Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-13
ECLI:NL:RBDHA:2026:9407
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
15,952 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9407 text/xml public 2026-04-28T12:07:29 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-13 09-152127-24 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Op tegenspraak NL Den Haag Strafrecht; Materieel strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9407 text/html public 2026-04-28T12:06:54 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9407 Rechtbank Den Haag , 13-04-2026 / 09-152127-24 Jeugdstrafrecht. Het plegen van ontuchtige handelingen met zijn halfbroer, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van het slachtoffer (art. 245 oud). Oplegging van een jeugddetentie van 6 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van twee jaren. Rechtbank DEN HAAG Meervoudige kamer jeugdstrafzaken Parketnummer: 09-152127-24 Datum uitspraak: 13 april 2026 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte: [de verdachte] (hierna: de verdachte), geboren op [geboortedatum 1] 2002 te [geboorteplaats] , BRP-adres: [adres] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzitting van 30 maart 2026. De officier van justitie in deze zaak is mr. N. Bakker en de raadsman van de verdachte is mr. P.L.G. Rens te ’s-Gravenhage. De verdachte is op de terechtzitting verschenen. 2 De tenlastelegging De verdenking komt er, kort gezegd, op neer dat de verdachte in de periode van 1 juni 2018 tot en met 1 september 2019 in Nederland en/of Italië met zijn halfbroer, die ouder was dan twaalf jaar maar jonger dan zestien jaar, ontuchtige handelingen heeft verricht, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam. De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3 De bewijsbeslissing 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde kan worden bewezen verklaard. 3.3 Gebruikte bewijsmiddelen De rechtbank zal voor het feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit bewezen verklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring. Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2023072286, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 112). De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen: 1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 30 maart 2026; 2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , opgemaakt op 14 augustus 2023 (p. 13-31); 3. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , opgemaakt op 23 januari 2024 (p. 37-71). 3.4 Bewijsoverweging Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank het volgende af. De aangever heeft verklaard welke seksuele handelingen tussen hem en de verdachte hebben plaatsgevonden. Tijdens het verhoor bij de politie en ter terechtzitting heeft de verdachte het grootste deel van de ten laste gelegde seksuele gedragingen erkend en daarvoor ook de verantwoordelijkheid genomen. Wel plaatst de rechtbank bij een deel van de erkenning de kanttekening dat de verdachte zegt zich enkele handelingen (nog) niet te herinneren maar dat hij uitgaat van de juistheid van verklaring van de aangever. Gelet hierop zal de rechtbank de verklaringen van de aangever nader bespreken. De aangever heeft over de seksuele handelingen gedetailleerd verklaard ten aanzien van de plaats, de aard en context van die handelingen. Daar komt bij dat de verklaring steun vindt in de verklaring van getuige [getuige] . Uit de verklaring van deze getuige volgt dat er in de periode waarin zich het ten laste gelegde feit zou hebben afgespeeld, er bij de aangever sprake was van een (negatieve) gedragsverandering. Zo wilde de aangever niet meer (plotseling) aangeraakt worden, werd hij in die periode steeds meer somber en down en deed hij suïcidale uitlatingen. De aangever kreeg hiervoor onder andere hulpverlening via een praktijkondersteuner van de huisarts. Naar aanleiding van een gesprek met de hulpverlening heeft de aangever tegen zijn moeder (getuige [getuige] ) verteld wat er tussen de verdachte en hem is gebeurd. Door de getuige is verklaard dat de aangever tijdens dit gesprek overstuur was, huilde, trilde en moeilijk uit zijn woorden kwam. De rechtbank komt op grond van het vorenstaande tot de conclusie dat de verklaring van de aangever als betrouwbaar en geloofwaardig is aan te merken en om die reden als vertrekpunt voor het bewijs kan worden gebruikt. Verder is de rechtbank van oordeel dat deze verklaring in voldoende mate wordt ondersteund door ander bewijsmateriaal – namelijk de verklaring van de verdachte - dat afkomstig is van een andere bron. Zowel de aangever als de verdachte hebben verklaard dat er sprake is geweest van zoenen. Door de aangever is niet verklaard dat er sprake is geweest van tongzoenen. De verdachte heeft verklaard dat bij het