook niet moest omkleden, omdat we er slordig uitzagen. Ik was geïrriteerd omdat ik had verloren tijdens het gamen. Ik kwam niet meer goed uit mijn woorden. Toen ben ik haar gaan slaan op de linker kant van haar oog met de buitenkant van mijn hand. Ik ben haar gaan slaan, ze zakte naar de grond toe, omdat ze zich aan het verdedigen was met haar hand. Daar heb ik toen op geslagen.
Volledig
Hij kwam toen binnen in de slaapkamer. Hij zag dat ik rood was, doordat ik verbrand was. Ik zei het is door de zon buiten. V: Hoe was jouw kleding op dat moment? A: Ik had een wit t-shirt aan en een blauwe onderbroek. V: En toen? A: Toen kwam hij op mij af. Hij pakte mijn t-shirt en gaf er een ruk aan. Mijn t-shirt scheurde een beetje hierna gaf hij er weer een ruk aan en trok hem van mijn lijf. Toen heeft die mijn gezicht beet gepakt met één hand. Hij zei toen: "als je dit al verzwijgt zoiets kleins voor me wat dan nog meer”. Ik kreeg vervolgens een klap in mijn gezicht. Ik heb hem twee keer gezegd pas op voor mijn nek. Ik mag mijn nekkraag af met douchen en in bed. Hij vroeg aan mij waarom ik dat niet gezegd had. Ik had gezegd na 10 juli ben ik gewoon bang geworden voor je. O: ik zie jou met 1 hand je kaak vastpakken. Waar was zijn hand toen hij jou sloeg? A: Die was toen weer weg. V: Hoe reageerde hij daar op? A: Niet het boeide hem niet. V: Heeft hij toen nog wat gezegd? A: Nee. Hij heeft glijmiddel gepakt uit het nachtkastje en vervolgens mijn onderbroek naar beneden getrokken en zijn geslachtsdeel in mij gestopt. Ik moest op mijn knieën gaan zitten en moest maar een kussen pakken voor mijn nek. Als ik nee zeg dan word hij dubbel agressief. V: Je gaf aan hij stopte zijn geslachtsdeel in mij, hoe ging dat precies? A: Hij had mij geslagen, mijn shirt kapot getrokken. Toen deed hij alsof er niks aan de hand was maar hij was opeens opgewonden. Ik lag met mijn rug naar het slaapkamer raam. Hij liep om mij heen en pakte de glijmiddel. Hij smeerde zijn penis er mee in. Ik durfde niet te kijken. Hij trok mijn onderbroek uit en stopte zijn penis in mijn vagina. Ik lag op dit moment op het bed. V: Hoe lag je op dat moment? A: Ik lag eerst op mijn zei. Ik moest daarna op mijn knieën zitten. V: Wat zei hij precies? A: Dat ik op mijn knieën moest gaan zitten. Dit deed ik maar. V: Wat had jij gezegd? A: Pas op; op mijn nek want die is nog aan het herstellen één verkeerde beweging en dan heb ik een dwarslaesie, ik heb een nekwervel gebroken en dat is gevaarlijk. Dit is gebeurd op 10 juli door die mishandeling. Ik moest van hem maar een kussen er onder doen. A: Ik durfde niks te zeggen ook niet in het ziekenhuis omdat hij bij mij bleef. Ik heb tegen mijn familie gezegd dat ik in de tuin gevallen was. Hij weet ook waar mijn kinderen wonen. V: Kan je ons vertellen wat er 10 juli gebeurd is? A: ik vroeg hem of hij niet moest omkleden. Voordat ik het wist had ik een stom tegen mijn gezicht. Dit gebeurde met zijn vuist. Mijn bril viel op het aanrecht. Hij is door blijven slaan. Ik heb toen mijn gezicht beschermd en mijn hand zat onder de blauwe plekken en ik had een blauwe plek op mijn rechterelleboog . V: Wat had je in je gezicht? A: Bloeduitstorting en schaafwonden bij mijn linkeroog. Toen ik op de eerste hulp lag is er een neuroloog bij gekomen en een orthopeed. V: Waar sloeg hij op door? A: Op mijn hoofd. V: Hoe sloeg hij op je hoofd? A: Met zijn vuisten. Ik heb me afgeweerd en daarna ben ik op de grond gevallen. V: En toen? A: Toen kreeg ik een trap in mijn gezicht met zijn pantoffel aan. Hij heeft me toen opgepakt en kreeg in een cool pack in mijn gezicht en mijn hand moest ik onder de kraan doen anders zou het blauw worden. V: Wat was jou letsel? A: Een scheurtje in mijn 7de wervel in mijn nek en kneuzingen. Ik heb gips gekregen om mijn hand te ontlasten omdat hij zo blauw was en dik V: Even terug naar gister, op welke manier was er toen seks? A: Zonder geweld. Hij moest aan zijn trekken komen. Ik denk dat hij een kick kreeg toen hij mij geslagen heeft en dat hij daardoor seks wilde. Een soort macht. Hoe kan je behoefte hebben aan seks als je net iemand mishandeld hebt. V: Hoe stopte de seks? A: Hij is klaargekomen en ging van mij af. V: Waar is hij klaargekomen? A: In mijn vagina. V: Hoe laat was dit? A: In de avond/ nacht ik weet de tijd niet precies. A: Ik ben in bed gebleven tot hij diep sliep, dit hoor ik aan zijn ademhaling. Ik deed alsof ik ging plassen hier reageerde hij niet op en ben ik naar beneden gegaan en heb ik mijn spullen gepakt en ben ik gevlucht. Ik heb wel overgegeven in de poort. Ik belde mijn schoonzus zijn jullie wakker maak de poort open, hij heeft me weer mishandeld. Mijn broer is toen mij tegemoet komen lopen. Hij vroeg waar ik liep dat vertelde ik hem en hij is toen naar mij gelopen. Ik rende in mijn ondergoed en mijn t-shirt met mijn broek in mijn handen naar mijn broer. 2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 15 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 17-18): Op donderdag 14 augustus 2025 kwamen wij omstreeks 01.25 uur, ter plaatse op de [adres] In de woning zag ik, verbalisant [verbalisant 1] , een vrouw zitten die hoog in haar emotie zat. Deze vrouw werd later bekend als: * [aangeefster] geboren op [geboortedatum 2] 1977 * Ik zag dat [aangeefster] aan het huilen was. Ik zag dat [aangeefster] helemaal rood was in haar gezicht. Ik vroeg aan [aangeefster] , wat er was gebeurd. De vrouw vertelde dat haar partner haar weer had mishandeld. De partner later bekend als: * [de verdachte] geboren op [geboortedatum 1] 1998 * Ik hoorde dat [aangeefster] zei dat [de verdachte] dit toen deed. Zonder de wil van [aangeefster] penetreerde [de verdachte] haar totdat hij ejaculeerde. Dit volledig tegen de wil van [aangeefster] in. Ik hoorde dat [aangeefster] zei dat [de verdachte] zelfs glijmiddel moest pakken omdat het anders niet lukte. Ik, verbalisant [verbalisant 1] , zag dat [aangeefster] tijdens dat ze dit verhaal uitlegde moest overgeven. Dit deed [aangeefster] omdat zij hoog in haar emoties zat. Ik zag dat [aangeefster] tijdens het braken in tranen uitbarstte. 3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 22 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 153-154): Op 14 augustus 2025, kwam ik, verbalisant [verbalisant 2] , om 01:27 uur aan op het [adres] . Aldaar trof ik [aangeefster] geboren op [geboortedatum 2] 1977 te [geboorteplaats 2] . Ik hoorde dat [aangeefster] zei dat zij door haar vriend die later bekend bleek als - [de verdachte] geboren op [geboortedatum 1] 1998 te [geboorteplaats 1] , verkracht zou zijn. Ik zag dat [aangeefster] hevig aan het huilen was en dat zij hierbij heel erg beefde. Ik zag dat [aangeefster] op de bank in de woonkamer zat in de woning van haar broer op de [adres] . Ik hoorde dat [aangeefster] hoog in haar emotie zat, ik zag dat zij aan het hyperventileren was en hierdoor moeite had met spreken. Ik hoorde dat [aangeefster] zei dat zij vijf weken geleden zou zijn mishandeld door [de verdachte] . Ik hoorde dat [aangeefster] zei dat [de verdachte] haar bleef slaan en dat dit toen ook bleef doorgaan toen ook al op de grond terecht was gekomen. Ik hoorde dat [aangeefster] zei dat zij hierna was vervoerd naar het ziekenhuis in Gouda en dat zij geen aangifte durfde te doen tegen [de verdachte] omdat hij haar steeds in de gaten bleef houden tijdens het bezoek aan de spoed eisende hulp. Ik zag dat [aangeefster] moest overgeven toen zij dit verhaal vertelde en dat dit tijdens het gehele gesprek ook door bleef gaan 6. Het geschrift, te weten de Ontslagbrief Spoedeisende Hulp namens mevrouw dr. [naam] – gastrointestinaal chirurg, opgemaakt op 11 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 98-100): mevrouw [aangeefster] (V), [geboortedatum 2] 1977 Bovengenoemde patiënt zag ik op 10-07-2025 op de Spoedeisende Hulp. Conclusie 1.TC 2. Fractuur corpus en processus spinosus C7 3. Zwelling en pijn bij handrug rechts zonder evidente fracturen dd contusie 7. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 7 april 2026, voor zover inhoudende: U, voorzitter, vraagt mij wat er op 10 juli 2025 is gebeurd. Ik loop naar [aangeefster] toe. Ze vraagt of ik me niet moest omkleden. Ik vroeg aan haar of zij zich ook niet moest omkleden, omdat we er slordig uitzagen. Ik was geïrriteerd omdat ik had verloren tijdens het gamen. Ik kwam niet meer goed uit mijn woorden. Toen ben ik haar gaan slaan op de linker kant van haar oog met de buitenkant van mijn hand. Ik ben haar gaan slaan, ze zakte naar de grond toe, omdat ze zich aan het verdedigen was met haar hand. Daar heb ik toen op geslagen.
