Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-04-21
ECLI:NL:RBDHA:2026:9586
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/3750 uitspraak van de meervoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak tussen de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Partij voor de Dieren , gevestigd in Amsterdam, eiseres (gemachtigde: mr. R. Beets), en de burgemeester van Den Haag, verweerder (gemachtigden: mr. J.V. de Kort en mr. R.E. van Deijck). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres, verder te noemen Partij voor de Dieren, tegen de beperking van het aantal deelnemers aan een demonstratie. 1.1. Verweerder, verder te noemen de burgemeester, heeft met het besluit van 20 september 2024 het aantal deelnemers aan de demonstratie beperkt tot tien personen. Met het bestreden besluit van 2 mei 2025 op het bezwaar van Partij voor de Dieren is de burgemeester, in afwijking van het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften, bij dit besluit gebleven. 1.2. De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1], [naam 2] en de gemachtigde van Partij voor de Dieren en [naam 3] en de gemachtigden van de burgemeester. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Partij voor de Dieren wilde op maandag 23 september 2024 tussen 15.00 uur en 17.00 uur met twintig personen demonstreren voor de ingang van twee sportwinkels, de Decathlon en Intersport, aan de Grote Marktstraat in Den Haag. Met de demonstratie wilde zij aandacht vragen voor de misstanden bij de jacht op kangoeroes voor commercieel gewin, mensen informeren over het gebruik van kangoeroeleer door winkels zoals de Decathlon en Intersport en handtekeningen verzamelen voor een petitie tegen het gebruik en de import van kangoeroeleer. 2.1 De burgemeester heeft op basis van de Wet openbare manifestaties (Wom) een beperking gesteld. In het belang van het voorkomen van wanordelijkheden en in het belang van het waarborgen van veilige verkeersstromen heeft hij bepaald dat tien personen (en een cameraman) aan de demonstratie mochten deelnemen. De burgemeester heeft vastgesteld dat de demonstratie niet (volledig) in overeenstemming was met de uitgangspunten van het demonstratiebeleid. In dit beleid staat onder meer dat als uitgangspunt geldt dat demonstraties van meer dan tien personen in het kernwinkelgebied niet worden toegestaan. Op de locatie van de demonstratie is het volgens de burgemeester, zeker ook op maandagen tussen 15.00 uur en 17.00 uur, erg druk met onder meer bezoekers, passanten, toeristen, winkelend publiek en in- en uitgangen van het openbaar vervoer en de parkeergarage onder de Grote Marktstraat. Er zou daardoor een ongewenste vermenging kunnen plaatsvinden met andere verkeersstromen en de Grote Marktstraat is een belangrijke calamiteitenroute voor (nood)hulpdiensten. 2.2 De demonstratie heeft met tien personen plaatsgevonden. Partij voor de Dieren overweegt om in de toekomst nogmaals voor de sportwinkels in de Grote Marktstraat te demonstreren en wil daarom een oordeel van de rechtbank over de toelaatbaarheid van de beperking. Wat vinden partijen in beroep? 3. Volgens Partij voor de Dieren schuurt het demonstratiebeleid van de gemeente Den Haag als zodanig met de demonstratievrijheid. Het uitgangspunt van de vrijheid van vergadering is immers dat het aan demonstranten zélf is om te bepalen waar, wanneer, op welke wijze en met hoeveel mensen zij willen demonstreren. Nu worden zij op voorhand al in deze keuzes beperkt door het demonstratiebeleid. Beperkingen op beleidsmatige basis staan op gespannen voet met het vereiste dat elke beperking proportioneel moet zijn en in verhouding tot het legitieme doel. Het demonstratiebeleid heeft ook een “chilling effect”, wat volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in acht moet worden genomen bij de beoordeling van de proportionaliteit van een beperking. Het demonstratiebeleid kan afschrikwekkend werken voor mensen die wel met een