Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-04-20
ECLI:NL:RBDHA:2026:9479
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL24.24644 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , V-nummer: [nummer 1] , eiseres mede namens haar minderjarig kind [minderjarige] , V-nummer: [nummer 2] (gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar), en de minister van Asiel en Migratie , voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. Y.M. van der Lei). Procesverloop Bij besluit van 9 september 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder de voor eiseres ingediende aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [naam 1] ’ (referent) afgewezen. Bij besluit van 16 mei 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2026 op zitting behandeld, gevoegd met het beroep in de zaak van referent (NL.24.32932). Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Tevens zijn verschenen referent en [naam 2] , tolk. Overwegingen Inleiding 1. Eiseres is geboren op [geboortedatum 1] 1985 en heeft de nationaliteit van de Democratische Republiek Congo. Zij en haar minderjarig kind beogen verblijf bij referent, hun gestelde echtgenoot en vader. Referent is geboren op [geboortedatum 2] 1992 en heeft ook de nationaliteit van de Democratische Republiek Congo. Hij verblijft in Nederland sinds 2018 op grond van een verblijfsvergunning asiel. Referent heeft op 13 mei 2022 de thans voorliggende mvv-aanvragen ingediend voor eiseres en hun kind voor het uitoefenen van gezinsleven in Nederland. 2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit primair op het standpunt gesteld dat de verblijfsvergunning van referent niet langer geldig is en hij om die reden niet als referent kan fungeren. Daarnaast is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven omdat de echtheid van de huwelijksakte niet vaststaat, nu de akte niet is aangeboden bij Bureau Documenten ter onderzoek. Ook zijn er geen paspoorten overgelegd van eiseres en de minderjarige zoon en is niet op een andere wijze de identiteit van beiden aangetoond. Verder voldoet referent niet aan het middelenvereiste, met name omdat zijn inkomen niet duurzaam is. Volgens verweerder zijn er geen bijzondere omstandigheden die reden geven om af te wijken van de beleidsregels (artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). De afwijzing van de aanvraag is volgens verweerder bovendien niet in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Beoordeling door de rechtbank Juridisch kader 3. Het voor deze uitspraak relevante juridisch kader is opgenomen in de aan deze uitspraak gehechte bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak. Verblijfsstatus referent 4.1. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte heeft tegengeworpen dat [naam 1] niet als referent kan optreden, omdat zijn verblijfsvergunning is verlopen en wellicht zijn verblijfsrecht zal worden ingetrokken. Een mogelijke intrekking van de verblijfsvergunning (neergelegd in een voornemen) is geen wettelijke afwijzingsgrond. 4.2. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij besluit van 22 mei 2018 aan referent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft toegekend voor de periode van vijf jaar. Op 23 januari 2023 heeft referent een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Verweerder heeft op 27 juni 2023 een voornemen uitgebracht tot intrekking van de asielvergunning van referent met terugwerkende kracht tot 22 mei 2018 en tot afwijzing van de aanvraag voor een asielvergunning voor onbepaalde tijd. Op 16 mei 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de afwijzing van haar mvv-aanvraag voor verblijf bij referent ongegrond verklaard. Bij besluit van 24 juli 2024 heeft verweerder de Referent heeft zijn middelen van bestaan als volgt toegelicht. Op 13 september 2021 is referent gestart bij [bedrijf 1] als oproepkracht op basis van een nulurencontract en per 13 mei 2022 is hij daar voor een periode van twaalf maanden op basis van een nulurencontract in dienst getreden als oproepkracht. Eiseres heeft salarisstroken overgelegd van werkzaamheden van referent voor [bedrijf 1] van september 2021 tot en met april 2022 en een salarisstrook van augustus 2022, om zijn werkelijke inkomsten te onderbouwen. Verder heeft eiseres nog twee loonstroken van referent overgelegd van september en oktober 2022 bij [bedrijf 2] , waar referent als oproepkracht heeft gewerkt. Voor de periode van november 2022 en december 2022 heeft referent loonstroken overgelegd van Startpeople, waar hij per 25 oktober 2022 als oproepkracht werkzaam was. Per 1 januari 2023 is referent een arbeidsovereenkomst (uitzendovereenkomst met vaste arbeidsduur en recht op loondoorbetaling) aangegaan met Startpeople op basis van een arbeidsduur van 132 uren per vier weken, voor de duur van de opdracht en ten hoogste 51 weken. Hiervan zijn loonstroken overgelegd van 8 maart 2023, 15 maart 2023 en 29 maart 2023. In de perioden van 16 februari 2023 tot en met 26 februari 2023, 14 maart 2023 tot en met 18 maart 2023, 20 maart 2023 tot en met 21 mei 2023 heeft referent eveneens een ziektewetuitkering ontvangen. Tot slot heeft referent een betaalspecificatie overgelegd van een ontvangen vakantietoeslag op een werkloosheidsuitkering, die zag op de maand november 2022. Volgens eiseres mag verweerder niet tegenwerpen dat referent een periode een beroep heeft gedaan op de Werkloosheidswet, omdat dit geen voorziening betreft die uit de openbare kas gefinancierd wordt. Dat geldt ook voor de periode dat referent een Ziektewetuitkering heeft ontvangen. 