Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-16
ECLI:NL:RBDHA:2026:9415
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,061 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9415 text/xml public 2026-04-28T12:30:59 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-16 C/09/702632 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9415 text/html public 2026-04-28T12:30:43 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9415 Rechtbank Den Haag , 16-04-2026 / C/09/702632 Korte toewijzing verzoek ondertoezichtstelling met het verzoek te onderzoeken of Kracht de hulpverlening kan organiseren in het dwangkader of in het vrijwillig kader en zo ja, op welke termijn dit kan starten. RECHTBANK DEN HAAG Team Jeugd- en Zorgrecht Zaaknummer: C/09/702632 / JE RK 26-553 Datum uitspraak: 16 april 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verzoek tot ondertoezichtstelling in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming, te Den Haag, hierna te noemen: de Raad, over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1] , [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2] . De kinderrechter merkt als informant aan: de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering , hierna te noemen: de gecertificeerde instelling. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: de aan de Raad gerichte en op 26 januari 2026 gedateerde aanvraag van de gecertificeerde instelling om de beslissing om geen verlenging van de ondertoezichtstelling te verzoeken, te toetsen; het op 6 februari 2026 gedateerde document getiteld ‘de beslissing van de gecertificeerde instelling om geen verlenging van de ondertoezichtstelling te verzoeken’; het op 6 februari 2026 vastgestelde Plan van Aanpak (Afsluitrapportage) van de gecertificeerde instelling; de toetsing van de Raad, gedateerd op 1 april 2026; het herstelrekest van de Raad, gedateerd op 2 april 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 april 2026. Daarbij waren aanwezig: [naam 1] namens de Raad; [naam 2] namens de gecertificeerde instelling; de moeder; de vader via een telefonische verbinding. 1.3. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening over het verzoek gevraagd. [minderjarige] heeft voorafgaand aan de zitting een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. 2 De feiten 2.1. Het huwelijk van de ouders is door echtscheiding ontbonden. 2.2. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.3. [minderjarige] woont bij haar moeder. 2.4. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 maart 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 28 maart 2026. 3 Het verzoek 3.1. De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De beoordeling 4.1. De kinderrechter moet de vraag beantwoorden of [minderjarige] (nu de eerder door de kinderrechter van deze rechtbank uitgesproken periode van ondertoezichtstelling is verstreken) opnieuw onder toezicht moet worden gesteld. 4.2. De gecertificeerde instelling, in de persoon van de voormalige jeugdbeschermer (hierna ten behoeve van de leesbaarheid: de jeugdbeschermer), heeft schriftelijk en ter zitting het volgende naar voren gebracht over het verloop van de ondertoezichtstelling tussen 25 maart 2025 en 28 maart 2026. [minderjarige] kreeg aanvankelijk hulp van een coach van [instelling 1] en vanuit [instelling 2] was voor [minderjarige] en haar moeder een gezinscoach betrokken. Deze hulpverlening werd door [minderjarige] en haar moeder als positief en helpend ervaren. In de zomer van 2025 heeft de jeugdbeschermer bij de gemeente Den Haag, de betrokken gemeente in deze, een verzoek ingediend om verlenging van deze vormen van hulpverlening. [instelling 3] , de organisatie die in opdracht van de gemeente de jeugdhulp (in bepaalde postcodegebieden) uitvoert en in dit verband ook de taak toebedeeld heeft gekregen om aanvragen als hier aan de orde te beoordelen, heeft vervolgens verlenging toegestaan voor drie maanden (tot oktober 2025). Hierna echter heeft [instelling 3] te kennen gegeven dat verdere verlenging niet mogelijk is omdat [instelling 3] dezelfde hulp als die [minderjarige] en haar moeder ontvingen, kan bieden vanuit (andere) instanties waarbij de gemeente hulp heeft ingekocht. De jeugdbeschermer heeft hierop aan [instelling 3] laten weten dat [instelling 3] vanuit de rol zie zij heeft, de beslissing van een gecertificeerde instelling niet kan beïnvloeden, [instelling 3] niet kan bepalen welke hulp passend is voor een bepaald gezin, de jeugdbeschermer op deze manier de ondertoezichtstelling niet adequaat kan uitvoeren en zij zich daarom genoodzaakt voelt het gezin aan [instelling 3] over te dragen. De jeugdbeschermer, die van oordeel was dat verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk was, heeft de aanmelding bij [instelling 3] vervolgens doorgezet, in de verwachting dat [instelling 3] passende hulp zou kunnen (gaan) inzetten. Inmiddels, vele maanden verder, is de voor [minderjarige] en haar moeder noodzakelijk geachte hulpverlening nog steeds niet ingeschakeld. Vanuit [instelling 3] is wel meegedeeld dat als er een belangrijke