De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of Partij voor de Dieren procesbelang heeft bij het beroep, omdat de demonstratie al heeft plaatsgevonden. De rechtbank overweegt dat het voor Partij voor de Dieren van belang is om duidelijkheid te krijgen over de vraag of de opgelegde beperking toelaatbaar was en daarmee ook inzicht te krijgen in de toelaatbaarheid van een dergelijke beperking bij toekomstige demonstraties. De rechtbank is dan ook van oordeel dat Partij voor de Dieren procesbelang heeft. Algemeen kader 6. Iedereen heeft het recht om te demonstreren. Dat is bepaald in artikel 9 van de Grondwet. Maar het recht om te demonstreren is niet onbeperkt. Uit artikel 9, tweede lid, van de Grondwet volgt dat een demonstratie beperkt mag worden ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en/of ter voorkoming van wanordelijkheden. Artikel 5, eerste lid, van de Wom geeft de burgemeester de bevoegdheid om voorschriften en beperkingen te stellen aan een demonstratie of om een verbod op te leggen. Artikel 2 van de Wom noemt de doelen waarvoor die bevoegdheid ingezet mag worden: ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding van wanordelijkheden. 6.1 Gelet op de tekst van artikel 5, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 2 van de Wom, komt aan de burgemeester beoordelingsruimte toe. Het is daarom in eerste instantie aan de burgemeester om aan de hand van de lokale omstandigheden een inschatting te maken of, en zo ja welke, beperkingen en voorschriften aan een demonstratie moeten worden gesteld. De rechter moet vervolgens bepalen of deze inschatting redelijk is. De motivering van de beperking 7. De rechtbank moet in deze procedure beoordelen of de burgemeester goed heeft uitgelegd hoe hij tot de inschatting is gekomen dat niet meer dan tien personen (en een cameraman) aan de demonstratie kunnen deelnemen en of deze inschatting redelijk is. De burgemeester heeft voor de onderbouwing van de beperking van het aantal demonstranten verwezen naar zijn beleid en hij heeft daarnaast een individuele beoordeling gemaakt. 7.1 In het beleid staat dat het in het kernwinkelgebied erg druk is met bezoekers, toeristen, winkelend publiek, openbaar vervoer en dergelijke voorzieningen. Bovendien is de ruimte in dit gebied doorgaans zeer beperkt, waardoor er een vermenging van publieksstromen kan optreden en de hulpdiensten bij ongeregeldheden of calamiteiten niet goed kunnen optreden. Gelet hierop geldt als uitgangspunt dat demonstratieve optochten, demonstraties van meer dan tien personen en/of risicovolle demonstraties in het kernwinkelgebied niet worden toegestaan. 7.2 De rechtbank vindt het op zichzelf niet in strijd met de demonstratievrijheid om voor verschillende gebieden als uitgangspunt een maximum aantal demonstranten of een bepaalde bandbreedte in beleid op te nemen. Het kan redelijk zijn om vanwege de bijzondere omstandigheden van een specifieke locatie op die plek als richtlijn een bepaald aantal demonstranten toe te staan. Maar de rechtbank stelt vast dat het beleid voor het kernwinkelgebied van toepassing is op een behoorlijk groot gebied dat erg verschilt per (deel van een) straat. Toch maakt het beleid geen onderscheid naar locatie binnen het kernwinkelgebied. Daar komt bij dat het beleid ook geen onderscheid maakt naar aard of tijdstip van de demonstratie, terwijl het voorstelbaar is dat bij een statische demonstratie op een relatief rustig tijdstip de risico’s op wanordelijkheden of een gevaarlijke verkeerssituatie als door meer dan tien personen wordt gedemonstreerd niet zonder meer vanzelfsprekend zijn. Bovendien blijkt uit (de toelichting bij) het beleid en de toelichting van de burgemeester in de besluiten en op de zitting ook niet op grond waarvan in het beleid voor een maximum van tien demonstranten is gekozen. Uit niets blijkt welke analyse er heeft plaatsgevonden. Zo is niet gebleken dat het aantal van tien demonstranten bijvoorbeeld op ervaringen is