Volledig
U, de voorzitter, vraagt mij of ik haar meerdere keren op haar arm heb geslagen. Dat klopt. Ik denk dat ik haar op haar hand wel behoorlijk hard heb geraakt. Daarna nog eens keihard. Ik heb mij niet ingehouden met slaan op haar rechterhand. Ik heb heel fors geslagen. U, voorzitter, vraagt mij wat er op 14 augustus 2025 is gebeurd. [aangeefster] kwam tussen negen en half tien thuis, het was al schemerig buiten. Ik vraag aan haar ‘schat ben je bij de zonnebank geweest’. In een keer slaat het om. Ik dacht, waarom lieg je om zo iets kleins. Ik pikte het niet, dat ze loog. Toen heb ik haar bij haar kaak gepakt, stevig. Ik zei: ‘stop gewoon met liegen’. Ik liet haar los, ik liep om het bed heen en ik hield haar bij haar kraag vast. Ik vroeg: ‘waarom zou je moeten liegen, waar lieg je dan nog meer over?’. Toen zei ze: ‘ik ben wel bij de zonnebank geweest’. Ik ben ineens agressief en boos. Ik pakte haar bij haar shirt, om te laten zien dat ik niet wil dat er gelogen wordt en ik groot en sterk ben. Toen ging ze achteruit met haar nek en ik trok eraan, toen was haar shirt gescheurd. Ze vroeg of ik een vaatdoek wilde pakken en nat wilde maken voor haar nek. Ik heb die vaatdoek uit de kast gepakt en ben weer naar boven gelopen. Toen lag ze weer in bed met een ander T-shirt. Ik loop om het bed heen, ik had het doekje nog niet nat gemaakt. Ze dacht dat ik het wel al nat had gemaakt, en ik sloeg keihard in haar gezicht met die doek. Ik zag dat [aangeefster] moest huilen. Toen zei ik: ‘je kan wel een kussen eronder doen, toch?’ Toen heb ik me ingesmeerd met glijmiddel. Toen hebben we gewoon seks gehad. Toen [aangeefster] uit huis rende, werd ik wakker van de deur. Nadere duiding van de bewijsmiddelen De rechtbank gebruikt de bewijsmiddelen 1 tot en met 5 en 7 voor de bewezenverklaring van feit 1 en de bewijsmiddelen 1, 6 en 7 voor de bewezenverklaring van feit 2. 3.5. Bewijsoverwegingen 3.5.1. De beoordeling van bewijs in zeden- en huiselijk geweldzaken Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank voorop dat zeden- en huiselijk geweldzaken zich doorgaans kenmerken door de omstandigheid dat slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Bij een (deels) ontkennende verdachte, zoals in deze zaak het geval is, brengt dit in veel gevallen met zich dat de verklaring van het vermeende slachtoffer als belangrijkste bewijsmiddel voorhanden is. Op grond van artikel 342, tweede lid, Sv kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan niet uitsluitend worden aangenomen op grond van enkel de verklaring van het vermeende slachtoffer. Steunbewijs kan ertoe leiden dat desondanks toch een bewezenverklaring kan volgen. Of sprake is van voldoende steunbewijs is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Bij de afweging of sprake is van voldoende steunbewijs is volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad niet vereist dat de ten laste gelegde handelingen als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal, maar is het voor een bewezenverklaring afdoende wanneer de betrouwbare, belastende verklaring van het slachtoffer op onderdelen steun vindt in overige bewijsmiddelen die afkomstig zijn uit een andere bron. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat steunbewijs onder meer kan bestaan uit een verklaring over de eigen waarneming van een getuige van de emotie van het slachtoffer na het ten laste gelegde feit. Zo’n verklaring kan steunbewijs opleveren als de emotionele toestand of eventuele gedragsverandering die de getuige (‘disclosure-getuige’) bij het slachtoffer heeft waargenomen, niet anders kan worden opgevat dan als een bevestiging van de verklaringen van het slachtoffer. Het tijdsverloop tussen het ten laste gelegde feit en de waargenomen emoties is daarbij relevant. Meestal gaat het om bewijs waaruit emoties blijken die kort na het incident door een getuige zijn waargenomen. Wel is behoedzaamheid op haar plaats bij het gebruik van emoties als steunbewijs. De rechtbank ziet zich dus gesteld voor de vragen of (1) de belastende verklaring van [aangeefster] betrouwbaar is en (2) deze verklaring voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen 3.5.2. Betrouwbaarheid van de verklaring van [aangeefster] De rechtbank acht de verklaring van de aangeefster betrouwbaar en overweegt daartoe als volgt. De aangeefster heeft verschillende keren een verklaring afgelegd met betrekking tot het ten laste gelegde. In de nacht van 14 augustus 2025 heeft de aangeefster direct een verklaring afgelegd tegenover de verbalisanten die ter plaatse kwamen nadat zij 112 had gebeld. Diezelfde ochtend doet de aangeefster aangifte bij de politie. Vervolgens is de aangeefster op 17 augustus 2025 aanvullend door de politie gehoord en tot slot is de aangeefster op 12 maart 2026 door de rechter-commissaris gehoord. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de verklaringen van de aangeefster in de kern consistent en gedetailleerd. In de verklaringen heeft [aangeefster] over de gebeurtenissen, de volgorde en de plek waar het zich heeft afgespeeld steeds gedetailleerd, consistent en niet onderling tegenstrijdig verklaard. De verklaringen van [aangeefster] vinden bovendien in belangrijke mate en op overtuigende wijze steun in andere bewijsmiddelen, zoals onder 3.5.3. nader wordt overwogen. Daarnaast heeft zij open en eerlijk verklaard dat er tussen de mishandeling op 10 juli 2025 en de verkrachting op 14 augustus 2025 nog seks ‘op vrijwillige basis’ heeft plaatsgevonden en dat de verkrachting zonder fysiek geweld is verlopen. Bovendien beschrijft [aangeefster] niet alleen wat haar fysiek is overkomen, maar ook wat haar gevoel was op die momenten, zoals angst. Dit maakt de verklaring van de aangeefster authentiek. Tot slot zijn er geen aanknopingspunten die aannemelijk maken dat de verklaring van de aangeefster niet betrouwbaar is. Daartegenover staat de verklaring van de verdachte. Gedurende een groot deel van het onderzoek heeft de verdachte ontkend. De verdachte heeft 14 augustus 2025 bij de politie een verklaring afgelegd, waarin hij zegt dat het onzin is dat hij [aangeefster] zou hebben verkracht, dat ze die avond geen seks hebben gehad en dat [aangeefster] hem beschuldigt omdat zij achter zijn geld aan zou zitten. Kort daarna heeft hij bij de rechter-commissaris een min of meer gelijkluidende verklaring afgelegd, waarbij de verdachte wel heeft verklaard ruzie met [aangeefster] te hebben gehad. Pas in een later stadium, ongeveer een maand voor de inhoudelijke behandeling van de zaak, heeft de verdachte een gedeeltelijk bekennende verklaring afgelegd, terwijl het dossier toen onder meer informatie bevatte over de aanwezigheid van sperma van de verdachte in het ondergoed van [aangeefster] . Bij laatstgenoemde verklaring heeft de verdachte ten aanzien van het meest belastende deel van de tenlastelegging een alternatief scenario naar voren heeft gebracht, namelijk dat zij die avond seks hebben gehad met wederzijdse instemming en dat dit geruime tijd na de geweldshandelingen heeft plaatsgevonden. De late en wisselende verklaringen van de verdachte doen afbreuk aan de betrouwbaarheid daarvan. Gezien het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van de aangeefster betrouwbaar is. Daarom zal die verklaring ook als uitgangspunt worden genomen bij de beantwoording van de bewijsvragen. Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of de verklaring van [aangeefster] voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, in die zin dat deze verklaring niet op zichzelf staat maar is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in andere bronnen. De rechtbank zal de tenlastegelegde feiten hierna op chronologische volgorde bespreken. 3.5.3. Steunbewijs 10 juli 2025: mishandeling (feit 3) De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de mishandeling bewezen kan worden verklaard, met uitzondering van het ‘(met kracht) tegen het hoofd’ schoppen. De rechtbank overweegt dat [aangeefster] heeft verklaard dat verdachte haar heeft geschopt tegen het hoofd toen zij op de grond lag. Zoals onder 3.5.1.
Volledig
