Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-16
ECLI:NL:RBDHA:2026:9522
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
13,665 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9522 text/xml public 2026-04-28T12:24:59 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-16 09-383100-24 en 09-095707-25 (ttz. gev.) Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Op tegenspraak NL Den Haag Strafrecht; Materieel strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9522 text/html public 2026-04-28T12:24:40 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9522 Rechtbank Den Haag , 16-04-2026 / 09-383100-24 en 09-095707-25 (ttz. gev.) Jeugdstrafrecht. Bankfraude (oplichting en diefstal met valse sleutel), vrijheidsberoving door het slachtoffer in een bestelbus te trekken en daar in bedwang te houden, afpersing en het voorhanden hebben van een alarmpistool. Rechtbank DEN HAAG Meervoudige kamer jeugdstrafzaken Parketnummers: 09-383100-24 en 09-095707-25 (ttz. gev.) Datum uitspraak: 16 april 2026 Tegenspraak Vonnis (vul parketnummer in)van de rechtbank Den Haag in de (kies tussen de alternatieven)zaken tegen de verdachte: [de verdachte] (hierna: de verdachte), geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] , BRP-adres en verblijfsadres: [adres] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzitting van 2 april 2026. De officier van justitie in deze zaak is mr. A.L.M. de L’Isle en de raadsman van de verdachte is mr. A.R. Rens te ‘s-Gravenhage. De verdachte is op de terechtzitting verschenen. 2 De tenlasteleggingen De verdenkingen komen er, kort gezegd, op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan: Dagvaarding I: 09-383100-24 1. het medeplegen van oplichting van [aangever 1] op 29 november 2024 in Den Haag door zich (telefonisch) voor te doen als medewerker van een bank en vervolgens bankpassen en sieraden op te halen bij haar woning; 2. diefstal van € 500,- van [aangever 1] op 29 november 2024 in Den Haag door te pinnen met haar bankpas en pincode; Dagvaarding II: 09-095707-25 1. het medeplegen van het opzettelijk en wederrechtelijk [aangever 2] van zijn vrijheid beroven door (onder andere) hem een bestelbus in te trekken en daar in bedwang te houden op 28 maart 2025 in Den Haag/Rijswijk; 2. het medeplegen van afpersing van [aangever 2] op 28 maart 2025 in Den Haag/Rijswijk door hem met geweld te dwingen om zijn telefoon en/of toegangscode af te staan; 3. het medeplegen van het voorhanden hebben van een alarmpistool op 28 maart 2025 in Den Haag. De volledige tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3 De bewijsbeslissing 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank wat betreft de bewezenverklaring. 3.3 Gebruikte bewijsmiddelen – Dagvaarding I De rechtbank zal voor de feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring. Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het onderzoeksnummer DH2R024105 van de politie eenheid Den Haag, Districtsrecherche Den Haag-West, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 1395). De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen: Feiten 1 en 2 1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 2 april 2026; 2. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 29 november 2024 (p. 48-51). 3.4 Gebruikte bewijsmiddelen – Dagvaarding II De rechtbank zal voor de feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring. Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het onderzoeksnummer DH3R025039 van de politie eenheid Den Haag, Districtsrecherche Den Haag-Zuid, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 533). De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen: Feiten 1 en 2 1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 2 april 2026; 2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 28 maart 2025 (p. 54-64); 3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 29 maart 2025 (p. 109-119); Feit 3: 1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 2 april 2026; 2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 29 maart 2025 (p. 81-96); 3. Het proces-verbaal van Afdeling Specialistische Ondersteuning; Team Forensische Opsporing; Wapens, Munitie en Explosieven, opgemaakt op 30 maart 2025 (p. 97-101).