zoenen de lippen tegen elkaar waren. Tijdens het verhoor bij de politie heeft de verdachte verklaard dat hij niet zeker weet of er sprake is geweest van tongzoenen, maar dat dit zou kunnen. Ter zitting heeft hij over het zoenen verklaard dat hij niet meer zeker weet of er een tong bij betrokken was, maar hij denkt dat dit wel gebeurd kan zijn. Uit het dossier zijn geen andere aanknopingspunten naar voren gekomen waaruit afgeleid kan worden dat er sprake is geweest van tongzoenen. De enkele omstandigheid dat de verdachte dénkt dat er sprake zou kunnen zijn geweest van tongzoenen, is bij gebrek aan ondersteuning daarvoor, onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van het gebruik van een tong bij het zoenen. Dat betekent dat voor dit deel van de tenlastelegging, nu daarvoor onvoldoende wettig bewijs voorhanden is, de rechtbank de verdachte zal vrijspreken van het deel van de tenlastelegging dat ziet op het gebruik van de tong tijdens het zoenen. Ten aanzien van de ten laste gelegde seksuele handelingen overweegt de rechtbank als volgt. Door de Hoge Raad is in zijn arrest van 15 mei 2018 (ECLI:NL:HR:2018:717) geoordeeld dat de bewijsminimumregel, die inhoudt dat een veroordeling voor een strafbaar feit niet gebaseerd mag worden op uitsluitend één getuigenverklaring, slechts geldt voor de tenlastelegging in zijn geheel. Onderdelen van de bewezenverklaring mogen echter wel op één enkele getuigenverklaring berusten. Gelet daarop komt de rechtbank, met uitzondering van het gebruik van de tong tijdens het zoenen, tot een bewezenverklaring van alle ten laste gelegde seksuele handelingen. 3.5 De bewezenverklaring De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat: hij op meer dere momenten in de periode van 1 juni 2018 tot en met 1 september 2019 te Leiderdorp en in Italië, met [aangever] , geboren op [geboortedatum 2] 2006, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, telkens een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangever] , te weten - het brengen en/of houden en/of heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [aangever] en/of - het zoenen van diverse plekken van het lichaam van die [aangever] en/of - het met (een) vinger(s) en/of de penis aanraken van en/of wrijven over, althans rondom, de anus van die [aangever] en/of - die [aangever] zijn, verdachtes, penis laten aanraken en/of in de hand nemen en/of (vervolgens) laten wrijven over en/of heen en weer laten bewegen van zijn, verdachtes, penis.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9407 text/xml public 2026-04-28T12:07:29 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-13 09-152127-24 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Op tegenspraak NL Den Haag Strafrecht; Materieel strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9407 text/html public 2026-04-28T12:06:54 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9407 Rechtbank Den Haag , 13-04-2026 / 09-152127-24 Jeugdstrafrecht. Het plegen van ontuchtige handelingen met zijn halfbroer, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van het slachtoffer (art. 245 oud). Oplegging van een jeugddetentie van 6 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van twee jaren. Rechtbank DEN HAAG Meervoudige kamer jeugdstrafzaken Parketnummer: 09-152127-24 Datum uitspraak: 13 april 2026 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte: [de verdachte] (hierna: de verdachte), geboren op [geboortedatum 1] 2002 te [geboorteplaats] , BRP-adres: [adres] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzitting van 30 maart 2026. De officier van justitie in deze zaak is mr. N. Bakker en de raadsman van de verdachte is mr. P.L.G. Rens te ’s-Gravenhage. De verdachte is op de terechtzitting verschenen. 2 De tenlastelegging De verdenking komt er, kort gezegd, op neer dat de verdachte in de periode van 1 juni 2018 tot en met 1 september 2019 in Nederland en/of Italië met zijn halfbroer, die ouder was dan twaalf jaar maar jonger dan zestien jaar, ontuchtige handelingen heeft verricht, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam. De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3 De bewijsbeslissing 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde kan worden bewezen verklaard. 3.3 Gebruikte bewijsmiddelen De rechtbank zal voor het feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit bewezen verklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring. Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2023072286, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 112). De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen: 1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 30 maart 2026; 2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , opgemaakt op 14 augustus 2023 (p. 13-31); 3. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , opgemaakt op 23 januari 2024 (p. 37-71). 3.4 Bewijsoverweging Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank het volgende af. De aangever heeft verklaard welke seksuele handelingen tussen hem en de verdachte hebben plaatsgevonden. Tijdens het verhoor bij de politie en ter terechtzitting heeft de verdachte het grootste deel van de ten laste gelegde seksuele gedragingen erkend en daarvoor ook de verantwoordelijkheid genomen. Wel plaatst de rechtbank bij een deel van de erkenning de kanttekening dat de verdachte zegt zich enkele handelingen (nog) niet te herinneren maar dat hij uitgaat van de juistheid van verklaring van de aangever. Gelet hierop zal de rechtbank de verklaringen van de aangever nader bespreken. De aangever heeft over de seksuele handelingen gedetailleerd verklaard ten aanzien van de plaats, de aard en context van die handelingen. Daar komt bij dat de verklaring steun vindt in de verklaring van getuige [getuige] . Uit de verklaring van deze getuige volgt dat er in de periode waarin zich het ten laste gelegde feit zou hebben afgespeeld, er bij de aangever sprake was van een (negatieve) gedragsverandering. Zo wilde de aangever niet meer (plotseling) aangeraakt worden, werd hij in die periode steeds meer somber en down en deed hij suïcidale uitlatingen. De aangever kreeg hiervoor onder andere hulpverlening via een praktijkondersteuner van de huisarts. Naar aanleiding van een gesprek met de hulpverlening heeft de aangever tegen zijn moeder (getuige [getuige] ) verteld wat er tussen de verdachte en hem is gebeurd. Door de getuige is verklaard dat de aangever tijdens dit gesprek overstuur was, huilde, trilde en moeilijk uit zijn woorden kwam. De rechtbank komt op grond van het vorenstaande tot de conclusie dat de verklaring van de aangever als betrouwbaar en geloofwaardig is aan te merken en om die reden als vertrekpunt voor het bewijs kan worden gebruikt. Verder is de rechtbank van oordeel dat deze verklaring in voldoende mate wordt ondersteund door ander bewijsmateriaal – namelijk de verklaring van de verdachte - dat afkomstig is van een andere bron. Zowel de aangever als de verdachte hebben verklaard dat er sprake is geweest van zoenen. Door de aangever is niet verklaard dat er sprake is geweest van tongzoenen. De verdachte heeft verklaard dat bij het zoenen de lippen tegen elkaar waren. Tijdens het verhoor bij de politie heeft de verdachte verklaard dat hij niet zeker weet of er sprake is geweest van tongzoenen, maar dat dit zou kunnen. Ter zitting heeft hij over het zoenen verklaard dat hij niet meer zeker weet of er een tong bij betrokken was, maar hij denkt dat dit wel gebeurd kan zijn. Uit het dossier zijn geen andere aanknopingspunten naar voren gekomen waaruit afgeleid kan worden dat er sprake is geweest van tongzoenen. De enkele omstandigheid dat de verdachte dénkt dat er sprake zou kunnen zijn geweest van tongzoenen, is bij gebrek aan ondersteuning daarvoor, onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van het gebruik van een tong bij het zoenen. Dat betekent dat voor dit deel van de tenlastelegging, nu daarvoor onvoldoende wettig bewijs voorhanden is, de rechtbank de verdachte zal vrijspreken van het deel van de tenlastelegging dat ziet op het gebruik van de tong tijdens het zoenen. Ten aanzien van de ten laste gelegde seksuele handelingen overweegt de rechtbank als volgt. Door de Hoge Raad is in zijn arrest van 15 mei 2018 (ECLI:NL:HR:2018:717) geoordeeld dat de bewijsminimumregel, die inhoudt dat een veroordeling voor een strafbaar feit niet gebaseerd mag worden op uitsluitend één getuigenverklaring, slechts geldt voor de tenlastelegging in zijn geheel. Onderdelen van de bewezenverklaring mogen echter wel op één enkele getuigenverklaring berusten. Gelet daarop komt de rechtbank, met uitzondering van het gebruik van de tong tijdens het zoenen, tot een bewezenverklaring van alle ten laste gelegde seksuele handelingen. 3.5 De bewezenverklaring De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat: hij op meer dere momenten in de periode van 1 juni 2018 tot en met 1 september 2019 te Leiderdorp en in Italië, met [aangever] , geboren op [geboortedatum 2] 2006, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, telkens een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangever] , te weten - het brengen en/of houden en/of heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [aangever] en/of - het zoenen van diverse plekken van het lichaam van die [aangever] en/of - het met (een) vinger(s) en/of de penis aanraken van en/of wrijven over, althans rondom, de anus van die [aangever] en/of - die [aangever] zijn, verdachtes, penis laten aanraken en/of in de hand nemen en/of (vervolgens) laten wrijven over en/of heen en weer laten bewegen van zijn, verdachtes, penis.
