Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-09
ECLI:NL:RBDHA:2026:9538
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,067 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9538 text/xml public 2026-04-29T10:57:16 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-09 AWB - 24 _ 608 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9538 text/html public 2026-04-29T10:53:01 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9538 Rechtbank Den Haag , 09-04-2026 / AWB - 24 _ 608 BPM, beroepen ongegrond Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummers: SGR 24/608 e.v. (zie bijlage) uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2026 in de zaak tussen [eiseres] BV, gevestigd te [plaats], eiseres (gemachtigde: mr. S.M. Bothof), en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder, en de Staat der Nederlanden, de Minister van Justitie en Veiligheid, de Staat. Procesverloop Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de op aangiften voldane Belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM). Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 14 december 2023 de op aangifte verschuldigde BPM ten aanzien van een aantal auto’s gehandhaafd en verminderd. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2026. Eiseres en gemachtigde zijn met bericht aan de rechtbank, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [medewerker belastingdienst 1] en mr. [medewerker belastingdienst 2]. Overwegingen Feiten 1. Door eiseres zijn de aangiften BPM ingediend voor de auto’s als vermeld in de bijlage. Tegen de op aangifte voldane BPM heeft eiseres bezwaar gemaakt. 2. Nadat eiseres op 21 januari 2020 is gehoord, zijn enkele bezwaren bij uitspraak op bezwaar gegrond verklaard in verband met een leeftijd-correctie en zijn de overige bezwaren ongegrond verklaard. Een aantal bezwaarschriften heeft verweerder niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn van 6 weken; verweerder heeft deze bezwaren vervolgens ambtshalve beoordeeld. Geschil 3. In geschil is de hoogte van de verschuldigde BPM en meer in het bijzonder is het volgende in geschil: - Hebben auto’s door de invoering van WLTP/NEDC2 testmethode een hogere CO2-uitstoot gekregen? - Worden WLTP/NEDC2 geteste auto’s daardoor zwaarder belast? - Zo ja, komt dit dan in strijd met artikel 110 VWEU, omdat referentievoertuigen die in dezelfde periode worden ingevoerd, doch waarvan de CO2-uitstoot is vastgesteld op basis van de NEDC1 testmethode, tot een lager bedrag in de heffing worden betrokken? - ALS WLTP/NEDC2 geteste auto’s tot een hoger bedrag in de heffing van bpm worden betrokken, handelt de inspecteur dan in strijd met het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel, aangezien de staatssecretaris zich op het standpunt heeft gesteld dat de invoering van de WLTP/NEDC2 niet tot een hogere belastingdruk mag leiden? 4. Eiseres stelt dat de WLTP/NEDC2-methode leidt tot een hogere geregistreerde CO2-uitstoot dan de NEDC1-methode, hetgeen leidt tot een hogere heffing van BPM. Dit is volgens eiseres in strijd met artikel 110 van het VWEU. 5. Verweerder heeft aangevoerd dat de bewijslast dat bij gelijksoortige auto’s het verschil in CO2-uitstoot uitsluitend wordt veroorzaakt door een andere meetmethode ligt bij eiseres. Het is daarbij onvoldoende om in algemene zin te stellen dat de CO2-uitstoot hoger is bij auto’s die met de WLTP-methode zijn getest dan wanneer die met de NEDC- methode zijn getest. Voor elke auto dient aannemelijk gemaakt te worden dat dit het geval is. Volgens verweerder heeft eiseres dit niet aannemelijk gemaakt. Beoordeling van het geschil Voorafgaand 6. De bezwaarschriften die zijn ingediend op 13 februari 2020 met zaaknummers SGR 24/634 t/m SGR 24/637 waarvan de BPM op aangifte is voldaan op 3 januari 2020 en met zaaknummer SGR 24/643 waarvan de BPM op aangifte is voldaan op 21 januari 2020, zijn ten onrechte door verweerder niet-ontvankelijk verklaard aangezien binnen de termijn van zes weken, in de zin van artikel 22j, lid 2 AWR bezwaar is gemaakt, zodat de beroepen met betrekking tot deze zaken in zoverre gegrond zijn. De rechtbank zal de zaken niet terugwijzen naar verweerder, aangezien eiseres niet in haar procesbelangen wordt geschaad indien de rechtbank deze zaken op gelijke wijze afdoet met de overige zaken. 7. Eiseres heeft gewezen op onderzoeken verricht door JATO, Bovag, KPMG en op een onderzoek door het kantoor van haar gemachtigde (de onderzoeken) waaruit volgens haar volgt dat de uitstoot volgens de WLTP/NEDC2-methode hoger ligt dan de CO2-uitstoot van vergelijkbare voertuigen die zijn getest volgens de NEDC1-methode. Met de enkele verwijzing naar de onderzoeken heeft eiseres volgens de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat in de onderhavige gevallen te veel BPM is voldaan. De conclusies van dergelijke algemene en brede onderzoeken kunnen niet rechtstreeks worden toegepast op de hier in geding zijnde auto’s. De rechtbank ziet op basis van voornoemde onderzoeken en hetgeen overigens door eiser is aangevoerd dan ook geen aanleiding om uit te gaan van een lagere CO2-uitstoot dan in de aangiften is vermeld. 