U, de voorzitter, vraagt mij of ik haar meerdere keren op haar arm heb geslagen. Dat klopt. Ik denk dat ik haar op haar hand wel behoorlijk hard heb geraakt. Daarna nog eens keihard. Ik heb mij niet ingehouden met slaan op haar rechterhand. Ik heb heel fors geslagen. U, voorzitter, vraagt mij wat er op 14 augustus 2025 is gebeurd. [aangeefster] kwam tussen negen en half tien thuis, het was al schemerig buiten. Ik vraag aan haar ‘schat ben je bij de zonnebank geweest’. In een keer slaat het om. Ik dacht, waarom lieg je om zo iets kleins. Ik pikte het niet, dat ze loog. Toen heb ik haar bij haar kaak gepakt, stevig. Ik zei: ‘stop gewoon met liegen’. Ik liet haar los, ik liep om het bed heen en ik hield haar bij haar kraag vast. Ik vroeg: ‘waarom zou je moeten liegen, waar lieg je dan nog meer over?’. Toen zei ze: ‘ik ben wel bij de zonnebank geweest’. Ik ben ineens agressief en boos. Ik pakte haar bij haar shirt, om te laten zien dat ik niet wil dat er gelogen wordt en ik groot en sterk ben. Toen ging ze achteruit met haar nek en ik trok eraan, toen was haar shirt gescheurd. Ze vroeg of ik een vaatdoek wilde pakken en nat wilde maken voor haar nek. Ik heb die vaatdoek uit de kast gepakt en ben weer naar boven gelopen. Toen lag ze weer in bed met een ander T-shirt. Ik loop om het bed heen, ik had het doekje nog niet nat gemaakt. Ze dacht dat ik het wel al nat had gemaakt, en ik sloeg keihard in haar gezicht met die doek. Ik zag dat [aangeefster] moest huilen. Toen zei ik: ‘je kan wel een kussen eronder doen, toch?’ Toen heb ik me ingesmeerd met glijmiddel. Toen hebben we gewoon seks gehad. Toen [aangeefster] uit huis rende, werd ik wakker van de deur. Nadere duiding van de bewijsmiddelen De rechtbank gebruikt de bewijsmiddelen 1 tot en met 5 en 7 voor de bewezenverklaring van feit 1 en de bewijsmiddelen 1, 6 en 7 voor de bewezenverklaring van feit 2. 3.5. Bewijsoverwegingen 3.5.1. De beoordeling van bewijs in zeden- en huiselijk geweldzaken Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank voorop dat zeden- en huiselijk geweldzaken zich doorgaans kenmerken door de omstandigheid dat slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Bij een (deels) ontkennende verdachte, zoals in deze zaak het geval is, brengt dit in veel gevallen met zich dat de verklaring van het vermeende slachtoffer als belangrijkste bewijsmiddel voorhanden is. Op grond van artikel 342, tweede lid, Sv kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan niet uitsluitend worden aangenomen op grond van enkel de verklaring van het vermeende slachtoffer. Steunbewijs kan ertoe leiden dat desondanks toch een bewezenverklaring kan volgen. Of sprake is van voldoende steunbewijs is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Bij de afweging of sprake is van voldoende steunbewijs is volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad niet vereist dat de ten laste gelegde handelingen als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal, maar is het voor een bewezenverklaring afdoende wanneer de betrouwbare, belastende verklaring van het slachtoffer op onderdelen steun vindt in overige bewijsmiddelen die afkomstig zijn uit een andere bron. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat steunbewijs onder meer kan bestaan uit een verklaring over de eigen waarneming van een getuige van de emotie van het slachtoffer na het ten laste gelegde feit. Zo’n verklaring kan steunbewijs opleveren als de emotionele toestand of eventuele gedragsverandering die de getuige (‘disclosure-getuige’) bij het slachtoffer heeft waargenomen, niet anders kan worden opgevat dan als een bevestiging van de verklaringen van het slachtoffer. Het tijdsverloop tussen het ten laste gelegde feit en de waargenomen emoties is daarbij relevant. Meestal gaat het om bewijs waaruit emoties blijken die kort na het incident door een getuige zijn waargenomen. Wel is behoedzaamheid op haar plaats bij het gebruik van emoties als steunbewijs. De rechtbank ziet zich dus gesteld voor de vragen of (1) de belastende verklaring van [aangeefster] betrouwbaar is en (2) deze verklaring voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen 3.5.2. Betrouwbaarheid van de verklaring van [aangeefster] De rechtbank acht de verklaring van de aangeefster betrouwbaar en overweegt daartoe als volgt. De aangeefster heeft verschillende keren een verklaring afgelegd met betrekking tot het ten laste gelegde. In de nacht van 14 augustus 2025 heeft de aangeefster direct een verklaring afgelegd tegenover de verbalisanten die ter plaatse kwamen nadat zij 112 had gebeld. Diezelfde ochtend doet de aangeefster aangifte bij de politie. Vervolgens is de aangeefster op 17 augustus 2025 aanvullend door de politie gehoord en tot slot is de aangeefster op 12 maart 2026 door de rechter-commissaris gehoord. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de verklaringen van de aangeefster in de kern consistent en gedetailleerd. In de verklaringen heeft [aangeefster] over de gebeurtenissen, de volgorde en de plek waar het zich heeft afgespeeld steeds gedetailleerd, consistent en niet onderling tegenstrijdig verklaard. De verklaringen van [aangeefster] vinden bovendien in belangrijke mate en op overtuigende wijze steun in andere bewijsmiddelen, zoals onder 3.5.3. nader wordt overwogen. Daarnaast heeft zij open en eerlijk verklaard dat er tussen de mishandeling op 10 juli 2025 en de verkrachting op 14 augustus 2025 nog seks ‘op vrijwillige basis’ heeft plaatsgevonden en dat de verkrachting zonder fysiek geweld is verlopen. Bovendien beschrijft [aangeefster] niet alleen wat haar fysiek is overkomen, maar ook wat haar gevoel was op die momenten, zoals angst. Dit maakt de verklaring van de aangeefster authentiek. Tot slot zijn er geen aanknopingspunten die aannemelijk maken dat de verklaring van de aangeefster niet betrouwbaar is. Daartegenover staat de verklaring van de verdachte. Gedurende een groot deel van het onderzoek heeft de verdachte ontkend. De verdachte heeft 14 augustus 2025 bij de politie een verklaring afgelegd, waarin hij zegt dat het onzin is dat hij [aangeefster] zou hebben verkracht, dat ze die avond geen seks hebben gehad en dat [aangeefster] hem beschuldigt omdat zij achter zijn geld aan zou zitten. Kort daarna heeft hij bij de rechter-commissaris een min of meer gelijkluidende verklaring afgelegd, waarbij de verdachte wel heeft verklaard ruzie met [aangeefster] te hebben gehad. Pas in een later stadium, ongeveer een maand voor de inhoudelijke behandeling van de zaak, heeft de verdachte een gedeeltelijk bekennende verklaring afgelegd, terwijl het dossier toen onder meer informatie bevatte over de aanwezigheid van sperma van de verdachte in het ondergoed van [aangeefster] . Bij laatstgenoemde verklaring heeft de verdachte ten aanzien van het meest belastende deel van de tenlastelegging een alternatief scenario naar voren heeft gebracht, namelijk dat zij die avond seks hebben gehad met wederzijdse instemming en dat dit geruime tijd na de geweldshandelingen heeft plaatsgevonden. De late en wisselende verklaringen van de verdachte doen afbreuk aan de betrouwbaarheid daarvan. Gezien het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van de aangeefster betrouwbaar is. Daarom zal die verklaring ook als uitgangspunt worden genomen bij de beantwoording van de bewijsvragen. Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of de verklaring van [aangeefster] voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, in die zin dat deze verklaring niet op zichzelf staat maar is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in andere bronnen. De rechtbank zal de tenlastegelegde feiten hierna op chronologische volgorde bespreken. 3.5.3. Steunbewijs 10 juli 2025: mishandeling (feit 3) De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de mishandeling bewezen kan worden verklaard, met uitzondering van het ‘(met kracht) tegen het hoofd’ schoppen. De rechtbank overweegt dat [aangeefster] heeft verklaard dat verdachte haar heeft geschopt tegen het hoofd toen zij op de grond lag. Zoals onder 3.5.1.
Volledig