Volledig
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad. 4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. 5 De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6 De op te leggen straf 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte - rekening houdend met het tijdsverloop en de ernst van het feit - wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met bijzondere voorwaarden zoals deze door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) zijn geadviseerd. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte een locatieverbod op te leggen voor Leiden, Leiderdorp en Nijmegen. 6.2 Het standpunt van de verdediging Door de verdediging is verzocht om bij de strafoplegging aan te sluiten bij het advies van de Raad en te volstaan met een geheel voorwaardelijke jeugddetentie. De Raad heeft hierin vanuit zijn deskundigheid een afweging gemaakt. De Raad heeft goed onderbouwd waarom hij, hoewel het een zwaar feit betreft waar een zware straf normaal gesproken passend wordt bevonden, in dit geval daarvan afwijkt. Ook is verzocht rekening te houden met het feit dat de handelingen in 2018 en 2019 hebben plaatsgevonden en de oriëntatiepunten voor straftoemeting toen mogelijk lager waren. Door de verdediging is bepleit dat de aangever mogelijk meer gebaat is bij een contactverbod dan een locatieverbod, omdat ook buiten de opgegeven gebieden de verdachte en aangever elkaar kunnen tegenkomen. 6.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het rapport en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. Ernst van het feit De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan seksueel misbruik van zijn vier jaar jongere halfbroer, die ten tijde van het misbruik twaalf en dertien jaar oud was. Dit seksueel misbruik gebeurde thuis en op vakantie, plekken waar het slachtoffer zich veilig had moeten voelen. Het misbruik heeft tussen vijftien en twintig keer plaatsgevonden in een periode van ruim een jaar waarbij het slachtoffer de verdachte onder meer moest pijpen. Door zijn handelswijze heeft de verdachte op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn halfbroer. Ook heeft hij op grove wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen dat binnen een familie als vanzelfsprekend mag worden beschouwd en in het bijzonder dat een jong kind moet kunnen hebben in zijn vier jaar oudere halfbroer. De verdachte heeft zich laten leiden door zijn eigen lusten en heeft zich er daarbij geen rekenschap van gegeven wat voor effect zijn handelingen op zijn halfbroer hebben gehad en in de toekomst nog kunnen hebben. Uit de slachtofferverklaring die het slachtoffer ter terechtzitting heeft voorgelezen blijkt dat hij nog in ernstige mate last heeft van hetgeen hem door de verdachte is aangedaan. Strafblad De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 23 februari 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dit heeft verder geen invloed op de strafoplegging, omdat een blanco strafblad het uitgangspunt is. Persoon van de verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van 27 februari 2026 van de Raad en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige ter zitting is gegeven. Daaruit volgt – kort samengevat – dat het recidiverisico niet kan worden ingeschat wegens het gebrek aan (actieve) herinneringen bij de verdachte aan de verdenking en omdat de gebruikelijke werkwijze niet kan worden gehanteerd vanwege de leeftijd van de verdachte. De verdachte heeft aangegeven zich ergens bewust te zijn geweest dat de handelingen die hebben plaatsgevonden seksueel grensoverschrijdend waren, maar dat hij dit mogelijk heeft weggedrukt. De Raad vindt het zorgelijk dat de verdachte zich in de ontuchtige handelingen met het slachtoffer heeft laten leiden door zijn eigen seksuele verlangens en daarmee een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn jongere halfbroer. Gezien de ernst en frequentie van de verdenking zijn er zorgen over de seksuele ontwikkeling van de verdachte. Voor toekomstige behandelingen is het noodzakelijk dat de verdachte meewerkt aan het inzichtelijk krijgen van zijn gedrag, zijn herinneringen en zijn eventueel verstoorde visie op de werkelijkheid. De verdachte loopt op dit moment vast in zijn leven vanwege een stukgelopen studie, een ongeluk, het feit dat hij thuis zit van werk en er sprake is van verstoorde familieverhoudingen. Hij heeft last van huilbuien, paniekaanvallen en onverwerkte ingrijpende gebeurtenissen uit het verleden, waarbij de instabiele en onveilige opvoedsituaties bij de vader en de moeder hebben geleid tot bepaalde gedragspatronen. Via (schema)therapie wordt er op dit moment gewerkt om inzicht te krijgen in onderdrukte gevoelens en op de gedragspatronen die hem beperken in