Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-20
ECLI:NL:RBDHA:2026:9447
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,055 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9447 text/xml public 2026-04-28T12:00:31 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4441 Rechtbank Den Haag 2026-04-20 NL24.25308 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9447 text/html public 2026-04-20T13:19:04 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9447 Rechtbank Den Haag , 20-04-2026 / NL24.25308 Vreemdelingenrecht. Beroep ongegrond. Verzoek om toepassing artikel 64 van de Vreemdelingenwet afgewezen. Uit BMA-rapport blijkt niet dat een medische noodsituatie ontstaat en eiser ook anderszins kan reizen. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL24.25308 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. M.M. van Daalhuizen), en de minister van Asiel en Migratie , verweerder (gemachtigde: mr. C. Wesenbeek). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het afwijzen van de aanvraag van eiser om toepassing te geven aan artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en niet tot uitzetting over te gaan vanwege zijn gezondheidstoestand (terminale longkanker). Eiser is het niet eens met de afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing. 1.1. De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat uit het BMA-advies volgt dat eiser in staat is te reizen en geen sprake is van een te verwachten medische noodsituatie. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft met een beroep op artikel 64 van de Vw verzocht om niet tot uitzetting over te gaan. Met het besluit van 27 februari 2023 is de aanvraag afgewezen. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. 2.1. Met het bestreden besluit van 13 juni 2024 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. Verweerder heeft hierop gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Eiser is met voorafgaand bericht niet verschenen. Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1973 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiser is op 29 augustus 1980 Nederland binnengekomen. Met het besluit van 14 november 2018 is de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd ingetrokken. Dit besluit heeft formele rechtskracht. 3.1. In 2019 is gebleken dat eiser terminale longkanker heeft met uitzaaiingen naar de botten. In dat kader is eiser eerder op grond van artikel 64 van de Vw uitstel van vertrek verleend, welke termijn op 7 januari 2021 is verlopen. 3.2. Op 12 januari 2023 heeft eiser de onderhavige aanvraag om uitstel van vertrek ingediend. Op 24 februari 2023 heeft het Bureau Medisch Advies (BMA) op verzoek van verweerder advies uitgebracht. Uit dit advies blijkt dat eiser in staat is om te reizen. Ook volgt uit dit advies dat bij het uitblijven van een medische behandeling op korte termijn geen medische noodsituatie wordt verwacht. Het BMA overweegt dat eiser sinds maart 2022 niet meer actief wordt behandeld en uit controles is gebleken dat de tumoren rustig zijn gebleven. Met het besluit van 27 februari 2023 heeft verweerder aan de hand van dit advies de aanvraag afgewezen. 3.3. Hangende het bezwaar van eiser heeft verweerder het BMA – gelet op het tijdsverloop – verzocht om opnieuw advies uit te brengen. Uit het advies van 7 mei 2024 volgt dat na het einde van de behandeling in maart 2022 al twee jaar sprake is van een stabiele situatie met goede vooruitzichten voor de middellange termijn. Om die reden wordt bij het uitblijven van behandelingen nog steeds geen medische noodzaak verwacht binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden. Omdat eiser ook in staat is om te reizen, wordt de aanvraag om uitstel van vertrek ook in bezwaar afgewezen. Toetsingskader 4. Een vreemdeling mag niet worden uitgezet als het voor de vreemdeling vanwege zijn gezondheidstoestand niet verantwoord is om te reizen. Uitzetting blijft ook achterwege als een reëel risico bestaat dat binnen een termijn van drie tot zes maanden na uitzetting een medische noodsituatie ontstaat. 4.1. Het wettelijk kader van deze zaak staat in de bijlage bij deze uitspraak. Is het BMA-advies zorgvuldig tot stand gekomen? 5. Eiser stelt dat verweerder het bestreden besluit niet had mogen baseren op het BMA-advies van 7 mei 2024. Eiser geeft aan dat het BMA ten onrechte geen medische informatie heeft opgevraagd bij de behandelend longarts en de Straatdokter. Door het ontbreken van actuele medische stukken, had het BMA geen advies kunnen uitbrengen. 5.1. Als verweerder een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, volgt uit vaste rechtspraak dat de toetsing van de rechtbank zich beperkt tot de beoordeling of verweerder zich ervan heeft vergewist dat dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusie daarop aansluit. Het is vervolgens aan eiser om de juistheid van het deskundigenadvies te betwisten, bijvoorbeeld met een contra-expertise. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het BMA-advies van 7 mei 2024 aan voornoemde vereisten voldoet. Het BMA heeft dat advies gebaseerd op de meest recente medische informatie van de behandelend longarts. Uit de brief van de longarts van 19 februari 2024 volgt dat bijna twee jaar na het staken van de behandeling sprake is van een stabiele situatie die goede vooruitzichten biedt voor de middellange termijn. Eiser betwist dit medisch oordeel niet. Eiser heeft ook geen aanvullende medische informatie overgelegd waaruit volgt dat zijn medische situatie op het moment van het afgeven van het BMA-advies op 7 mei 2024 of het nemen van het bestreden besluit op 13 juni 2024 anders was. De rechtbank oordeelt daarom dat het BMA-advies aan het besluit ten grondslag kon worden gelegd. 5.2. Deze beroepsgrond slaagt niet. Is sprake van een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM om medische redenen? 6. Eiser stelt verder dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende is ingegaan op de gevolgen van de terugkeer naar Marokko. Eiser stelt dat een medische noodsituatie ontstaat als hij niet meer wordt gecontroleerd en ook geen immuuntherapie kan krijgen. 6.1. De rechtbank overweegt dat verweerder de gevolgen van de terugkeer voldoende heeft betrokken in het bestreden besluit. Verweerder heeft daarbij – zoals ook al volgt uit overweging 5.1 – kunnen afgaan op het advies van het BMA van 7 mei 2024. Het BMA geeft in dat advies aan dat – hoewel het risico bestaat dat zonder controles een nieuwe tumor laat wordt ontdekt – bij het achterwege blijven van controles binnen de indicatieve termijn van drie tot zes maanden geen medische noodsituatie wordt verwacht. Ondanks het ontbreken van een actieve behandeling is de situatie stabiel gebleven. Dit volgt uit het (toen) meest recente oordeel van de longarts dat de situatie in ieder geval al twee jaar stabiel is en dat goede vooruitzichten biedt op de middellange termijn. Nu het BMA concludeert dat bij het uitblijven van behandeling een medische noodsituatie niet wordt verwacht, is geen sprake van een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM om medische redenen. Los daarvan volgt uit het BMA-advies niet dat medische behandeling op dat moment nodig was, zodat niet wordt toegekomen aan de vraag of eiser toegang heeft tot die behandeling. Zoals de rechtbank in 5.1 heeft overwogen, heeft eiser ook geen andere (medische) gegevens overgelegd waaruit volgt dat het BMA-advies niet klopt. De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht is uitgegaan van het advies van het BMA. 6.2. Deze beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is ongegrond.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9447 text/xml public 2026-04-28T12:00:31 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4441 Rechtbank Den Haag 2026-04-20 NL24.25308 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9447 text/html public 2026-04-20T13:19:04 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9447 Rechtbank Den Haag , 20-04-2026 / NL24.25308 Vreemdelingenrecht. Beroep ongegrond. Verzoek om toepassing artikel 64 van de Vreemdelingenwet afgewezen. Uit BMA-rapport blijkt niet dat een medische noodsituatie ontstaat en eiser ook anderszins kan reizen. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL24.25308 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. M.M. van Daalhuizen), en de minister van Asiel en Migratie , verweerder (gemachtigde: mr. C. Wesenbeek). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het afwijzen van de aanvraag van eiser om toepassing te geven aan artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en niet tot uitzetting over te gaan vanwege zijn gezondheidstoestand (terminale longkanker). Eiser is het niet eens met de afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing. 1.1. De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat uit het BMA-advies volgt dat eiser in staat is te reizen en geen sprake is van een te verwachten medische noodsituatie. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft met een beroep op artikel 64 van de Vw verzocht om niet tot uitzetting over te gaan. Met het besluit van 27 februari 2023 is de aanvraag afgewezen. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. 2.1. Met het bestreden besluit van 13 juni 2024 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. Verweerder heeft hierop gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Eiser is met voorafgaand bericht niet verschenen. Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1973 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiser is op 29 augustus 1980 Nederland binnengekomen. Met het besluit van 14 november 2018 is de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd ingetrokken. Dit besluit heeft formele rechtskracht. 3.1. In 2019 is gebleken dat eiser terminale longkanker heeft met uitzaaiingen naar de botten. In dat kader is eiser eerder op grond van artikel 64 van de Vw uitstel van vertrek verleend, welke termijn op 7 januari 2021 is verlopen. 