5.3.2. Verweerder heeft op basis van informatie uit Suwinet vastgesteld dat referent in de periode van oktober 2019 tot en met juni 2022 een uitkering op grond van de Participatiewet heeft ontvangen. Daarnaast blijkt volgens verweerder uit Suwinet dat referent heeft gewerkt voor Randstad Uitzendbureau in februari 2024 en maart 2024. De grondslag voor de uitzendovereenkomst was: “Fase A met uitzendbeding”, wat betekent dat de uitzendovereenkomst van referent in beginsel op elk moment naargelang de voorkeur van de inlener of het uitzendbureau beëindigd kan worden. Gelet hierop heeft verweerder geoordeeld dat deze uitzendovereenkomst niet duurzaam is. Daarnaast heeft referent in maart 2024 en april 2024 gewerkt voor [bedrijf 3] , eveneens op grond van een uitzendovereenkomst “Fase A met uitzendbeding”. Ook deze uitzendovereenkomst heeft verweerder om de hiervoor genoemde reden niet aangemerkt als duurzaam. 5.4. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) volgt dat verzoeken om gezinshereniging gelet op artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn individueel moeten worden beoordeeld (zie het arrest van 4 maart 2010 inzake Chakroun, ECLI:EU:C:2010:117 en het arrest van 9 juli 2015 inzake K. en A., ECLI:EU:C:2015:453). Het is aan de bevoegde nationale autoriteiten om bij de tenuitvoerlegging van de Gezinsherenigingsrichtlijn en bij het onderzoek van de verzoeken om gezinshereniging een evenwichtige en redelijke beoordeling van alle in het geding zijnde belangen te maken (zie onder meer het arrest van 6 december 2012 inzake O. e.a., ECLI:EU:C:2012:776). Uit het arrest Khachab van het Hof van 21 april 2016, C-558/14 (ECLI:EU:C:2016:285) volgt dat verweerder bij zijn beoordeling of referent duurzaam beschikt over middelen van bestaan alle relevante omstandigheden moet betrekken. Bij deze beoordeling kunnen elementen als de kwalificaties van de gezinshereniger, de stabiliteit van de inkomsten ondanks een tijdelijk dienstverband en de situatie op de arbeidsmarkt een rol spelen. Naar aanleiding van het arrest Khachab heeft verweerder artikel 3.24b aan het VV toegevoegd. 5.5. Naar het oordeel van de rechtba Verweerder heeft geen of onvoldoende rekening gehouden met het feit dat referent nog steeds als vluchteling geldt en dat er zodoende een objectieve belemmering is om het recht op gezinsleven uit te oefenen in het land van herkomst. Verder heeft verweerder ten onrechte niet betrokken dat referent en zijn gezin niet zonder meer veilig zijn in Oeganda, zoals blijkt uit de overgelegde politieverklaring over de mishandelingen van eiseres en haar gezin. 6.2. Op 27 maart 2024 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) geoordeeld dat verweerder bij een beroep op artikel 8 van het EVRM geen belangenafweging hoeft te maken als er geen familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM bestaat. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de belangenafweging daarom in beginsel niet gemaakt hoefde te worden. Nu verweerder de belangenafweging wel heeft gemaakt, zal de rechtbank deze ten overvloede wel toetsen. 6.3. Uit de jurisprudentie van het EHRM, onder meer het arrest Rodrigues da Silva en Hoogkamer t. Nederland van 31 januari 2006 (ECLI:CE:ECHR:2006:0131JUD005043599) en de jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 28 augustus 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3323), volgt dat bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van gezinsleven een ‘fair balance’ moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling en diens familie enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken. De rechtbank dient te beoordelen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, indien dit het geval is, of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen enerzijds het belang van de vreemdeling en diens familie bij de uitoefening van het privéleven en familie- en gezinsleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Deze maatstaf impliceert dat de toetsing door de rechter enigszins terughoudend dient te zijn. 6.4. De rechtbank stelt vast dat verweerder – anders dan eiseres stelt – alle van betekenis zijnde relevante feiten en omstandigheden bij zijn belangenafweging heeft betrokken. 6.4.1. Verweerder heeft terecht overwogen dat in geval van een eerste toelating en waarbij niet aan de voorwaarden van toelating is voldaan – zoals het geval is bij eiseres – het belang van de Nederlandse overheid in beginsel zwaarder weegt. Dat is alleen anders als er sprake is van zeer bijzondere feiten en omstandigheden. Eiseres heeft deze feiten en omstandigheden niet aannemelijk gemaakt. 