reeds uiteen is gezet, kunnen onderdelen van het ten laste gelegde feit worden bewezen op grond van de enkele verklaring van de aangeefster. Zoals onder 3.5.2 reeds is overwogen, vindt de rechtbank de verklaringen van [aangeefster] betrouwbaar. De verklaring van de aangeefster vindt, naar oordeel van de rechtbank, bovendien voldoende steun in andere bewijsmiddelen. Zo heeft de verdachte zelf ook verklaard dat hij de aangeefster meermalen heeft geslagen op 10 juli 2025, in het gezicht en met kracht op haar hand. Daarnaast wordt de verklaring van de aangeefster ondersteund door de medische stukken, waaruit blijkt dat zij letsel heeft opgelopen, te weten een fractuur in haar zevende ruggenwervel en een gezwollen hand. De rechtbank is daarom van oordeel dat de mishandeling, met inbegrip van het schoppen tegen het hoofd, wettig en overtuigend kan worden bewezen. Gezien het voorgaande komt de rechtbank tot een bewezenverklaring zoals omschreven onder 3.6. Omstreeks 14 augustus 2025: verkrachting (feit 1) Niet ter discussie staat dat de verdachte en [aangeefster] in de avond van 13, althans de nacht van 13 op 14 augustus 2025 vaginale seks hebben gehad. Er bestaan echter twee scenario’s over de wijze waarop deze seks heeft plaatsgevonden. Het eerste scenario houdt – conform de verklaring van [aangeefster] – in, dat de verdachte en [aangeefster] ruzie kregen, waarna de verdachte haar heeft mishandeld. Na de mishandeling pakte de verdachte glijmiddel uit het nachtkastje, trok de onderbroek van [aangeefster] naar beneden en stopte zijn geslachtsdeel in haar. [aangeefster] moest van de verdachte vervolgens op haar knieën gaan zitten en zij moest maar een kussen pakken ter ondersteuning van haar (gebroken) nek. [aangeefster] verklaart dat de verdachte toen in die positie wederom met zijn geslachtsdeel bij haar naar binnen is gegaan. Dit alles tegen de wil van [aangeefster] . Het tweede scenario houdt – conform de verklaring van de verdachte – in, dat de verdachte en [aangeefster] ruzie hebben gehad waarbij de verdachte [aangeefster] heeft mishandeld, maar dat zij het hadden bijgelegd alvorens de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. De verdachte stelt dat zij tussen de mishandeling en de seksuele handelingen in een film hebben gekeken in bed, [aangeefster] toen op zijn borst lag en naar de erectie van de verdachte keek. De verdachte stelt daarna aan [aangeefster] te hebben gevraagd of ze seks wilde hebben en dat zij toen uit eigen beweging haar onderbroek zou hebben uitgedaan waarna er seks is geweest toen [aangeefster] op haar knieën zat. De verdachte stelt verder niet te hebben geweten dat zij nog pijn had aan haar nek en dat hij daarom dacht dat zij wel op haar knieën kon zitten tijdens de seks, wat hij liever had dan dat zij op haar zij lag. Hij stelt niet te hebben geweten dat [aangeefster] geen seks wilde. De rechtbank heeft het bewijsmateriaal bekeken in het licht van de beide scenario’s. De rechtbank is ervan overtuigd geraakt dat het is gegaan zoals [aangeefster] in haar verklaringen bij de politie heeft verklaard, nu haar verklaring wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Ten eerste vindt de verklaring van [aangeefster] steun in de verklaring van de verdachte zelf. De verdachte en [aangeefster] verklaren grotendeels hetzelfde over de aanleiding van de ruzie op 13 augustus 2025. De verdachte heeft verklaard dat hij ruzie met [aangeefster] kreeg en dat hij haar tijdens die ruzie stevig bij haar kaak heeft gepakt, dat hij haar bij haar T-shirt heeft gepakt waarna het shirt scheurde en dat hij haar met een vaatdoek in haar gezicht heeft geslagen en hij haar heeft zien huilen. Ook heeft de verdachte verklaard dat hij seks wilde hebben met [aangeefster] terwijl zij op haar knieën zat. Tot slot verklaart de verdachte, net als [aangeefster] , over een kussen dat zij onder haar (pijnlijke) nek zou kunnen doen voor ondersteuning. Ten tweede vindt de verklaring van [aangeefster] steun in de waarnemingen van de verbalisanten die kort na de melding ter plaatse komen. Verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard te zien dat [aangeefster] aan het huilen was en dat zij helemaal rood was in haar gezicht. De verbalisant zag dat [aangeefster] , tijdens het vertellen van wat er was gebeurd, moest overgeven en dat zij dit deed omdat ze hoog in haar emoties zat. Ook verbalisant [verbalisant 2] hoorde dat [aangeefster] hoog in haar emoties zat, dat zij aan het hyperventileren was en dat zij hierdoor moeite had met spreken. Deze verbalisant zag ook dat [aangeefster] moest overgegeven toen zij haar verhaal vertelde en dat dit tijdens het gehele gesprek door bleef gaan. De rechtbank stelt vast dat deze verbalisanten, beroepswaarnemers, hun waarnemingen hebben gedaan kort na de gedragingen die aan de verdachte in deze zaak onder feit 1 ten laste zijn gelegd. De rechtbank is van oordeel dat de waarnemingen van de verbalisanten over de emotionele toestand van [aangeefster] niet anders kunnen worden opgevat dan als een bevestiging van haar verklaring dat er buiten haar wil om seks is geweest. De door de verbalisanten waargenomen emoties van [aangeefster] sluiten niet aan bij het door de verdachte geschetste scenario van seks met wederzijdse instemming. De rechtbank betrekt hierbij dat zowel [aangeefster] als de verdachte hebben verklaard dat zij in de periode tussen de mishandeling op 10 juli 2025 en de nacht van 13 op 14 augustus 2025 nog verschillende keren seks met wederzijdse instemming hebben gehad, zodat de waargenomen emoties bij [aangeefster] niet anders kunnen worden geïnterpreteerd dan dat er die nacht van instemming geen sprake is geweest. Verder is het door de verdachte naar voren gebrachte scenario van seks met wederzijdse instemming niet te rijmen met de wijze waarop [aangeefster] die nacht het huis heeft verlaten, namelijk half ontkleed en nadat zij er zeker van was dat de verdachte sliep. Bovendien is de verklaring van de verdachte innerlijk tegenstrijdig daar waar het gaat om de pijn aan de nek van [aangeefster] . Zo heeft de verdachte enerzijds verklaard dat hij een doek voor [aangeefster] is gaan halen omdat zij pijn had aan haar nek en anderzijds verklaart de verdachte dat hij niet wist dat [aangeefster] nog pijn had aan haar nek en dat hij daarom dacht dat ze wel seks konden hebben terwijl [aangeefster] op haar knieën zat. De rechtbank acht het door de verdachte aangevoerde alternatieve scenario om bovengenoemde redenen ongeloofwaardig. De rechtbank gaat dus uit van het scenario zoals door [aangeefster] naar voren is gebracht en zal hierna ingaan op welke kwalificatie dat oplevert. Voor bewezenverklaring van gekwalificeerde opzetverkrachting moet sprake zijn van het door (bedreiging met) geweld of een andere feitelijkheid iemand dwingen tot het ondergaan van handelingen die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Daarvan kan sprake zijn indien de verdachte het slachtoffer heeft gebracht in een zodanige door hem veroorzaakte (bedreigende) situatie dat het slachtoffer zich naar redelijke verwachting niet aan die handelingen heeft kunnen onttrekken. Of zo een dwangsituatie zich heeft voorgedaan, laat zich niet in het algemeen beantwoorden, maar hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. De rechtbank concludeert dat op grond van de bewijsmiddelen bewezen kan worden dat de verdachte door gebruikmaking van geweld een situatie heeft gecreëerd waarin [aangeefster] gedwongen werd tot het ondergaan van seksuele handelingen. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte door zijn handelen [aangeefster] opzettelijk in een zodanige situatie heeft gebracht dat zij zich niet tegen de seksuele handelingen kon verzetten en zij zich daaraan niet kon onttrekken. Het door de verdachte aangevoerde dat er tussen de mishandeling en de seks geruime tijd heeft gezeten waardoor, zo begrijpt de rechtbank het betoog, het geweld niet kan worden gezien als dienstig aan de seks, vindt geen steun in het dossier en schuift de rechtbank als ongeloofwaardig terzijde.
Volledig