zijn ontwikkeling. De verdachte heeft een grote wens tot verandering en het is positief dat hij zelfstandig hulpverlening heeft gezocht en daar aan meewerkt. Om herhaling te voorkomen vindt de Raad het noodzakelijk dat er, naast de huidige behandeling, een gespecialiseerde behandeling voor seksueel grensoverschrijdend gedrag bij de Waag wordt ingezet, waarbij er zicht dient te komen op de seksuele ontwikkeling van de verdachte. Het is daarbij van belang dat er wordt afgestemd met de huidige behandelaren om te bekijken hoe de behandelingen zich tegenover elkaar verhouden. Hoewel een onvoorwaardelijke jeugddetentie in verhouding zou staan tot de ernst van het feit, zou dit de behandeling (die noodzakelijk wordt geacht om recidive te verminderen) doen stagneren. De Raad adviseert daarom een voorwaardelijke jeugddetentie met als bijzondere voorwaarden onder andere reclasseringstoezicht en het meewerken aan behandeling gericht op seksueel overschrijdend gedrag. Redelijke termijn De redelijke termijn waarbinnen een jeugdstrafzaak moet zijn afgedaan is zestien maanden. Deze termijn vangt aan op het moment dat een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Gerekend vanaf de datum van de ontbiedingsbrief om de verdachte op het politiebureau als verdachte aan te houden en te horen (26 februari 2024), is in deze zaak die termijn met ruim negen maanden overschreden. Deze overschrijding is mede te wijten aan het feit dat op voorstel van het Openbaar Ministerie een mediationtraject is gestart. Dit traject is niet succesvol afgesloten, waardoor de zaak uiteindelijk op een zitting is gepland. De rechtbank zal de overschrijding van de redelijke termijn in strafmatigende zin meewegen bij de op te leggen straf. Strafmodaliteit en strafmaat De rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken in de ten laste gelegde periode zijn opgelegd en naar de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. Daarin is als uitgangspunt vermeld een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van zes maanden. In dit geval acht de rechtbank strafverhogend dat het seksueel misbruik meerdere keren heeft plaatsgevonden in een periode van ruim een jaar, dat het slachtoffer slechts twaalf jaar oud was toen het misbruik begon en dat het misbruik heeft plaatsgevonden in een omgeving waarin het slachtoffer zich bij uitstek veilig zou moeten voelen.
Volledig
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad. 4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. 5 De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6 De op te leggen straf 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte - rekening houdend met het tijdsverloop en de ernst van het feit - wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met bijzondere voorwaarden zoals deze door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) zijn geadviseerd. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte een locatieverbod op te leggen voor Leiden, Leiderdorp en Nijmegen. 6.2 Het standpunt van de verdediging Door de verdediging is verzocht om bij de strafoplegging aan te sluiten bij het advies van de Raad en te volstaan met een geheel voorwaardelijke jeugddetentie. De Raad heeft hierin vanuit zijn deskundigheid een afweging gemaakt. De Raad heeft goed onderbouwd waarom hij, hoewel het een zwaar feit betreft waar een zware straf normaal gesproken passend wordt bevonden, in dit geval daarvan afwijkt. Ook is verzocht rekening te houden met het feit dat de handelingen in 2018 en 2019 hebben plaatsgevonden en de oriëntatiepunten voor straftoemeting toen mogelijk lager waren. Door de verdediging is bepleit dat de aangever mogelijk meer gebaat is bij een contactverbod dan een locatieverbod, omdat ook buiten de opgegeven gebieden de verdachte en aangever elkaar kunnen tegenkomen. 6.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het rapport en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. Ernst van het feit De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan seksueel misbruik van zijn vier jaar jongere halfbroer, die ten tijde van het misbruik twaalf en dertien jaar oud was. Dit seksueel misbruik gebeurde thuis en op vakantie, plekken waar het slachtoffer zich veilig had moeten voelen. Het misbruik heeft tussen vijftien en twintig keer plaatsgevonden in een periode van ruim een jaar waarbij het slachtoffer de verdachte onder meer moest pijpen. Door zijn handelswijze heeft de verdachte op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn halfbroer. Ook heeft hij op grove wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen dat binnen een familie als vanzelfsprekend mag worden beschouwd en in het bijzonder dat een jong kind moet kunnen hebben in zijn vier jaar oudere halfbroer. De