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9522 text/xml public 2026-04-28T12:24:59 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-16 09-383100-24 en 09-095707-25 (ttz. gev.) Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Op tegenspraak NL Den Haag Strafrecht; Materieel strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9522 text/html public 2026-04-28T12:24:40 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9522 Rechtbank Den Haag , 16-04-2026 / 09-383100-24 en 09-095707-25 (ttz. gev.) Jeugdstrafrecht. Bankfraude (oplichting en diefstal met valse sleutel), vrijheidsberoving door het slachtoffer in een bestelbus te trekken en daar in bedwang te houden, afpersing en het voorhanden hebben van een alarmpistool. Rechtbank DEN HAAG Meervoudige kamer jeugdstrafzaken Parketnummers: 09-383100-24 en 09-095707-25 (ttz. gev.) Datum uitspraak: 16 april 2026 Tegenspraak Vonnis (vul parketnummer in)van de rechtbank Den Haag in de (kies tussen de alternatieven)zaken tegen de verdachte: [de verdachte] (hierna: de verdachte), geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] , BRP-adres en verblijfsadres: [adres] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzitting van 2 april 2026. De officier van justitie in deze zaak is mr. A.L.M. de L’Isle en de raadsman van de verdachte is mr. A.R. Rens te ‘s-Gravenhage. De verdachte is op de terechtzitting verschenen. 2 De tenlasteleggingen De verdenkingen komen er, kort gezegd, op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan: Dagvaarding I: 09-383100-24 1. het medeplegen van oplichting van [aangever 1] op 29 november 2024 in Den Haag door zich (telefonisch) voor te doen als medewerker van een bank en vervolgens bankpassen en sieraden op te halen bij haar woning; 2. diefstal van € 500,- van [aangever 1] op 29 november 2024 in Den Haag door te pinnen met haar bankpas en pincode; Dagvaarding II: 09-095707-25 1. het medeplegen van het opzettelijk en wederrechtelijk [aangever 2] van zijn vrijheid beroven door (onder andere) hem een bestelbus in te trekken en daar in bedwang te houden op 28 maart 2025 in Den Haag/Rijswijk; 2. het medeplegen van afpersing van [aangever 2] op 28 maart 2025 in Den Haag/Rijswijk door hem met geweld te dwingen om zijn telefoon en/of toegangscode af te staan; 3. het medeplegen van het voorhanden hebben van een alarmpistool op 28 maart 2025 in Den Haag. De volledige tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3 De bewijsbeslissing 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank wat betreft de bewezenverklaring. 3.3 Gebruikte bewijsmiddelen – Dagvaarding I De rechtbank zal voor de feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring. Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het onderzoeksnummer DH2R024105 van de politie eenheid Den Haag, Districtsrecherche Den Haag-West, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 1395). De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen: Feiten 1 en 2 1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 2 april 2026; 2. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 29 november 2024 (p. 48-51). 3.4 Gebruikte bewijsmiddelen – Dagvaarding II De rechtbank zal voor de feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring. Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het onderzoeksnummer DH3R025039 van de politie eenheid Den Haag, Districtsrecherche Den Haag-Zuid, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 533). De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen: Feiten 1 en 2 1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 2 april 2026; 2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 28 maart 2025 (p. 54-64); 3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 29 maart 2025 (p. 109-119); Feit 3: 1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 2 april 2026; 2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 29 maart 2025 (p. 81-96); 3. Het proces-verbaal van Afdeling Specialistische Ondersteuning; Team Forensische Opsporing; Wapens, Munitie en Explosieven, opgemaakt op 30 maart 2025 (p. 97-101).
Volledig
3.5 De bewezenverklaring De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat: Dagvaarding I: 09-383100-24 1 hij op 29 november 2024 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [aangever 1] heeft bewogen tot de afgifte van bankpassen en een kistje met sieraden, door zich (telefonisch) voor te doen als medewerker van de bank en mede te delen uit voorzorg de bankpassen en de sieraden veilig te willen stellen en vervolgens die bankpassen en sieraden op te halen bij de woning van die [aangever 1] ; 2 hij op 29 november 2024 te ’s-Gravenhage een bedrag van 500 euro, dat geheel aan [aangever 1] [aangever 1] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door te pinnen met de bankpas en pincode van die [aangever 1] tot welk gebruik verdachte niet gerechtigd was; Dagvaarding II: 09-095707-25 1 hij op 28 maart 2025 te 's-Gravenhage en Rijswijk tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [aangever 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door - (terwijl die [aangever 2] om hulp en “Nee dit wil ik niet!” en "laat me met rust" schreeuwt) met kracht die [aangever 2] een bestelbus bus in te duwen en trekken en voorkomen dat hij weg kan komen, - die [aangever 2] in de laadruimte van de bus te plaatsen en die [aangever 