reeds uiteen is gezet, kunnen onderdelen van het ten laste gelegde feit worden bewezen op grond van de enkele verklaring van de aangeefster. Zoals onder 3.5.2 reeds is overwogen, vindt de rechtbank de verklaringen van [aangeefster] betrouwbaar. De verklaring van de aangeefster vindt, naar oordeel van de rechtbank, bovendien voldoende steun in andere bewijsmiddelen. Zo heeft de verdachte zelf ook verklaard dat hij de aangeefster meermalen heeft geslagen op 10 juli 2025, in het gezicht en met kracht op haar hand. Daarnaast wordt de verklaring van de aangeefster ondersteund door de medische stukken, waaruit blijkt dat zij letsel heeft opgelopen, te weten een fractuur in haar zevende ruggenwervel en een gezwollen hand. De rechtbank is daarom van oordeel dat de mishandeling, met inbegrip van het schoppen tegen het hoofd, wettig en overtuigend kan worden bewezen. Gezien het voorgaande komt de rechtbank tot een bewezenverklaring zoals omschreven onder 3.6. Omstreeks 14 augustus 2025: verkrachting (feit 1) Niet ter discussie staat dat de verdachte en [aangeefster] in de avond van 13, althans de nacht van 13 op 14 augustus 2025 vaginale seks hebben gehad. Er bestaan echter twee scenario’s over de wijze waarop deze seks heeft plaatsgevonden. Het eerste scenario houdt – conform de verklaring van [aangeefster] – in, dat de verdachte en [aangeefster] ruzie kregen, waarna de verdachte haar heeft mishandeld. Na de mishandeling pakte de verdachte glijmiddel uit het nachtkastje, trok de onderbroek van [aangeefster] naar beneden en stopte zijn geslachtsdeel in haar. [aangeefster] moest van de verdachte vervolgens op haar knieën gaan zitten en zij moest maar een kussen pakken ter ondersteuning van haar (gebroken) nek. [aangeefster] verklaart dat de verdachte toen in die positie wederom met zijn geslachtsdeel bij haar naar binnen is gegaan. Dit alles tegen de wil van [aangeefster] . Het tweede scenario houdt – conform de verklaring van de verdachte – in, dat de verdachte en [aangeefster] ruzie hebben gehad waarbij de verdachte [aangeefster] heeft mishandeld, maar dat zij het hadden bijgelegd alvorens de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. De verdachte stelt dat zij tussen de mishandeling en de seksuele handelingen in een film hebben gekeken in bed, [aangeefster] toen op zijn borst lag en naar de erectie van de verdachte keek. De verdachte stelt daarna aan [aangeefster] te hebben gevraagd of ze seks wilde hebben en dat zij toen uit eigen beweging haar onderbroek zou hebben uitgedaan waarna er seks is geweest toen [aangeefster] op haar knieën zat. De verdachte stelt verder niet te hebben geweten dat zij nog pijn had aan haar nek en dat hij daarom dacht dat zij wel op haar knieën kon zitten tijdens de seks, wat hij liever had dan dat zij op haar zij lag. Hij stelt niet te hebben geweten dat [aangeefster] geen seks wilde. De rechtbank heeft het bewijsmateriaal bekeken in het licht van de beide scenario’s. De rechtbank is ervan overtuigd geraakt dat het is gegaan zoals [aangeefster] in haar verklaringen bij de politie heeft verklaard, nu haar verklaring wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Ten eerste vindt de verklaring van [aangeefster] steun in de verklaring van de verdachte zelf. De verdachte en [aangeefster] verklaren grotendeels hetzelfde over de aanleiding van de ruzie op 13 augustus 2025. De verdachte heeft verklaard dat hij ruzie met [aangeefster] kreeg en dat hij haar tijdens die ruzie stevig bij haar kaak heeft gepakt, dat hij haar bij haar T-shirt heeft gepakt waarna het shirt scheurde en dat hij haar met een vaatdoek in haar gezicht heeft geslagen en hij haar heeft zien huilen. Ook heeft de verdachte verklaard dat hij seks wilde hebben met [aangeefster] terwijl zij op haar knieën zat. Tot slot verklaart de verdachte, net als [aangeefster] , over een kussen dat zij onder haar (pijnlijke) nek zou kunnen doen voor ondersteuning. Ten tweede vindt de verklaring van [aangeefster] steun in de waarnemingen van de verbalisanten die kort na de melding ter plaatse komen. Verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard te zien dat [aangeefster] aan het huilen was en dat zij helemaal rood was in haar gezicht. De verbalisant zag dat [aangeefster] , tijdens het vertellen van wat er was gebeurd, moest overgeven en dat zij dit deed omdat ze hoog in haar emoties zat. Ook verbalisant [verbalisant 2] hoorde dat [aangeefster] hoog in haar emoties zat, dat zij aan het hyperventileren was en dat zij hierdoor moeite had met spreken. Deze verbalisant zag ook dat [aangeefster] moest overgegeven toen zij haar verhaal vertelde en dat dit tijdens het gehele gesprek door bleef gaan. De rechtbank stelt vast dat deze verbalisanten, beroepswaarnemers, hun waarnemingen hebben gedaan kort na de gedragingen die aan de verdachte in deze zaak onder feit 1 ten laste zijn gelegd. De rechtbank is van oordeel dat de waarnemingen van de verbalisanten over de emotionele toestand van [aangeefster] niet anders kunnen worden opgevat dan als een bevestiging van haar verklaring dat er buiten haar wil om seks is geweest. De door de verbalisanten waargenomen emoties van [aangeefster] sluiten niet aan bij het door de verdachte geschetste scenario van seks met wederzijdse instemming. De rechtbank betrekt hierbij dat zowel [aangeefster] als de verdachte hebben verklaard dat zij in de periode tussen de mishandeling op 10 juli 2025 en de nacht van 13 op 14 augustus 2025 nog verschillende keren seks met wederzijdse instemming hebben gehad, zodat de waargenomen emoties bij [aangeefster] niet anders kunnen worden geïnterpreteerd dan dat er die nacht van instemming geen sprake is geweest. Verder is het door de verdachte naar voren gebrachte scenario van seks met wederzijdse instemming niet te rijmen met de wijze waarop [aangeefster] die nacht het huis heeft verlaten, namelijk half ontkleed en nadat zij er zeker van was dat de verdachte sliep. Bovendien is de verklaring van de verdachte innerlijk tegenstrijdig daar waar het gaat om de pijn aan de nek van [aangeefster] . Zo heeft de verdachte enerzijds verklaard dat hij een doek voor [aangeefster] is gaan halen omdat zij pijn had aan haar nek en anderzijds verklaart de verdachte dat hij niet wist dat [aangeefster] nog pijn had aan haar nek en dat hij daarom dacht dat ze wel seks konden hebben terwijl [aangeefster] op haar knieën zat. De rechtbank acht het door de verdachte aangevoerde alternatieve scenario om bovengenoemde redenen ongeloofwaardig. De rechtbank gaat dus uit van het scenario zoals door [aangeefster] naar voren is gebracht en zal hierna ingaan op welke kwalificatie dat oplevert. Voor bewezenverklaring van gekwalificeerde opzetverkrachting moet sprake zijn van het door (bedreiging met) geweld of een andere feitelijkheid iemand dwingen tot het ondergaan van handelingen die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Daarvan kan sprake zijn indien de verdachte het slachtoffer heeft gebracht in een zodanige door hem veroorzaakte (bedreigende) situatie dat het slachtoffer zich naar redelijke verwachting niet aan die handelingen heeft kunnen onttrekken. Of zo een dwangsituatie zich heeft voorgedaan, laat zich niet in het algemeen beantwoorden, maar hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. De rechtbank concludeert dat op grond van de bewijsmiddelen bewezen kan worden dat de verdachte door gebruikmaking van geweld een situatie heeft gecreëerd waarin [aangeefster] gedwongen werd tot het ondergaan van seksuele handelingen. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte door zijn handelen [aangeefster] opzettelijk in een zodanige situatie heeft gebracht dat zij zich niet tegen de seksuele handelingen kon verzetten en zij zich daaraan niet kon onttrekken. Het door de verdachte aangevoerde dat er tussen de mishandeling en de seks geruime tijd heeft gezeten waardoor, zo begrijpt de rechtbank het betoog, het geweld niet kan worden gezien als dienstig aan de seks, vindt geen steun in het dossier en schuift de rechtbank als ongeloofwaardig terzijde.
Volledig