verdachte heeft zich laten leiden door zijn eigen lusten en heeft zich er daarbij geen rekenschap van gegeven wat voor effect zijn handelingen op zijn halfbroer hebben gehad en in de toekomst nog kunnen hebben. Uit de slachtofferverklaring die het slachtoffer ter terechtzitting heeft voorgelezen blijkt dat hij nog in ernstige mate last heeft van hetgeen hem door de verdachte is aangedaan. Strafblad De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 23 februari 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dit heeft verder geen invloed op de strafoplegging, omdat een blanco strafblad het uitgangspunt is. Persoon van de verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van 27 februari 2026 van de Raad en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige ter zitting is gegeven. Daaruit volgt – kort samengevat – dat het recidiverisico niet kan worden ingeschat wegens het gebrek aan (actieve) herinneringen bij de verdachte aan de verdenking en omdat de gebruikelijke werkwijze niet kan worden gehanteerd vanwege de leeftijd van de verdachte. De verdachte heeft aangegeven zich ergens bewust te zijn geweest dat de handelingen die hebben plaatsgevonden seksueel grensoverschrijdend waren, maar dat hij dit mogelijk heeft weggedrukt. De Raad vindt het zorgelijk dat de verdachte zich in de ontuchtige handelingen met het slachtoffer heeft laten leiden door zijn eigen seksuele verlangens en daarmee een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn jongere halfbroer. Gezien de ernst en frequentie van de verdenking zijn er zorgen over de seksuele ontwikkeling van de verdachte. Voor toekomstige behandelingen is het noodzakelijk dat de verdachte meewerkt aan het inzichtelijk krijgen van zijn gedrag, zijn herinneringen en zijn eventueel verstoorde visie op de werkelijkheid. De verdachte loopt op dit moment vast in zijn leven vanwege een stukgelopen studie, een ongeluk, het feit dat hij thuis zit van werk en er sprake is van verstoorde familieverhoudingen. Hij heeft last van huilbuien, paniekaanvallen en onverwerkte ingrijpende gebeurtenissen uit het verleden, waarbij de instabiele en onveilige opvoedsituaties bij de vader en de moeder hebben geleid tot bepaalde gedragspatronen. Via (schema)therapie wordt er op dit moment gewerkt om inzicht te krijgen in onderdrukte gevoelens en op de gedragspatronen die hem beperken in zijn ontwikkeling. De verdachte heeft een grote wens tot verandering en het is positief dat hij zelfstandig hulpverlening heeft gezocht en daar aan meewerkt. Om herhaling te voorkomen vindt de Raad het noodzakelijk dat er, naast de huidige behandeling, een gespecialiseerde behandeling voor seksueel grensoverschrijdend gedrag bij de Waag wordt ingezet, waarbij er zicht dient te komen op de seksuele ontwikkeling van de verdachte. Het is daarbij van belang dat er wordt afgestemd met de huidige behandelaren om te bekijken hoe de behandelingen zich tegenover elkaar verhouden. Hoewel een onvoorwaardelijke jeugddetentie in verhouding zou staan tot de ernst van het feit, zou dit de behandeling (die noodzakelijk wordt geacht om recidive te verminderen) doen stagneren. De Raad adviseert daarom een voorwaardelijke jeugddetentie met als bijzondere voorwaarden onder andere reclasseringstoezicht en het meewerken aan behandeling gericht op seksueel overschrijdend gedrag. Redelijke termijn De redelijke termijn waarbinnen een jeugdstrafzaak moet zijn afgedaan is zestien maanden. Deze termijn vangt aan op het moment dat een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Gerekend vanaf de datum van de ontbiedingsbrief om de verdachte op het politiebureau als verdachte aan te houden en te horen (26 februari 2024), is in deze zaak die termijn met ruim negen maanden overschreden. Deze overschrijding is mede te wijten aan het feit dat op voorstel van het Openbaar Ministerie een mediationtraject is gestart. Dit traject is niet succesvol afgesloten, waardoor de zaak uiteindelijk op een zitting is gepland. De rechtbank zal de overschrijding van de redelijke termijn in strafmatigende zin meewegen bij de op te leggen straf. Strafmodaliteit en strafmaat De rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken in de ten laste gelegde periode zijn opgelegd en naar de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. Daarin is als uitgangspunt vermeld een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van zes maanden. In dit geval acht de rechtbank strafverhogend dat het seksueel misbruik meerdere keren heeft plaatsgevonden in een periode van ruim een jaar, dat het slachtoffer slechts twaalf jaar oud was toen het misbruik begon en dat het misbruik heeft plaatsgevonden in een omgeving waarin het slachtoffer zich bij uitstek veilig zou moeten voelen.