2] daar in bedwang te houden, - de polsen van die [aangever 2] te boeien met ductape, - die [aangever 2] (met de vuisten) een of meer klappen tegen het hoofd en/of het lichaam te geven, - met een pistool tegen het hoofd van die [aangever 2] te slaan, - die [aangever 2] te mishandelen, - die [aangever 2] te dwingen mee te rijden, en - die [aangever 2] mee te nemen naar een parkeerplek in Rijswijk; 2 hij op 28 maart 2025 te 's-Gravenhage en/of Rijswijk tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [aangever 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon en de toegangscode van deze telefoon, die aan die [aangever 2] toebehoorden door - een pistool door te laden en dit wapen op die [aangever 2] te richten, - met een pistool tegen het hoofd van die [aangever 2] te slaan en - die [aangever 2] (met de vuisten) meerdere klappen tegen het hoofd en het lichaam te geven; 3 hij op 28 maart 2025 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen, een wapen van categorie III, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een, alarmpistool (merk: BBM type Mod92 8 mm) en bijbehorende knalmunitie voorhanden heeft gehad. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad. 4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. 5 De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6 De op te leggen straf 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 120 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 46 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar. De officier van justitie vordert om bijzondere voorwaarden op te leggen, namelijk een jeugdreclasseringsmaatregel met meldplicht, het medewerken aan diagnostiek en eventueel behandeling bij de Waag, het medewerken aan zinvolle dagbesteding en een contactverbod met medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman stelt zich op het standpunt dat er conform het advies van de Raad geen bijzondere voorwaarden opgelegd zouden moeten worden. De verdachte heeft zich al anderhalf jaar aan zijn schorsingsvoorwaarden gehouden en is inmiddels zelfstandig genoeg om praktische zaken voor zichzelf te regelen. De raadsman vraagt om geen langere jeugddetentie op te leggen dan de tijd die de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voor het overige refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank. 6.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het rapport en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. Ernst van de feiten De verdachte heeft samen met anderen een hoogbejaarde vrouw opgelicht. Daarbij heeft een medeverdachte het slachtoffer gebeld en zich voorgedaan als een medewerker van de bank die vertelde dat ze haar pinpas, pincode en sieraden moest afgeven aan een koerier (de verdachte) die later langs zou komen. De verdachte is daarbij de persoon geweest die als koerier de pinpassen en het kistje met sieraden bij het slachtoffer thuis heeft opgehaald en hij is met haar pinpas geld van haar rekening gaan pinnen. De verdachte heeft – alleen om aan geld te komen – misbruik gemaakt van het vertrouwen van dit kwetsbare slachtoffer, dat dacht dat zij het goede deed, omdat haar verteld was dat er inbraken in de straat waren gepleegd en er geld van haar rekening was afgeschreven. De verdachte heeft daarnaast samen met anderen [aangever 2] van zijn vrijheid beroofd door hem (onder andere) in een bestelbus te trekken en hem daar in bedwang te houden en zijn handen vast te binden met ducttape. De verdachte heeft daarna ook het slachtoffer gedwongen om zijn telefoon en code af te geven. Hierbij is met een alarmpistool gedreigd en geslagen. De verdachte heeft ook hier – om aan geld te komen – meegedaan aan een gewelddadig en beangstigend strafbaar feit, dat voor het slachtoffer grote gevolgen heeft gehad. Zo heeft het slachtoffer een flink bloedende hoofdwond en een gebroken vinger opgelopen. Daarnaast heeft het slachtoffer bij de politie aangegeven dat hij een trauma heeft opgelopen door wat er is gebeurd, hetgeen de rechtbank zich – mede omdat er ook gedreigd is met een (alarm)pistool – goed kan voorstellen. De verdachte heeft nota bene deze feiten gepleegd terwijl hij in een schorsing van zijn voorlopige hechtenis liep. De rechtbank rekent de verdachte dit alles aan. Strafblad De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 7 maart 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Dit speelt geen rol bij de straftoemeting, nu het uitgangspunt hoort te zijn dat iemand niet voor een strafbaar feit is veroordeeld. Persoon van de verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) van 26 maart 2026 en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige ter zitting is gegeven. Daaruit volgt – kort samengevat – dat de Raad adviseert om een jeugddetentie op te leggen gelijk aan het voorarrest met daarnaast een voorwaardelijke taakstraf of jeugddetentie. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van de Raad (anders dan in het rapport) aangegeven dat de Raad niet langer het opleggen van bijzondere voorwaarden adviseert. De verdachte heeft ter zitting verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en de Raad vraagt zich af of een verdere jeugdreclasseringsmaatregel voor hem effectief zou zijn. De afgelopen periode heeft de verdachte laten zien dat hij zich aan de regels kan houden en dat hij goed in staat is om zijn eigen zaken te regelen.