Nu de rechtbank de verklaringen van getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] niet heeft gebruikt voor het bewijs, behoeft het voorwaardelijk verzoek tot het horen van die getuigen geen nadere bespreking. 3.6. De bewezenverklaring De rechtbank is met betrekking tot de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat: 1 hij op of omstreeks 14 augustus 2025 te Gouda, met een persoon, te weten [aangeefster] seksuele handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten - het meermalen brengen en heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [aangeefster] , terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangeefster] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door geweld, door - die [aangeefster] (met kracht) bij de kaak beet te pakken en - het t-shirt van die [aangeefster] (met kracht) vast te pakken en kapot te trekken en - de onderbroek van die [aangeefster] uit te trekken en - tegen die [aangeefster] (op dwingende toon) te zeggen dat zij zich moest omdraaien op haar knieën , waarop [aangeefster] antwoordde dat dat niet ging vanwege haar nek en hij, verdachte, vervolgens tegen die [aangeefster] zei "pak maar een kussen" 2 hij op 10 juli 2025 te Gouda [aangeefster] , heeft mishandeld, door die [aangeefster] - (met kracht) meermalen, in het gezicht en op de hand, te slaan en stompen en - nadat die [aangeefster] op de grond lag tegen het hoofd te schoppen, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad. 4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. 5 De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6 De strafoplegging 6.1. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tweeënveertig maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. 6.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft de rechtbank verzocht om het onvoorwaardelijk deel stafdeel te beperken, zodat de behandeling van de verdachte niet te lang op zich laat wachten. 6.3. Het oordeel van de rechtbank Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. Ernst van de feiten De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling en gekwalificeerde opzetverkrachting (waar geweld aan voorafging) van [aangeefster] , met wie hij destijds een relatie had. De verdachte heeft ten aanzien van één van zijn geweldshandelingen onder meer verklaard te hebben gehandeld zoals hij heeft gedaan, om te laten zien dat hij ‘groot’ en ‘sterk’ is en omdat hij niet wil dat er tegen hem gelogen wordt. Uit het dossier blijkt een beeld van zorgelijk en destructief gedrag van de verdachte jegens [aangeefster] . Met zijn gedragingen heeft de verdachte laten zien dat hij (seksueel) geweld niet schuwt. De mishandeling en de verkrachting (waar geweld aan voorafging) hebben plaatsgevonden in het huis en in de slaapkamer van [aangeefster] : bij uitstek de plek waar zij zich veilig zou moeten voelen. Als gevolg van het handelen van de verdachte heeft [aangeefster] op 10 juli 2025 onder meer een gebroken nekwervel opgelopen en heeft zij wekenlang met een nekkraam moeten lopen. Niettemin heeft de verdachte op of omstreeks 14 augustus 2025 opnieuw geweld tegen haar uitgeoefend en haar verkracht, waarbij hij volstrekt geen rekening heeft gehouden met de kwetsbare lichamelijke toestand waarin hij haar eerder had gebracht. De verdachte heeft met zijn gedrag een grove inbreuk gemaakt op de seksuele en lichamelijke integriteit van [aangeefster] . Daarnaast heeft het handelen van de verdachte geleid tot gevoelens van angst, onveiligheid en psychische problematiek bij [aangeefster] , waaronder posttraumatische stressklachten. De rechtbank rekent dit alles de verdachte zeer aan. Strafblad De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 24 oktober 2025 en heeft geconstateerd dat de verdachte in 2018 onherroepelijk is veroordeeld voor huiselijk geweld. Gezien het feit dat deze eerdere veroordeling al meer dan vijf jaar oud is, zal de rechtbank dit niet direct in strafverzwarende zin meewegen bij de op te leggen straf. Persoon van de verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 30 maart 2026, waaruit volgt dat bij de verdachte sprake is van agressie- en (game)verslavingsproblematiek en van een gemiddeld tot hoog recidiverisico met betrekking tot geweld en van een laag tot gemiddeld recidiverisico met betrekking tot zedendelicten. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte aan hem op te leggen een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en een contactverbod met betrekking tot [aangeefster] . Ten aanzien van het voorwaardelijk verzoek van de verdediging om de verdachte te laten onderzoeken door een Pro Justitia-psycholoog overweegt de rechtbank dat zij zich voldoende voorgelicht acht over de persoon van de verdachte. Het voorwaardelijke verzoek behoeft geen nadere bespreking. De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt vermeld een gevangenisstraf van 24 maanden onvoorwaardelijk voor een verkrachting met een beperkte mate van dwang en 36 maanden onvoorwaardelijk voor een verkrachting met geweld. Bij een mishandeling met lichamelijk letsel wordt doorgaans een geldboete opgelegd, tenzij sprake is van huiselijk geweld. In dit geval acht de rechtbank strafverhogend dat de mishandeling en verkrachting (waar geweld aan vooraf ging) heben plaatsgevonden in de intieme sfeer. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank zal aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met daaraan gekoppeld een proeftijd van drie jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Dit om de verdachte ervan te proberen te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering. 7 De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel Mr. M.S.L. Leeflang heeft zich namens [aangeefster] als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 13.073,60, en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 augustus 2025 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Volledig
Nu de rechtbank de verklaringen van getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] niet heeft gebruikt voor het bewijs, behoeft het voorwaardelijk verzoek tot het horen van die getuigen geen nadere bespreking. 3.6. De bewezenverklaring De rechtbank is met betrekking tot de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat: 1 hij op of omstreeks 14 augustus 2025 te Gouda, met een persoon, te weten [aangeefster] seksuele handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten - het meermalen brengen en heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [aangeefster] , terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangeefster] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door geweld, door - die [aangeefster] (met kracht) bij de kaak beet te pakken en - het t-shirt van die [aangeefster] (met kracht) vast te pakken en kapot te trekken en - de onderbroek van die [aangeefster] uit te trekken en - tegen die [aangeefster] (op dwingende toon) te zeggen dat zij zich moest omdraaien op haar knieën , waarop [aangeefster] antwoordde dat dat niet ging vanwege haar nek en hij, verdachte, vervolgens tegen die [aangeefster] zei "pak maar een kussen" 2 hij op 10 juli 2025 te Gouda [aangeefster] , heeft mishandeld, door die [aangeefster] - (met kracht) meermalen, in het gezicht en op de hand, te slaan en stompen en - nadat die [aangeefster] op de grond lag tegen het hoofd te schoppen, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad. 4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. 5 De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6 De strafoplegging 6.1. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tweeënveertig maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. 6.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft de rechtbank verzocht om het onvoorwaardelijk deel stafdeel te beperken, zodat de behandeling van de verdachte niet te lang op zich laat wachten. 