Volledig
Daarnaast rekent de rechtbank het de verdachte in strafverhogende zin aan dat hij van zijn rol als oudere halfbroer, waar het slachtoffer tegenop zag, misbruik heeft gemaakt. In strafmatigende zin weegt de rechtbank mee het tijdsverloop, het feit dat de verdachte op eigen initiatief behandeling volgt en wil voortzetten en deels de seksuele handelingen erkent. Gelet op de ernst, duur en intensiteit van het feit – en mede gelet op het taakstrafverbod van artikel 77ma Sr – kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een (deels) onvoorwaardelijke jeugddetentie. Net als de officier van justitie houdt de rechtbank rekening met de verschillende strafverzwarende en strafmatigende factoren. De rechtbank heeft bij het bepalen van het onvoorwaardelijk gedeelte van de jeugddetentie, meer dan het Openbaar Ministerie, in strafmatigende zin meegewogen dat de verdachte de feiten heeft erkend en openstaat voor behandeling. Alles overwegende acht de rechtbank een jeugddetentie voor de duur van zes maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk passend en geboden. Aan het voorwaardelijke deel van de jeugddetentie zal de rechtbank een proeftijd van twee jaren verbinden en de bijzondere voorwaarden opleggen die de Raad heeft geadviseerd. Om herhaling te voorkomen vindt de rechtbank het belangrijk dat de verdachte specialistische behandeling volgt bij de Waag, gericht op seksueel grensoverschrijdend gedrag. In aanvulling op de geadviseerde voorwaarden van de Raad, zal de rechtbank ook een contactverbod met het slachtoffer opnemen. Een contactverbod brengt met zich mee dat de verdachte geen contact mag opnemen met het slachtoffer. Nu de verdachte niet woont, werkt of studeert in de omgeving van het slachtoffer en hij de afgelopen jaren het slachtoffer niet heeft opgezocht, zal de rechtbank volstaan met een contactverbod en niet aanvullend een locatieverbod opnemen. 7 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel [aangever] , ter terechtzitting bijgestaan door mr. R. Korver, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 30.732,38, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op € 15.732,38 aan materiële schade en € 15.000,- aan immateriële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. 7.1 Het standpunt van de officier van justitie Ten aanzien van de toekomstige (medische) kosten concludeert de officier van justitie tot niet-ontvankelijk verklaring, aangezien deze slechts worden gevorderd voor het geval er hoger beroep wordt ingesteld. Ten aanzien van de kosten voor de rechtsbijstand bij de mediation heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Hoewel het slachtoffer en zijn raadsman akkoord zijn gegaan met de mediation, was dit traject niet gestart als het strafbare feit niet was gepleegd. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Hoewel de gevorderde kosten voor de immateriële schade hoog zijn, zijn er ook verschillende strafverzwarende omstandigheden van toepassing. Daarnaast is betaling van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd. 7.2 Het standpunt van de verdediging Ten aanzien van de gevorderde toekomstige (medische) kosten heeft de verdediging verzocht deze niet-ontvankelijk te verklaren. Voor wat betreft de kosten voor de rechtsbijstand die zijn verricht in het kader van de mediation heeft de verdediging aangevoerd dat de bijstand van de raadsman een vrijwillige keuze is geweest en niet noodzakelijk was. Mediation is immers een vrijwillige vorm van conflictbemiddeling, waarbij partijen met een bemiddelaar zoeken naar een oplossing. De noodzakelijkheid om daarbij bijstand van een advocaat te hebben is niet gebleken. Daarbij komt dat ingeval van een strafvervolging de raadsman van de benadeelde partij bij de Raad voor Rechtsbijstand een last tot toevoeging kan aanvragen, waardoor de kosten van een advocaat (deels) door de Staat worden vergoed. Met betrekking tot de immateriële schade heeft de verdediging naar voren gebracht dat het gevorderde bedrag hoog is, gelet op de Rotterdamse Schaal. Kijkend naar de omschrijving in de Rotterdamse Schaal, valt het feit in deze zaak onder categorie (b) “ernstig”. In deze categorie wordt een schadebedrag tussen € 6.000,- en € 12.000,- aangehouden. Daarbij komt dat de bedragen in de Rotterdamse Schaal recent zijn en het feit zich heeft afgespeeld in 2018 en 2019, toen er naar verwachting lagere bedragen werden toegekend. Verzocht wordt om de gevorderde immateriële schade te matigen tot een bedrag van € 7.500,-. 