Volledig
3.5 De bewezenverklaring De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat: Dagvaarding I: 09-383100-24 1 hij op 29 november 2024 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [aangever 1] heeft bewogen tot de afgifte van bankpassen en een kistje met sieraden, door zich (telefonisch) voor te doen als medewerker van de bank en mede te delen uit voorzorg de bankpassen en de sieraden veilig te willen stellen en vervolgens die bankpassen en sieraden op te halen bij de woning van die [aangever 1] ; 2 hij op 29 november 2024 te ’s-Gravenhage een bedrag van 500 euro, dat geheel aan [aangever 1] [aangever 1] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door te pinnen met de bankpas en pincode van die [aangever 1] tot welk gebruik verdachte niet gerechtigd was; Dagvaarding II: 09-095707-25 1 hij op 28 maart 2025 te 's-Gravenhage en Rijswijk tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [aangever 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door - (terwijl die [aangever 2] om hulp en “Nee dit wil ik niet!” en "laat me met rust" schreeuwt) met kracht die [aangever 2] een bestelbus bus in te duwen en trekken en voorkomen dat hij weg kan komen, - die [aangever 2] in de laadruimte van de bus te plaatsen en die [aangever 2] daar in bedwang te houden, - de polsen van die [aangever 2] te boeien met ductape, - die [aangever 2] (met de vuisten) een of meer klappen tegen het hoofd en/of het lichaam te geven, - met een pistool tegen het hoofd van die [aangever 2] te slaan, - die [aangever 2] te mishandelen, - die [aangever 2] te dwingen mee te rijden, en - die [aangever 2] mee te nemen naar een parkeerplek in Rijswijk; 2 hij op 28 maart 2025 te 's-Gravenhage en/of Rijswijk tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [aangever 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon en de toegangscode van deze telefoon, die aan die [aangever 2] toebehoorden door - een pistool door te laden en dit wapen op die [aangever 2] te richten, - met een pistool tegen het hoofd van die [aangever 2] te slaan en - die [aangever 2] (met de vuisten) meerdere klappen tegen het hoofd en het lichaam te geven; 3 hij op 28 maart 2025 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen, een wapen van categorie III, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een, alarmpistool (merk: BBM type Mod92 8 mm) en bijbehorende knalmunitie voorhanden heeft gehad. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad. 4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. 5 De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6 De op te leggen straf 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 120 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 46 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar. De officier van justitie vordert om bijzondere voorwaarden op te leggen, namelijk een jeugdreclasseringsmaatregel met meldplicht, het medewerken aan diagnostiek en eventueel behandeling bij de Waag, het medewerken aan zinvolle dagbesteding en een contactverbod met medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman stelt zich op het standpunt dat er conform het advies van de Raad geen bijzondere voorwaarden opgelegd zouden moeten worden. De verdachte heeft zich al anderhalf jaar aan zijn schorsingsvoorwaarden gehouden en is inmiddels zelfstandig genoeg om praktische zaken voor zichzelf te regelen. De raadsman vraagt om geen langere jeugddetentie op te leggen dan de tijd die de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voor het overige refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank. 6.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het rapport en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. Ernst van de feiten De verdachte heeft samen met anderen een hoogbejaarde vrouw opgelicht. Daarbij heeft een medeverdachte het slachtoffer gebeld en zich voorgedaan als een medewerker van de bank die vertelde dat ze haar pinpas, pincode en sieraden moest afgeven aan een koerier (de verdachte) die later langs zou komen. De verdachte is daarbij de persoon geweest die als koerier de pinpassen en het kistje met sieraden bij het slachtoffer thuis heeft opgehaald en hij is met haar pinpas geld van haar rekening gaan pinnen. De verdachte heeft – alleen om aan geld te komen – misbruik gemaakt van het vertrouwen van dit kwetsbare slachtoffer, dat dacht dat zij het goede deed, omdat haar verteld was dat er inbraken in de straat waren gepleegd en er geld van haar rekening was afgeschreven. De verdachte heeft daarnaast samen met anderen [aangever 2] van zijn vrijheid beroofd door hem (onder andere) in een bestelbus te trekken en hem daar in bedwang te houden en zijn handen vast te binden met ducttape. De verdachte heeft daarna ook het slachtoffer gedwongen om zijn telefoon en code af te geven. Hierbij is met een alarmpistool gedreigd en geslagen. De verdachte heeft ook hier – om aan geld te komen – meegedaan aan een gewelddadig en beangstigend strafbaar feit, dat voor het slachtoffer grote gevolgen heeft gehad. Zo heeft het slachtoffer een flink bloedende hoofdwond en een gebroken vinger opgelopen. Daarnaast heeft het slachtoffer bij de politie aangegeven dat hij een trauma heeft opgelopen door wat er is gebeurd, hetgeen de rechtbank zich – mede omdat er ook gedreigd is met een (alarm)pistool – goed kan voorstellen. De verdachte heeft nota bene deze feiten gepleegd terwijl hij in een schorsing van zijn voorlopige hechtenis liep. De rechtbank rekent de verdachte dit alles aan. Strafblad De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 7 maart 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Dit speelt geen rol bij de straftoemeting, nu het uitgangspunt hoort te zijn dat iemand niet voor een strafbaar feit is veroordeeld. Persoon van de verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) van 26 maart 2026 en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige ter zitting is gegeven. Daaruit volgt – kort samengevat – dat de Raad adviseert om een jeugddetentie op te leggen gelijk aan het voorarrest met daarnaast een voorwaardelijke taakstraf of jeugddetentie. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van de Raad (anders dan in het rapport) aangegeven dat de Raad niet langer het opleggen van bijzondere voorwaarden adviseert. De verdachte heeft ter zitting verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en de Raad vraagt zich af of een verdere jeugdreclasseringsmaatregel voor hem effectief zou zijn. De afgelopen periode heeft de verdachte laten zien dat hij zich aan de regels kan houden en dat hij goed in staat is om zijn eigen zaken te regelen.