hulpvraag ligt, de ouders ook zelf een aanmelding kunnen doen; dit is de snelste route, aldus [instelling 3] , en die aanmelding kan [instelling 3] eventueel prioriteren. Voor een dergelijke aanmelding is echter ook de toestemming van de vader van [minderjarige] nodig en omdat hij wantrouwend is richting hulpverlening, is het volgens de jeugdbeschermer de vraag of dit snel geregeld kan worden. Kort voorafgaand aan de zitting heeft de jeugdbeschermer van [instelling 3] het volgende begrepen: - als de kinderrechter het verzoek van de Raad toewijst, dan kan binnen de looptijd van de ondertoezichtstelling de zaak door [instelling 3] worden opgepakt; - als de kinderrechter het verzoek van de Raad afwijst, dan kan [instelling 3] de zaak binnen twee weken in het vrijwillig kader overnemen. De jeugdbeschermer heeft in dit verband nog naar voren gebracht dat zij, als de kinderrechter het verzoek van de Raad toewijst, waarschijnlijk als jeugdbeschermer bij het gezin betrokken kan blijven, maar dat er wel een kans bestaat dat de zaak bij de gecertificeerde instelling op de zogenoemde ‘monitorlijst’ komt te staan. 4.3. De Raad heeft schriftelijk en ter zitting zijn verbazing over de gang van zaken uitgesproken. Dat de continuïteit van de hulpverlening voor [minderjarige] en haar moeder is doorbroken op de wijze zoals door de gecertificeerde instelling beschreven, is niet in het belang van [minderjarige] en haar moeder en dit maakt dat de zorgen die er al lange tijd zijn, blijven voortbestaan. Voor [minderjarige] is een voorspelbare structuur en voortgezet toezicht nodig. Positief is te noemen dat [minderjarige] meer dan voorheen naar dagbesteding gaat en zij binnenkort kan gaan starten met een mbo-opleiding. Er is echter méér nodig. De Raad heeft er onvoldoende vertrouwen in dat de hulp voor [minderjarige] en haar moeder vanuit [instelling 3] snel geregeld kan zijn, ook als de ouders zelf een aanmelding zouden doen, wat de Raad overigens als omslachtig voorkomt. 4.4. De kinderrechter overweegt als volgt. Alle betrokkenen zijn het er over eens dat er nog steeds sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] . De vraag die dan resteert, is hoe deze ontwikkelingsbedreiging kan worden weggenomen, meer in het bijzonder of dit binnen een ondertoezichtstelling moet of in het vrijwillig kader kan. 4.5. Met de Raad en de gecertificeerde instelling is de kinderrechter van oordeel dat de stagnatie in de hulpverlening, waar zowel [minderjarige] en haar moeder veel aan hadden, en de wijze waarop [instelling 3] in dit verband heeft geopereerd, opmerkelijk en zorgwekkend is te noemen.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9415 text/xml public 2026-04-28T12:30:59 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-16 C/09/702632 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9415 text/html public 2026-04-28T12:30:43 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9415 Rechtbank Den Haag , 16-04-2026 / C/09/702632 Korte toewijzing verzoek ondertoezichtstelling met het verzoek te onderzoeken of Kracht de hulpverlening kan organiseren in het dwangkader of in het vrijwillig kader en zo ja, op welke termijn dit kan starten. RECHTBANK DEN HAAG Team Jeugd- en Zorgrecht Zaaknummer: C/09/702632 / JE RK 26-553 Datum uitspraak: 16 april 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verzoek tot ondertoezichtstelling in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming, te Den Haag, hierna te noemen: de Raad, over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1] , [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2] . De kinderrechter merkt als informant aan: de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering , hierna te noemen: de gecertificeerde instelling. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: de aan de Raad gerichte en op 26 januari 2026 gedateerde aanvraag van de gecertificeerde instelling om de beslissing om geen verlenging van de ondertoezichtstelling te verzoeken, te toetsen; het op 6 februari 2026 gedateerde document getiteld ‘de beslissing van de gecertificeerde instelling om geen verlenging van de ondertoezichtstelling te verzoeken’; het op 6 februari 2026 vastgestelde Plan van Aanpak (Afsluitrapportage) van de gecertificeerde instelling; de toetsing van de Raad, gedateerd op 1 april 2026; het herstelrekest van de Raad, gedateerd op 2 april 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 april 2026. Daarbij waren aanwezig: [naam 1] namens de Raad; [naam 2] namens de gecertificeerde instelling; de moeder; de vader via een telefonische verbinding. 1.3. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening over het verzoek gevraagd. [minderjarige] heeft voorafgaand aan de zitting een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. 2 De feiten 2.1. Het huwelijk van de ouders is door echtscheiding ontbonden. 2.2. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.3. [minderjarige] woont bij haar moeder. 2.4. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 maart 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 28 maart 2026. 