8. Voor de toetsing aan artikel 110 VWEU van de maatstaf van heffing zoals die in de transitieregeling is neergelegd en die aansluit bij een CO2-uitstoot als vermeld in een bij de personenauto behorend certificaat van overeenstemming, gelden personenauto’s als gelijksoortig indien zij van hetzelfde merk en model zijn, dat wil zeggen dat zij behoren tot een categorie voertuigen die op de in bijlage II, deel B, behorend bij Richtlijn 2007/46/EG vermelde essentiële punten identiek zijn. De belastingplichtige die stelt dat in zijn geval artikel 110 VWEU is geschonden als gevolg van toepassing van de transitieregeling, moet aannemelijk maken (i) dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en (ii) dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto (dat wil zeggen: van hetzelfde merk en model, zoals hiervoor omschreven, als die buitenlandse personenauto) in nieuwe staat is geregistreerd . 9. Nu eiseres geen referentievoertuigen heeft aangeleverd, waarbij sprake is van gelijksoortige voertuigen heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat het verschil in CO2-uitstoot uitsluitend wordt veroorzaakt door een verschil in meetmethode. De beroepen zijn in zoverre ongegrond. Verzoek om immateriële schadevergoeding (ISV) 10. Eiseres heeft in haar beroepschrift verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een dergelijke vergoeding wordt toegekend indien een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd, waarvan een half jaar toekomt aan de bezwaarfase en anderhalf jaar aan de beroepsfase. De termijn vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. 11. De rechtbank merkt de onderhavige bezwaren en beroepen in dit verband aan als samenhangende zaken nu zij gezamenlijk behandeld zijn en in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Verweerder heeft het eerste bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslagen ontvangen op 16 december 2019 en verweerder heeft uitspraak op bezwaar gedaan op 14 december 2023. De rechtbank doet op 9 april 2026 uitspraak, waarmee 6 jaar en 4 maanden is verstreken. De redelijke termijn is derhalve overschreden met 4 jaar en 4 maanden. Eiseres heeft daarmee recht op een vergoeding van immateriële schade van € 4.500 (9 maal € 500). De termijnoverschrijding dient voor € 3.635 (42/52e deel) aan de bezwaarfase worden toegerekend en € 865 aan de beroepsfase. 12. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen met zaaknummers SGR 24/634 t/m SGR 24/637 en SGR 24/643 gegrond te worden verklaard ten aanzien van de ontvankelijkheid van het bezwaar en voor het overige ongegrond, en de overige beroepen zijn ongegrond.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9538 text/xml public 2026-04-29T10:57:16 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-09 AWB - 24 _ 608 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9538 text/html public 2026-04-29T10:53:01 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9538 Rechtbank Den Haag , 09-04-2026 / AWB - 24 _ 608 BPM, beroepen ongegrond Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummers: SGR 24/608 e.v. (zie bijlage) uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2026 in de zaak tussen [eiseres] BV, gevestigd te [plaats], eiseres (gemachtigde: mr. S.M. Bothof), en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder, en de Staat der Nederlanden, de Minister van Justitie en Veiligheid, de Staat. Procesverloop Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de op aangiften voldane Belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM). Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 14 december 2023 de op aangifte verschuldigde BPM ten aanzien van een aantal auto’s gehandhaafd en verminderd. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2026. Eiseres en gemachtigde zijn met bericht aan de rechtbank, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [medewerker belastingdienst 1] en mr. [medewerker belastingdienst 2]. Overwegingen Feiten 1. Door eiseres zijn de aangiften BPM ingediend voor de auto’s als vermeld in de bijlage. Tegen de op aangifte voldane BPM heeft eiseres bezwaar gemaakt. 2. Nadat eiseres op 21 januari 2020 is gehoord, zijn enkele bezwaren bij uitspraak op bezwaar gegrond verklaard in verband met een leeftijd-correctie en zijn de overige bezwaren ongegrond verklaard. Een aantal bezwaarschriften heeft verweerder niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn van 6 weken; verweerder heeft deze bezwaren vervolgens ambtshalve beoordeeld. Geschil 3. In geschil is de hoogte van de verschuldigde BPM en meer in het bijzonder is het volgende in geschil: - Hebben auto’s door de invoering van WLTP/NEDC2 testmethode een hogere CO2-uitstoot gekregen? - Worden WLTP/NEDC2 geteste auto’s daardoor zwaarder belast? - Zo ja, komt dit dan in strijd met artikel 110 VWEU, omdat referentievoertuigen die in dezelfde periode worden ingevoerd, doch waarvan de CO2-uitstoot is vastgesteld op basis van de NEDC1 testmethode, tot een lager bedrag in de heffing worden betrokken? - ALS WLTP/NEDC2 geteste auto’s tot een hoger bedrag in de heffing van bpm worden betrokken, handelt de inspecteur dan in strijd met het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel, aangezien de staatssecretaris zich op het standpunt heeft gesteld dat de invoering van de WLTP/NEDC2 niet tot een hogere belastingdruk mag leiden? 