Volledig
De jeugdreclassering heeft ter zitting aangegeven achter het hierboven genoemde advies van de Raad te staan. De verdachte heeft duidelijk gemaakt dat hij, helemaal nu hij achttien jaar is geworden, geen strafbare feiten meer zal plegen. De coach die bij hem betrokken is kan de verdachte nog een korte periode blijven begeleiden en hem helpen om een leerwerkbedrijf te vinden. Redelijke termijn De redelijke termijn waarbinnen een jeugdstrafzaak moet zijn afgedaan is zestien maanden. Die termijn is in de zaak met parketnummer 09-383100-24 op 4 december 2024 aangevangen toen de verdachte in verzekering werd gesteld. De redelijke termijn is op de uitspraakdatum met 13 dagen overschreden. De rechtbank volstaat met deze constatering, en past geen strafvermindering toe, omdat er slechts sprake is van een zeer korte overschrijding van de redelijke termijn. Strafmodaliteit en strafmaat De rechtbank stelt voorop dat het jeugdstrafrecht een pedagogisch karakter heeft. Dat betekent dat het voornaamste doel is om te zorgen dat de jeugdige die een strafbaar feit pleegt, geholpen wordt om zich op een zodanige manier te ontwikkelen dat hij niet weer strafbare feiten pleegt. Dit is in het belang van de jeugdige, maar ook in het belang van de maatschappij waarin de jonge verdachte uiteindelijk altijd weer terecht zal komen. Vergelding staat in het jeugdstrafrecht om die reden niet voorop als strafdoel. De rechtbank kan, gelet op de ernst van de feiten, niet volstaan met een andere straf dan een jeugddetentie. De rechtbank is van oordeel dat het niet in het belang van de ontwikkeling van de verdachte is om hem een langere onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen dan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft gezeten. De verdachte werkt, is op zoek naar een leerwerkbedrijf en is volgens de deskundigen goed in staat om zijn eigen zaken te regelen. De rechtbank zal aan de verdachte wel een hogere voorwaardelijke jeugddetentie opleggen dan de officier van justitie heeft geëist, met een proeftijd van twee jaar, als waarschuwing en om hem ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal aan de verdachte opleggen een jeugddetentie van 150 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 76 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan het voorwaardelijke gedeelte van de straf bijzondere voorwaarden te verbinden. De Raad en de jeugdreclassering hebben dit niet geadviseerd en de coach die betrokken is, kan voorlopig in het vrijwillige kader nog aanblijven. Ook heeft de verdachte zich gedurende de schorsing van zijn voorlopige hechtenis goed gehouden aan de bijzondere voorwaarden die voor hem golden. De rechtbank ziet, net als de Raad en de jeugdreclassering, geen aanleiding om op dit moment nog diagnostisch onderzoek te laten plaatsvinden naar de verdachte, zoals de officier van justitie heeft gevraagd. Ook voor het opleggen van een contactverbod met de medeverdachten ziet de rechtbank geen aanleiding, nu de verdachte zich eerder goed aan een dergelijke voorwaarde van de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft gehouden, en hij bovendien heeft toegelicht dat hij zijn medeverdachten niet (meer) (her)kent. 7 De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel ABN AMRO Bank N.V., vertegenwoordigd door [naam 1] en [naam 2] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 14.158,29 bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. ING Bank N.V., vertegenwoordigd door [naam 3] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van materiële schade een bedrag van € 14.108,28, bestaande uit coulancebetalingen voor 12 slachtoffers (€ 11.984,28) en onderzoekskosten (€ 2.124,-) in 19 dossiers, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. 7.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van ABN AMRO niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De officier van justitie stelt dat de vordering van ING hoofdelijk toegewezen kan worden tot een bedrag van € 611,79 (€ 500,- coulancevergoeding en € 111,79 aan onderzoekskosten), en dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk moet worden verklaard. 7.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman sluit zich aan bij het standpunt van de officier van justitie. 7.3 Het oordeel van de rechtbank ABN AMRO Bank N.V. De rechtbank zal de benadeelde partij ABN AMRO Bank N.V. niet-ontvankelijk verklaren de vordering, omdat aan deze benadeelde partij niet rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. Uit de aangifte van ABN AMRO blijkt immers dat de bank geen geld vergoed heeft aan [aangever 1] . ING Bank N.V. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding I onder 2 bewezenverklaarde feit. De materiële schade en de onderzoekskosten zijn door de benadeelde partij voldoende onderbouwd en door de verdediging niet betwist. De rechtbank stelt de materiële schade daarom vast op € 611,79, bestaande uit een coulancebetaling van € 500,- en een aandeel (1/19e deel) in de door de bank gemaakte kosten van € 111,79, nu de totale gevorderde onderzoekskosten op 19 dossiers zijn gebaseerd. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van haar vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Wettelijke rente De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 12 januari 2025, de datum van de coulancebetaling aan [aangever 1] , omdat op die datum de volledige schade voor de ING Bank is ontstaan. Proceskostenveroordeling verdachte Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Hoofdelijkheid Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met (een) mededader(s) heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededader(s) een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen. Schadevergoedingsmaatregel Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bij dagvaarding I onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 611,79, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 12 januari 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van de ING Bank N.V. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast. 8 De inbeslaggenomen voorwerpen 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert de verbeurdverklaring van een gedeelte van € 140,- van het onder de verdachte in beslag genomen bedrag van € 250,- (in de zaak met nummer 09-383100-24) en teruggave van het restant van € 110,-. De officier van justitie meldt dat opdracht is gegeven om de Lenovo laptop (in de zaak met nummer 09-095707-25) aan de verdachte terug te geven. 8.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
Volledig
De jeugdreclassering heeft ter zitting aangegeven achter het hierboven genoemde advies van de Raad te staan. De verdachte heeft duidelijk gemaakt dat hij, helemaal nu hij achttien jaar is geworden, geen strafbare feiten meer zal plegen. De coach die bij hem betrokken is kan de verdachte nog een korte periode blijven begeleiden en hem helpen om een leerwerkbedrijf te vinden. Redelijke termijn De redelijke termijn waarbinnen een jeugdstrafzaak moet zijn afgedaan is zestien maanden. Die termijn is in de zaak met parketnummer 09-383100-24 op 4 december 2024 aangevangen toen de verdachte in verzekering werd gesteld. De redelijke termijn is op de uitspraakdatum met 13 dagen overschreden. De rechtbank volstaat met deze constatering, en past geen strafvermindering toe, omdat er slechts sprake is van een zeer korte overschrijding van de redelijke termijn. Strafmodaliteit en strafmaat De rechtbank stelt voorop dat het jeugdstrafrecht een pedagogisch karakter heeft. Dat betekent dat het voornaamste doel is om te zorgen dat de jeugdige die een strafbaar feit pleegt, geholpen wordt om zich op een zodanige manier te ontwikkelen dat hij niet weer strafbare feiten pleegt. Dit is in het belang van de jeugdige, maar ook in het belang van de maatschappij waarin de jonge verdachte uiteindelijk altijd weer terecht zal komen. Vergelding staat in het jeugdstrafrecht om die reden niet voorop als strafdoel. De rechtbank kan, gelet op de ernst van de feiten, niet volstaan met een andere straf dan een jeugddetentie. De rechtbank is van oordeel dat het niet in het belang van de ontwikkeling van de verdachte is om hem een langere onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen dan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft gezeten. De verdachte werkt, is op zoek naar een leerwerkbedrijf en is volgens de deskundigen goed in staat om zijn eigen zaken te regelen. De rechtbank zal aan de verdachte wel een hogere voorwaardelijke jeugddetentie opleggen dan de officier van justitie heeft geëist, met een proeftijd van twee jaar, als waarschuwing en om hem ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal aan de verdachte opleggen een jeugddetentie van 150 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 76 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan het voorwaardelijke gedeelte van de straf bijzondere voorwaarden te verbinden. De Raad en de jeugdreclassering hebben dit niet geadviseerd en de coach die betrokken is, kan voorlopig in het vrijwillige kader nog aanblijven. Ook heeft de verdachte zich gedurende de schorsing van zijn voorlopige hechtenis goed gehouden aan de bijzondere voorwaarden die voor hem golden. De rechtbank ziet, net als de Raad en de jeugdreclassering, geen aanleiding om op dit moment nog diagnostisch onderzoek te laten plaatsvinden naar de verdachte, zoals de officier van justitie heeft gevraagd. Ook voor het opleggen van een contactverbod met de medeverdachten ziet de rechtbank geen aanleiding, nu de verdachte zich eerder goed aan een dergelijke voorwaarde van de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft gehouden, en hij bovendien heeft toegelicht dat hij zijn medeverdachten niet (meer) (her)kent. 7 De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel ABN AMRO Bank N.V., vertegenwoordigd door [naam 1] en [naam 2] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 14.158,29 bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. ING Bank N.V., vertegenwoordigd door [naam 3] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van materiële schade een bedrag van € 14.108,28, bestaande uit coulancebetalingen voor 12 slachtoffers (€ 11.984,28) en onderzoekskosten (€ 2.124,-) in 19 dossiers, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. 7.