3.2. Op 12 januari 2023 heeft eiser de onderhavige aanvraag om uitstel van vertrek ingediend. Op 24 februari 2023 heeft het Bureau Medisch Advies (BMA) op verzoek van verweerder advies uitgebracht. Uit dit advies blijkt dat eiser in staat is om te reizen. Ook volgt uit dit advies dat bij het uitblijven van een medische behandeling op korte termijn geen medische noodsituatie wordt verwacht. Het BMA overweegt dat eiser sinds maart 2022 niet meer actief wordt behandeld en uit controles is gebleken dat de tumoren rustig zijn gebleven. Met het besluit van 27 februari 2023 heeft verweerder aan de hand van dit advies de aanvraag afgewezen. 3.3. Hangende het bezwaar van eiser heeft verweerder het BMA – gelet op het tijdsverloop – verzocht om opnieuw advies uit te brengen. Uit het advies van 7 mei 2024 volgt dat na het einde van de behandeling in maart 2022 al twee jaar sprake is van een stabiele situatie met goede vooruitzichten voor de middellange termijn. Om die reden wordt bij het uitblijven van behandelingen nog steeds geen medische noodzaak verwacht binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden. Omdat eiser ook in staat is om te reizen, wordt de aanvraag om uitstel van vertrek ook in bezwaar afgewezen. Toetsingskader 4. Een vreemdeling mag niet worden uitgezet als het voor de vreemdeling vanwege zijn gezondheidstoestand niet verantwoord is om te reizen. Uitzetting blijft ook achterwege als een reëel risico bestaat dat binnen een termijn van drie tot zes maanden na uitzetting een medische noodsituatie ontstaat. 4.1. Het wettelijk kader van deze zaak staat in de bijlage bij deze uitspraak. Is het BMA-advies zorgvuldig tot stand gekomen? 5. Eiser stelt dat verweerder het bestreden besluit niet had mogen baseren op het BMA-advies van 7 mei 2024. Eiser geeft aan dat het BMA ten onrechte geen medische informatie heeft opgevraagd bij de behandelend longarts en de Straatdokter. Door het ontbreken van actuele medische stukken, had het BMA geen advies kunnen uitbrengen. 5.1. Als verweerder een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, volgt uit vaste rechtspraak dat de toetsing van de rechtbank zich beperkt tot de beoordeling of verweerder zich ervan heeft vergewist dat dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusie daarop aansluit. Het is vervolgens aan eiser om de juistheid van het deskundigenadvies te betwisten, bijvoorbeeld met een contra-expertise. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het BMA-advies van 7 mei 2024 aan voornoemde vereisten voldoet. Het BMA heeft dat advies gebaseerd op de meest recente medische informatie van de behandelend longarts. Uit de brief van de longarts van 19 februari 2024 volgt dat bijna twee jaar na het staken van de behandeling sprake is van een stabiele situatie die goede vooruitzichten biedt voor de middellange termijn. Eiser betwist dit medisch oordeel niet. Eiser heeft ook geen aanvullende medische informatie overgelegd waaruit volgt dat zijn medische situatie op het moment van het afgeven van het BMA-advies op 7 mei 2024 of het nemen van het bestreden besluit op 13 juni 2024 anders was. De rechtbank oordeelt daarom dat het BMA-advies aan het besluit ten grondslag kon worden gelegd. 5.2. Deze beroepsgrond slaagt niet. Is sprake van een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM om medische redenen? 6. Eiser stelt verder dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende is ingegaan op de gevolgen van de terugkeer naar Marokko. Eiser stelt dat een medische noodsituatie ontstaat als hij niet meer wordt gecontroleerd en ook geen immuuntherapie kan krijgen. 6.1. De rechtbank overweegt dat verweerder de gevolgen van de terugkeer voldoende heeft betrokken in het bestreden besluit. Verweerder heeft daarbij – zoals ook al volgt uit overweging 5.1 – kunnen afgaan op het advies van het BMA van 7 mei 2024. Het BMA geeft in dat advies aan dat – hoewel het risico bestaat dat zonder controles een nieuwe tumor laat wordt ontdekt – bij het achterwege blijven van controles binnen de indicatieve termijn van drie tot zes maanden geen medische noodsituatie wordt verwacht. Ondanks het ontbreken van een actieve behandeling is de situatie stabiel gebleven. Dit volgt uit het (toen) meest recente oordeel van de longarts dat de situatie in ieder geval al twee jaar stabiel is en dat goede vooruitzichten biedt op de middellange termijn. Nu het BMA concludeert dat bij het uitblijven van behandeling een medische noodsituatie niet wordt verwacht, is geen sprake van een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM om medische redenen. Los daarvan volgt uit het BMA-advies niet dat medische behandeling op dat moment nodig was, zodat niet wordt toegekomen aan de vraag of eiser toegang heeft tot die behandeling. Zoals de rechtbank in 5.1 heeft overwogen, heeft eiser ook geen andere (medische) gegevens overgelegd waaruit volgt dat het BMA-advies niet klopt. De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht is uitgegaan van het advies van het BMA. 6.2. Deze beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is ongegrond.