3 Het verzoek 3.1. De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De beoordeling 4.1. De kinderrechter moet de vraag beantwoorden of [minderjarige] (nu de eerder door de kinderrechter van deze rechtbank uitgesproken periode van ondertoezichtstelling is verstreken) opnieuw onder toezicht moet worden gesteld. 4.2. De gecertificeerde instelling, in de persoon van de voormalige jeugdbeschermer (hierna ten behoeve van de leesbaarheid: de jeugdbeschermer), heeft schriftelijk en ter zitting het volgende naar voren gebracht over het verloop van de ondertoezichtstelling tussen 25 maart 2025 en 28 maart 2026. [minderjarige] kreeg aanvankelijk hulp van een coach van [instelling 1] en vanuit [instelling 2] was voor [minderjarige] en haar moeder een gezinscoach betrokken. Deze hulpverlening werd door [minderjarige] en haar moeder als positief en helpend ervaren. In de zomer van 2025 heeft de jeugdbeschermer bij de gemeente Den Haag, de betrokken gemeente in deze, een verzoek ingediend om verlenging van deze vormen van hulpverlening. [instelling 3] , de organisatie die in opdracht van de gemeente de jeugdhulp (in bepaalde postcodegebieden) uitvoert en in dit verband ook de taak toebedeeld heeft gekregen om aanvragen als hier aan de orde te beoordelen, heeft vervolgens verlenging toegestaan voor drie maanden (tot oktober 2025). Hierna echter heeft [instelling 3] te kennen gegeven dat verdere verlenging niet mogelijk is omdat [instelling 3] dezelfde hulp als die [minderjarige] en haar moeder ontvingen, kan bieden vanuit (andere) instanties waarbij de gemeente hulp heeft ingekocht. De jeugdbeschermer heeft hierop aan [instelling 3] laten weten dat [instelling 3] vanuit de rol zie zij heeft, de beslissing van een gecertificeerde instelling niet kan beïnvloeden, [instelling 3] niet kan bepalen welke hulp passend is voor een bepaald gezin, de jeugdbeschermer op deze manier de ondertoezichtstelling niet adequaat kan uitvoeren en zij zich daarom genoodzaakt voelt het gezin aan [instelling 3] over te dragen. De jeugdbeschermer, die van oordeel was dat verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk was, heeft de aanmelding bij [instelling 3] vervolgens doorgezet, in de verwachting dat [instelling 3] passende hulp zou kunnen (gaan) inzetten. Inmiddels, vele maanden verder, is de voor [minderjarige] en haar moeder noodzakelijk geachte hulpverlening nog steeds niet ingeschakeld. Vanuit [instelling 3] is wel meegedeeld dat als er een belangrijke hulpvraag ligt, de ouders ook zelf een aanmelding kunnen doen; dit is de snelste route, aldus [instelling 3] , en die aanmelding kan [instelling 3] eventueel prioriteren. Voor een dergelijke aanmelding is echter ook de toestemming van de vader van [minderjarige] nodig en omdat hij wantrouwend is richting hulpverlening, is het volgens de jeugdbeschermer de vraag of dit snel geregeld kan worden. Kort voorafgaand aan de zitting heeft de jeugdbeschermer van [instelling 3] het volgende begrepen: - als de kinderrechter het verzoek van de Raad toewijst, dan kan binnen de looptijd van de ondertoezichtstelling de zaak door [instelling 3] worden opgepakt; - als de kinderrechter het verzoek van de Raad afwijst, dan kan [instelling 3] de zaak binnen twee weken in het vrijwillig kader overnemen. De jeugdbeschermer heeft in dit verband nog naar voren gebracht dat zij, als de kinderrechter het verzoek van de Raad toewijst, waarschijnlijk als jeugdbeschermer bij het gezin betrokken kan blijven, maar dat er wel een kans bestaat dat de zaak bij de gecertificeerde instelling op de zogenoemde ‘monitorlijst’ komt te staan. 4.3. De Raad heeft schriftelijk en ter zitting zijn verbazing over de gang van zaken uitgesproken. Dat de continuïteit van de hulpverlening voor [minderjarige] en haar moeder is doorbroken op de wijze zoals door de gecertificeerde instelling beschreven, is niet in het belang van [minderjarige] en haar moeder en dit maakt dat de zorgen die er al lange tijd zijn, blijven voortbestaan. Voor [minderjarige] is een voorspelbare structuur en voortgezet toezicht nodig. Positief is te noemen dat [minderjarige] meer dan voorheen naar dagbesteding gaat en zij binnenkort kan gaan starten met een mbo-opleiding. Er is echter méér nodig. De Raad heeft er onvoldoende vertrouwen in dat de hulp voor [minderjarige] en haar moeder vanuit [instelling 3] snel geregeld kan zijn, ook als de ouders zelf een aanmelding zouden doen, wat de Raad overigens als omslachtig voorkomt. 4.4. De kinderrechter overweegt als volgt. Alle betrokkenen zijn het er over eens dat er nog steeds sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] . De vraag die dan resteert, is hoe deze ontwikkelingsbedreiging kan worden weggenomen, meer in het bijzonder of dit binnen een ondertoezichtstelling moet of in het vrijwillig kader kan. 4.5. Met de Raad en de gecertificeerde instelling is de kinderrechter van oordeel dat de stagnatie in de hulpverlening, waar zowel [minderjarige] en haar moeder veel aan hadden, en de wijze waarop [instelling 3] in dit verband heeft geopereerd, opmerkelijk en zorgwekkend is te noemen.