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van ABN AMRO niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De officier van justitie stelt dat de vordering van ING hoofdelijk toegewezen kan worden tot een bedrag van € 611,79 (€ 500,- coulancevergoeding en € 111,79 aan onderzoekskosten), en dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk moet worden verklaard. 7.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman sluit zich aan bij het standpunt van de officier van justitie. 7.3 Het oordeel van de rechtbank ABN AMRO Bank N.V. De rechtbank zal de benadeelde partij ABN AMRO Bank N.V. niet-ontvankelijk verklaren de vordering, omdat aan deze benadeelde partij niet rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. Uit de aangifte van ABN AMRO blijkt immers dat de bank geen geld vergoed heeft aan [aangever 1] . ING Bank N.V. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding I onder 2 bewezenverklaarde feit. De materiële schade en de onderzoekskosten zijn door de benadeelde partij voldoende onderbouwd en door de verdediging niet betwist. De rechtbank stelt de materiële schade daarom vast op € 611,79, bestaande uit een coulancebetaling van € 500,- en een aandeel (1/19e deel) in de door de bank gemaakte kosten van € 111,79, nu de totale gevorderde onderzoekskosten op 19 dossiers zijn gebaseerd. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van haar vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Wettelijke rente De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 12 januari 2025, de datum van de coulancebetaling aan [aangever 1] , omdat op die datum de volledige schade voor de ING Bank is ontstaan. Proceskostenveroordeling verdachte Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Hoofdelijkheid Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met (een) mededader(s) heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededader(s) een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen. Schadevergoedingsmaatregel Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bij dagvaarding I onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 611,79, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 12 januari 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van de ING Bank N.V. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast. 8 De inbeslaggenomen voorwerpen 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert de verbeurdverklaring van een gedeelte van € 140,- van het onder de verdachte in beslag genomen bedrag van € 250,- (in de zaak met nummer 09-383100-24) en teruggave van het restant van € 110,-. De officier van justitie meldt dat opdracht is gegeven om de Lenovo laptop (in de zaak met nummer 09-095707-25) aan de verdachte terug te geven. 8.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
Volledig
8.3 Het oordeel van de rechtbank Dagvaarding I: 09-383100-24 De rechtbank zal een deel van € 140,- van het op de beslaglijst onder 1 genummerde goed (€ 250,-) verbeurdverklaren. Dit goed is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien het aan de verdachte toebehoort en dit goed geheel door middel van het onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit is verkregen. Nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van de overige € 110,-. Dagvaarding II: 09-095707-25 Nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van het op de beslaglijst onder 2 genummerde voorwerp (1 STK Computer (Notebook met oplaadsnoer, Zwart, merk: Lenovo)). 9 De toepasselijke wetsartikelen De op te leggen straf is gegrond op de artikelen: 33, 33a, 36f, 47, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77gg, 282, 311, 312, 317 en 326 van het Wetboek van Strafrecht; 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden. 10 De beslissing De rechtbank: bewezenverklaring verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 1 en 2 en de bij dagvaarding II onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.5 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als: Dagvaarding I: 09-383100-24 feit 1: medeplegen van oplichting; feit 2: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels; Dagvaarding II: 09-095707-25 feit 1: medeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden; feit 2: afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen; feit 3: medeplegen van het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie; verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij; verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar; straf veroordeelt de verdachte tot: een jeugddetentie voor de duur van 150 DAGEN ; beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (de rechtbank gaat uit van 74 dagen) , bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; bepaalt, dat een gedeelte van die straf, 76 DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel verklaart de benadeelde partij ABN AMRO Bank N.V. niet-ontvankelijk in de vordering; wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ING Bank N.V. gedeeltelijk hoofdelijk toe tot een bedrag van € 611,79 en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij ING Bank N.V., een bedrag van € 611,79, bestaande aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 12 januari 