6.3. Het oordeel van de rechtbank Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. Ernst van de feiten De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling en gekwalificeerde opzetverkrachting (waar geweld aan voorafging) van [aangeefster] , met wie hij destijds een relatie had. De verdachte heeft ten aanzien van één van zijn geweldshandelingen onder meer verklaard te hebben gehandeld zoals hij heeft gedaan, om te laten zien dat hij ‘groot’ en ‘sterk’ is en omdat hij niet wil dat er tegen hem gelogen wordt. Uit het dossier blijkt een beeld van zorgelijk en destructief gedrag van de verdachte jegens [aangeefster] . Met zijn gedragingen heeft de verdachte laten zien dat hij (seksueel) geweld niet schuwt. De mishandeling en de verkrachting (waar geweld aan voorafging) hebben plaatsgevonden in het huis en in de slaapkamer van [aangeefster] : bij uitstek de plek waar zij zich veilig zou moeten voelen. Als gevolg van het handelen van de verdachte heeft [aangeefster] op 10 juli 2025 onder meer een gebroken nekwervel opgelopen en heeft zij wekenlang met een nekkraam moeten lopen. Niettemin heeft de verdachte op of omstreeks 14 augustus 2025 opnieuw geweld tegen haar uitgeoefend en haar verkracht, waarbij hij volstrekt geen rekening heeft gehouden met de kwetsbare lichamelijke toestand waarin hij haar eerder had gebracht. De verdachte heeft met zijn gedrag een grove inbreuk gemaakt op de seksuele en lichamelijke integriteit van [aangeefster] . Daarnaast heeft het handelen van de verdachte geleid tot gevoelens van angst, onveiligheid en psychische problematiek bij [aangeefster] , waaronder posttraumatische stressklachten. De rechtbank rekent dit alles de verdachte zeer aan. Strafblad De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 24 oktober 2025 en heeft geconstateerd dat de verdachte in 2018 onherroepelijk is veroordeeld voor huiselijk geweld. Gezien het feit dat deze eerdere veroordeling al meer dan vijf jaar oud is, zal de rechtbank dit niet direct in strafverzwarende zin meewegen bij de op te leggen straf. Persoon van de verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 30 maart 2026, waaruit volgt dat bij de verdachte sprake is van agressie- en (game)verslavingsproblematiek en van een gemiddeld tot hoog recidiverisico met betrekking tot geweld en van een laag tot gemiddeld recidiverisico met betrekking tot zedendelicten. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte aan hem op te leggen een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en een contactverbod met betrekking tot [aangeefster] . Ten aanzien van het voorwaardelijk verzoek van de verdediging om de verdachte te laten onderzoeken door een Pro Justitia-psycholoog overweegt de rechtbank dat zij zich voldoende voorgelicht acht over de persoon van de verdachte. Het voorwaardelijke verzoek behoeft geen nadere bespreking. De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt vermeld een gevangenisstraf van 24 maanden onvoorwaardelijk voor een verkrachting met een beperkte mate van dwang en 36 maanden onvoorwaardelijk voor een verkrachting met geweld. Bij een mishandeling met lichamelijk letsel wordt doorgaans een geldboete opgelegd, tenzij sprake is van huiselijk geweld. In dit geval acht de rechtbank strafverhogend dat de mishandeling en verkrachting (waar geweld aan vooraf ging) heben plaatsgevonden in de intieme sfeer. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank zal aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met daaraan gekoppeld een proeftijd van drie jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Dit om de verdachte ervan te proberen te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering. 7 De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel Mr. M.S.L. Leeflang heeft zich namens [aangeefster] als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 13.073,60, en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 augustus 2025 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Volledig
Dit bedrag bestaat uit € 1.073,60 aan materiële schade en € 12.000 aan immateriële schade. 7.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 7.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich ten aanzien van de materiële schade op het standpunt gesteld dat door de benadeelde partij niet is onderbouwd dat het eigen risico van € 385 over 2025 is voldaan. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de verdediging aangevoerd dat niet is onderbouwd dat de benadeelde partij een posttraumatische stressstoornis (PTSS) heeft. De verdediging heeft de rechtbank verzocht om, bij toewijzing, het bedrag te matigen tot € 6.000. 7.3 Het oordeel van de rechtbank Materiële schade Namens de benadeelde partij is een bedrag van € 1.073,60 gevorderd in verband met kosten voor eigen risico over 2025 en 2026 en een eigen bijdrage voor hulp en begeleiding die zij op grond van de Wmo (Wet maatschappelijke ondersteuning) ontvangt. Uit de vordering volgt dat het gaat om € 492,40 aan reeds gemaakte kosten en € 581,20 aan toekomstige schade. Hoewel geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat het eigen risico over 2025 is voldaan, acht de rechtbank het volstrekt aannemelijk dat dit is gebeurd. Uit het dossier blijkt immers dat de benadeelde partij na de mishandeling op 10 juli 2025 naar het ziekenhuis is geweest en behandeld is voor haar letsels. De vordering, voor zover deze betrekking heeft op reeds geleden schade, is namens de verdachte verder niet (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten, ter grootte van € 492,40. De rechtbank zal deze schade toewijzen. De rechtbank zal de vordering voor het overige, te weten € 581,20, niet-ontvankelijk verklaren nu de vordering voor dat deel toekomstige schade betreft. Immateriële schade Namens de benadeelde partij is een bedrag van € 12.000 aan immateriële schade gevorderd. Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin het recht bestaat op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat van de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending in het onderhavige geval meebrengen dat de in dit verband door de benadeelde ondervonden nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd en met inachtneming van de Rotterdamse schaal, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 10.000. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank sluit niet uit dat de benadeelde partij meer schade heeft geleden. Voor de bepaling daarvan is echter, in het licht van de betwisting door de verdediging, een nadere onderbouwing vereist. De benadeelde partij daartoe de gelegenheid geven zou leiden tot een onevenredige benadeling van het strafproces. Zij kan zich daarvoor wenden tot de civiele rechter. Totaal toegewezen schade De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van € 10.492,40, bestaande uit € 492,40 aan materiële schade en € 10.000 aan immateriële schade. Wettelijke rente De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over de schade toewijzen met ingang van 14 augustus 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan. Proceskostenveroordeling verdachte Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Schadevergoedingsmaatregel De verdachte zal voor de onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij zal daarom tegenover het slachtoffer [aangeefster] aansprakelijk zijn voor schade die door deze feiten aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 10.492,40, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 augustus 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster] . 8 De toepasselijke wetsartikelen De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen: - 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 243, 300, 304 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
Volledig