4. Eiseres stelt dat de WLTP/NEDC2-methode leidt tot een hogere geregistreerde CO2-uitstoot dan de NEDC1-methode, hetgeen leidt tot een hogere heffing van BPM. Dit is volgens eiseres in strijd met artikel 110 van het VWEU. 5. Verweerder heeft aangevoerd dat de bewijslast dat bij gelijksoortige auto’s het verschil in CO2-uitstoot uitsluitend wordt veroorzaakt door een andere meetmethode ligt bij eiseres. Het is daarbij onvoldoende om in algemene zin te stellen dat de CO2-uitstoot hoger is bij auto’s die met de WLTP-methode zijn getest dan wanneer die met de NEDC- methode zijn getest. Voor elke auto dient aannemelijk gemaakt te worden dat dit het geval is. Volgens verweerder heeft eiseres dit niet aannemelijk gemaakt. Beoordeling van het geschil Voorafgaand 6. De bezwaarschriften die zijn ingediend op 13 februari 2020 met zaaknummers SGR 24/634 t/m SGR 24/637 waarvan de BPM op aangifte is voldaan op 3 januari 2020 en met zaaknummer SGR 24/643 waarvan de BPM op aangifte is voldaan op 21 januari 2020, zijn ten onrechte door verweerder niet-ontvankelijk verklaard aangezien binnen de termijn van zes weken, in de zin van artikel 22j, lid 2 AWR bezwaar is gemaakt, zodat de beroepen met betrekking tot deze zaken in zoverre gegrond zijn. De rechtbank zal de zaken niet terugwijzen naar verweerder, aangezien eiseres niet in haar procesbelangen wordt geschaad indien de rechtbank deze zaken op gelijke wijze afdoet met de overige zaken. 7. Eiseres heeft gewezen op onderzoeken verricht door JATO, Bovag, KPMG en op een onderzoek door het kantoor van haar gemachtigde (de onderzoeken) waaruit volgens haar volgt dat de uitstoot volgens de WLTP/NEDC2-methode hoger ligt dan de CO2-uitstoot van vergelijkbare voertuigen die zijn getest volgens de NEDC1-methode. Met de enkele verwijzing naar de onderzoeken heeft eiseres volgens de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat in de onderhavige gevallen te veel BPM is voldaan. De conclusies van dergelijke algemene en brede onderzoeken kunnen niet rechtstreeks worden toegepast op de hier in geding zijnde auto’s. De rechtbank ziet op basis van voornoemde onderzoeken en hetgeen overigens door eiser is aangevoerd dan ook geen aanleiding om uit te gaan van een lagere CO2-uitstoot dan in de aangiften is vermeld. 8. Voor de toetsing aan artikel 110 VWEU van de maatstaf van heffing zoals die in de transitieregeling is neergelegd en die aansluit bij een CO2-uitstoot als vermeld in een bij de personenauto behorend certificaat van overeenstemming, gelden personenauto’s als gelijksoortig indien zij van hetzelfde merk en model zijn, dat wil zeggen dat zij behoren tot een categorie voertuigen die op de in bijlage II, deel B, behorend bij Richtlijn 2007/46/EG vermelde essentiële punten identiek zijn. De belastingplichtige die stelt dat in zijn geval artikel 110 VWEU is geschonden als gevolg van toepassing van de transitieregeling, moet aannemelijk maken (i) dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en (ii) dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto (dat wil zeggen: van hetzelfde merk en model, zoals hiervoor omschreven, als die buitenlandse personenauto) in nieuwe staat is geregistreerd . 9. Nu eiseres geen referentievoertuigen heeft aangeleverd, waarbij sprake is van gelijksoortige voertuigen heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat het verschil in CO2-uitstoot uitsluitend wordt veroorzaakt door een verschil in meetmethode. De beroepen zijn in zoverre ongegrond. Verzoek om immateriële schadevergoeding (ISV) 10. Eiseres heeft in haar beroepschrift verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een dergelijke vergoeding wordt toegekend indien een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd, waarvan een half jaar toekomt aan de bezwaarfase en anderhalf jaar aan de beroepsfase. De termijn vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. 11. De rechtbank merkt de onderhavige bezwaren en beroepen in dit verband aan als samenhangende zaken nu zij gezamenlijk behandeld zijn en in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Verweerder heeft het eerste bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslagen ontvangen op 16 december 2019 en verweerder heeft uitspraak op bezwaar gedaan op 14 december 2023. De rechtbank doet op 9 april 2026 uitspraak, waarmee 6 jaar en 4 maanden is verstreken. De redelijke termijn is derhalve overschreden met 4 jaar en 4 maanden. Eiseres heeft daarmee recht op een vergoeding van immateriële schade van € 4.500 (9 maal € 500). De termijnoverschrijding dient voor € 3.635 (42/52e deel) aan de bezwaarfase worden toegerekend en € 865 aan de beroepsfase. 12. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen met zaaknummers SGR 24/634 t/m SGR 24/637 en SGR 24/643 gegrond te worden verklaard ten aanzien van de ontvankelijkheid van het bezwaar en voor het overige ongegrond, en de overige beroepen zijn ongegrond.