6.4.2. Verweerder heeft verder kunnen overwegen dat er weliswaar sprake is van een objectieve belemmering om het familieleven uit te oefenen in de Democratische Republiek Congo, maar dat niet is gebleken dat eiseres en referent hun familieleven niet in Oeganda kunnen uitoefenen. Referent is immers nog in 2022 naar Oeganda gereisd om met eiseres te trouwen. De overgelegde politieverklaringen over de mishandeling van eiseres en haar kinderen maken dat niet anders. De rechtbank kan de toelichting van verweerder ter zitting, dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een verband is tussen de mishandelingen en het asielmotief van referent, volgen. 6.5. Mede gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat verweerder zich niet ten onrechte en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat bij de afweging tussen enerzijds het algemeen belang dat is gediend bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid en anderzijds het persoonlijk belang van eiseres bij de uitoefening van haar familieleven hier te lande, aan het algemeen belang doorslaggevend gewicht toekent. Verweerder heeft Verweerder heeft het door eiseres gemaakte bezwaar ontvangen op 6 oktober 2022. Twee jaar daarna, op 6 oktober 2024, is de redelijke termijn verstreken. Inmiddels is de redelijke termijn met ruim achttien maanden overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven deze overschrijding gerechtvaardigd te achten is geen sprake. Eiseres heeft daarom recht op € 2.000,- schadevergoeding. 8.4. De behandeling van het bezwaar heeft (iets meer dan) negentien maanden in beslag genomen. Daarmee heeft verweerder de redelijke termijn voor het behandelen van het bezwaar met (iets meer dan) dertien maanden overschreden. Daarom wordt de overschrijding van de redelijke termijn voor 13/18 deel aan verweerder toegerekend. Het overige 5/18 deel wordt aan de rechtbank toegerekend. Dit betekent dat verweerder wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van afgerond (13/18 van € 2.000,- =) € 1.444,- aan eiseres en de Staat tot betaling van een schadevergoeding van afgerond (5/18 van € 2.000,- =) € 556,-. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is ongegrond. 10. De rechtbank zal eiseres wel een vergoeding toekennen voor de door haar gemaakte proceskosten. Voor het verzoek tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn moeten verweerder en de Staat ieder de helft van de proceskosten betalen, nu de overschrijding van de redelijke termijn is toe te rekenen aan zowel verweerder als de rechtbank. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 467,00 (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is uitgegaan van een wegingsfactor 0,5 omdat de kostenvergoeding alleen wordt toegekend vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. 11. Verder geeft de toepassing van artikel 6:22 van de Awb aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiseres in beroep heeft gemaakt. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres in beroep gemaakte proceskosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand tot een bedrag van € 1.868,00 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor de zitting, met een waarde per punt van € 934,00 en wegingsfactor 1). 12. Ook moet verweerder het griffierecht van € 187,00 aan eiseres vergoeden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - veroordeelt verweerder tot betaling aan eiseres van een schadevergoeding van € 1.444,00; - veroordeelt de Staat tot betaling aan eiseres van een schadevergoeding van € 556,00; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.101,50; - veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 233,50; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 187,00 aan eiseres te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B.C. Hoeksel, griffier. BIJLAGE Richtlijn 2003/86/EG (Gezinsherenigingsrichtlijn) Artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, luidt als volgt. Bij de indiening van het verzoek tot gezinshereniging kan de betrokken lidstaat de persoon die het verzoek heeft ingediend, verzoeken het bewijs te leveren dat de gezinshereniger beschikt over stabiele en regelmatige inkomsten die volstaan om hemzelf en zijn gezinsleden te onderhouden, zonder een beroep te doen op het stelsel voor sociale bijstand van de betrokken lidstaat. De lidstaten beoordelen daartoe de aard en de regelmaat van deze inkomsten en kunnen rekening houden met de nationale minimumlonen en pensioenen, evenals met het aantal gezinsleden. Vreemdelingenwet 2000 (Vw) Artikel 2a eerste lid, van de Vw luidt als volgt. Ten behoeve van het verblijf van een vreemdeling in Nederland, niet zijnde een gemeenschapsonderdaan, kan in ieder geval als referent optreden: een Nederlander, die in Nederland verblijft of met die vreemdeling in Nederland gaat verblijven; een vreemdeling, die rechtmatig in Nederland verblijft op gron