Dit bedrag bestaat uit € 1.073,60 aan materiële schade en € 12.000 aan immateriële schade. 7.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 7.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich ten aanzien van de materiële schade op het standpunt gesteld dat door de benadeelde partij niet is onderbouwd dat het eigen risico van € 385 over 2025 is voldaan. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de verdediging aangevoerd dat niet is onderbouwd dat de benadeelde partij een posttraumatische stressstoornis (PTSS) heeft. De verdediging heeft de rechtbank verzocht om, bij toewijzing, het bedrag te matigen tot € 6.000. 7.3 Het oordeel van de rechtbank Materiële schade Namens de benadeelde partij is een bedrag van € 1.073,60 gevorderd in verband met kosten voor eigen risico over 2025 en 2026 en een eigen bijdrage voor hulp en begeleiding die zij op grond van de Wmo (Wet maatschappelijke ondersteuning) ontvangt. Uit de vordering volgt dat het gaat om € 492,40 aan reeds gemaakte kosten en € 581,20 aan toekomstige schade. Hoewel geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat het eigen risico over 2025 is voldaan, acht de rechtbank het volstrekt aannemelijk dat dit is gebeurd. Uit het dossier blijkt immers dat de benadeelde partij na de mishandeling op 10 juli 2025 naar het ziekenhuis is geweest en behandeld is voor haar letsels. De vordering, voor zover deze betrekking heeft op reeds geleden schade, is namens de verdachte verder niet (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten, ter grootte van € 492,40. De rechtbank zal deze schade toewijzen. De rechtbank zal de vordering voor het overige, te weten € 581,20, niet-ontvankelijk verklaren nu de vordering voor dat deel toekomstige schade betreft. Immateriële schade Namens de benadeelde partij is een bedrag van € 12.000 aan immateriële schade gevorderd. Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin het recht bestaat op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat van de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending in het onderhavige geval meebrengen dat de in dit verband door de benadeelde ondervonden nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd en met inachtneming van de Rotterdamse schaal, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 10.000. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank sluit niet uit dat de benadeelde partij meer schade heeft geleden. Voor de bepaling daarvan is echter, in het licht van de betwisting door de verdediging, een nadere onderbouwing vereist. De benadeelde partij daartoe de gelegenheid geven zou leiden tot een onevenredige benadeling van het strafproces. Zij kan zich daarvoor wenden tot de civiele rechter. Totaal toegewezen schade De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van € 10.492,40, bestaande uit € 492,40 aan materiële schade en € 10.000 aan immateriële schade. Wettelijke rente De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over de schade toewijzen met ingang van 14 augustus 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan. Proceskostenveroordeling verdachte Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Schadevergoedingsmaatregel De verdachte zal voor de onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij zal daarom tegenover het slachtoffer [aangeefster] aansprakelijk zijn voor schade die door deze feiten aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 10.492,40, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 augustus 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster] . 8 De toepasselijke wetsartikelen De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen: - 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 243, 300, 304 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
Volledig
9 De beslissing De rechtbank: verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt: ten aanzien van feit 1: opzetverkrachting, voorafgegaan door geweld en ten aanzien van feit 2: mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel verklaart de verdachte daarvoor strafbaar; veroordeelt de verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden ; bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; bepaalt dat een gedeelte van groot 12 (twaalf) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde: - gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met [aangeefster] geboren [geboortedatum 2] 1977, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het contact; - zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Fivoor op het adres Hoge Bakstraat 44, (3311 JW) te Dordrecht op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Veroordeelde meldt zich zodra hij hiervoor wordt uitgenodigd; - zich gedurende de proeftijd laat behandelen door de forensische polikliniek van Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op gameverslavingsproblematiek en agressiebeheersing. Indien nodig werkt de veroordeelde mee aan diagnostiek om eventuele LVB problematiek uit te sluiten; geeft opdracht aan Reclassering Fivoor tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden; voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd: - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; - medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen. de vordering van de benadeelde partij; wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster] deels toe tot een bedrag van € 10.492,40 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 14 augustus 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangeefster] ; bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen; veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden; de schadevergoedingsmaatregel; legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 10.492,40, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 augustus 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald , ten behoeve van [aangeefster] ; bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van zevenenzeventig (77) dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op; bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen. Dit vonnis is gewezen door mr. J. Schaaf, voorzitter, mr. L.K. van Zaltbommel, rechter, mr. J.L.E. Bakels, rechter, in tegenwoordigheid van mrs. L.E. Kramer en A. Dorrani, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 april 2026.
Volledig
9 De beslissing De rechtbank: verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt: ten aanzien van feit 1: opzetverkrachting, voorafgegaan door geweld en ten aanzien van feit 2: mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel verklaart de verdachte daarvoor strafbaar; veroordeelt de verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden ; bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; bepaalt dat een gedeelte van groot 12 (twaalf) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde: - gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met [aangeefster] geboren [geboortedatum 2] 1977, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het contact; - zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Fivoor op het adres Hoge Bakstraat 44, (3311 JW) te Dordrecht op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Veroordeelde meldt zich zodra hij hiervoor wordt uitgenodigd; - zich gedurende de proeftijd laat behandelen door de forensische polikliniek van Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op gameverslavingsproblematiek en agressiebeheersing. Indien nodig werkt de veroordeelde mee aan diagnostiek om eventuele LVB problematiek uit te sluiten; geeft opdracht aan Reclassering Fivoor tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden; voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd: - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; - medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen. de vordering van de benadeelde partij; wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster] deels toe tot een bedrag van € 10.492,40 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 14 augustus 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangeefster] ; bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen; veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden; de schadevergoedingsmaatregel; legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 10.492,40, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 augustus 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald , ten behoeve van [aangeefster] ; bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van zevenenzeventig (77) dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op; bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen. Dit vonnis is gewezen door mr. J. Schaaf, voorzitter, mr. L.K. van Zaltbommel, rechter, mr. J.L.E. Bakels, rechter, in tegenwoordigheid van mrs. L.E. Kramer en A. Dorrani, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 april 2026.