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan; bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader(s) van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag; verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader(s) de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 611,79, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 januari 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen; verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, door de verdachte of door zijn mededader(s), de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen; de inbeslaggenomen goederen Dagvaarding I: 09-383100-24 verklaart verbeurd een deel van het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp, te weten: € 140,-; gelast de teruggave aan de verdachte van een deel van het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp, te weten: € 110,-; Dagvaarding II: 09-095707-25 gelast de teruggave aan de verdachte van het op de beslaglijst onder 2 genummerde voorwerp, te weten: 1 STK Computer (Omschrijving: Notebook met oplaadsnoer, Zwart, merk: Lenovo) de bevelen tot voorlopige hechtenis heft op de geschorste bevelen tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde. Dit vonnis is gewezen door: mr. A.M.A. Keulen, kinderrechter, voorzitter, mr. drs. W.G. de Boer, kinderrechter, en mr. T.E.F. Reijnders, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.T. Verlinde, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 april 2026.
Volledig
8.3 Het oordeel van de rechtbank Dagvaarding I: 09-383100-24 De rechtbank zal een deel van € 140,- van het op de beslaglijst onder 1 genummerde goed (€ 250,-) verbeurdverklaren. Dit goed is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien het aan de verdachte toebehoort en dit goed geheel door middel van het onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit is verkregen. Nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van de overige € 110,-. Dagvaarding II: 09-095707-25 Nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van het op de beslaglijst onder 2 genummerde voorwerp (1 STK Computer (Notebook met oplaadsnoer, Zwart, merk: Lenovo)). 9 De toepasselijke wetsartikelen De op te leggen straf is gegrond op de artikelen: 33, 33a, 36f, 47, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77gg, 282, 311, 312, 317 en 326 van het Wetboek van Strafrecht; 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden. 10 De beslissing De rechtbank: bewezenverklaring verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 1 en 2 en de bij dagvaarding II onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.5 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als: Dagvaarding I: 09-383100-24 feit 1: medeplegen van oplichting; feit 2: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels; Dagvaarding II: 09-095707-25 feit 1: medeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden; feit 2: afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen; feit 3: medeplegen van het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie; verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij; verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar; straf veroordeelt de verdachte tot: een jeugddetentie voor de duur van 150 DAGEN ; beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (de rechtbank gaat uit van 74 dagen) , bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; bepaalt, dat een gedeelte van die straf, 76 DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel verklaart de benadeelde partij ABN AMRO Bank N.V. niet-ontvankelijk in de vordering; wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ING Bank N.V. gedeeltelijk hoofdelijk toe tot een bedrag van € 611,79 en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij ING Bank N.V., een bedrag van € 611,79, bestaande aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 12 januari 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan; bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader(s) van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag; verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader(s) de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 611,79, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 januari 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen; verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, door de verdachte of door zijn mededader(s), de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen; de inbeslaggenomen goederen Dagvaarding I: 09-383100-24 verklaart verbeurd een deel van het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp, te weten: € 140,-; gelast de teruggave aan de verdachte van een deel van het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp, te weten: € 110,-; Dagvaarding II: 09-095707-25 gelast de teruggave aan de verdachte van het op de beslaglijst onder 2 genummerde voorwerp, te weten: 1 STK Computer (Omschrijving: Notebook met oplaadsnoer, Zwart, merk: Lenovo) de bevelen tot voorlopige hechtenis heft op de geschorste bevelen tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde. Dit vonnis is gewezen door: mr. A.M.A. Keulen, kinderrechter, voorzitter, mr. drs. W.G. de Boer, kinderrechter, en mr. T.E.F. Reijnders, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.T. Verlinde, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 april 2026.