7.3 Het oordeel van de rechtbank Materiële schade Namens de benadeelde partij is op voorhand de vergoeding van toekomstige (medische) kosten gevorderd, die samenhangt met een eventuele procedure in hoger beroep. Nu op het moment van beoordeling onzeker is of de benadeelde partij ten gevolge van het bewezenverklaarde rechtstreeks de toekomstige (medische) schade zal lijden, zal de rechtbank de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. Voor wat betreft de gevorderde kosten voor rechtsbijstand in het kader van de mediation, te weten € 5.732,38, overweegt de rechtbank als volgt. Uit het arrest van de Hoge Raad van 25 november 2025 volgt dat advocaatkosten, niet zijnde proceskosten, voor vergoeding in aanmerking komen voor zover (i) condicio sine qua non-verband bestaat tussen de onrechtmatige gedraging van de verdachte en de kosten; (ii) de kosten in zodanig verband staan met die gebeurtenis dat zij, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, aan de verdachte kunnen worden toegerekend; (iii) het in het gegeven geval redelijk was om deskundige bijstand in te roepen; en (iv) de daartoe gemaakte kosten redelijk zijn (ECLI:NL:HR:2025:1681). Door de verdediging is betwist dat de rechtsbijstand van de advocaat van de benadeelde partij bij de mediation noodzakelijk was. De rechtbank overweegt in dit kader het volgende. Een mediationtraject is een vrijwillige vorm van conflictbemiddeling, waarbij partijen met behulp van een neutrale derde (de mediator) op zoek gaan naar een oplossing. Het karakter van de mediation is geenszins juridisch ingestoken. De rechtbank is van oordeel dat in de vordering van de benadeelde partij en de toelichting ter zitting onvoldoende is onderbouwd dat de bijstand van de advocaat van de benadeelde partij bij de mediation in het gegeven geval redelijk was. Daarbij komt dat uit artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek volgt dat de benadeelde partij de schade zo veel als mogelijk dient te voorkomen dan wel te beperken. Uit de vordering van de benadeelde partij volgt dat het mediationtraject zou zijn ingezet om (verdere) schade te voorkomen dan wel te beperken. Door de benadeelde partij is onvoldoende onderbouwd op welke manier het mediationtraject en de (juridische) bijstand die in dat kader zou zijn verleend, zou hebben bijgedragen aan het voorkomen dan wel verminderen van de schade. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Immateriële schade Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke feiten nog lang psychische gevolgen kunnen ondervinden van hetgeen hen is overkomen. Uit de toelichting op de vordering en de slachtofferverklaring blijkt dat de benadeelde partij kampt met PTSS-klachten en hiervoor traumabehandeling in de vorm van (onder andere) EMDR-therapie heeft gevolgd.
Volledig
Daarnaast rekent de rechtbank het de verdachte in strafverhogende zin aan dat hij van zijn rol als oudere halfbroer, waar het slachtoffer tegenop zag, misbruik heeft gemaakt. In strafmatigende zin weegt de rechtbank mee het tijdsverloop, het feit dat de verdachte op eigen initiatief behandeling volgt en wil voortzetten en deels de seksuele handelingen erkent. Gelet op de ernst, duur en intensiteit van het feit – en mede gelet op het taakstrafverbod van artikel 77ma Sr – kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een (deels) onvoorwaardelijke jeugddetentie. Net als de officier van justitie houdt de rechtbank rekening met de verschillende strafverzwarende en strafmatigende factoren. De rechtbank heeft bij het bepalen van het onvoorwaardelijk gedeelte van de jeugddetentie, meer dan het Openbaar Ministerie, in strafmatigende zin meegewogen dat de verdachte de feiten heeft erkend en openstaat voor behandeling. Alles overwegende acht de rechtbank een jeugddetentie voor de duur van zes maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk passend en geboden. Aan het voorwaardelijke deel van de jeugddetentie zal de rechtbank een proeftijd van twee jaren verbinden en de bijzondere voorwaarden opleggen die de Raad heeft geadviseerd. Om herhaling te voorkomen vindt de rechtbank het belangrijk dat de verdachte specialistische behandeling volgt bij de Waag, gericht op seksueel grensoverschrijdend gedrag. In aanvulling op de geadviseerde voorwaarden van de Raad, zal de rechtbank ook een contactverbod met het slachtoffer opnemen. Een contactverbod brengt met zich mee dat de verdachte geen contact mag opnemen met het slachtoffer. Nu de verdachte niet woont, werkt of studeert in de omgeving van het slachtoffer en hij de afgelopen jaren het slachtoffer niet heeft opgezocht, zal de rechtbank volstaan met een contactverbod en niet aanvullend een locatieverbod opnemen. 7 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel [aangever] , ter terechtzitting bijgestaan door mr. R. Korver, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 30.732,38, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op € 15.732,38 aan materiële schade en € 15.000,- aan immateriële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. 7.1 Het standpunt van de officier van justitie Ten aanzien van de toekomstige (medische) kosten concludeert de officier van justitie tot niet-ontvankelijk verklaring, aangezien deze slechts worden gevorderd voor het geval er hoger beroep wordt ingesteld. Ten aanzien van de kosten voor de rechtsbijstand bij de mediation heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Hoewel het slachtoffer en zijn raadsman akkoord zijn gegaan met de mediation, was dit traject niet gestart als het strafbare feit niet was gepleegd. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Hoewel de gevorderde kosten voor de immateriële schade hoog zijn, zijn er ook verschillende strafverzwarende omstandigheden van toepassing. Daarnaast is betaling van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd. 7.2 Het standpunt van de verdediging Ten aanzien van de gevorderde toekomstige (medische) kosten heeft de verdediging verzocht deze niet-ontvankelijk te verklaren. Voor wat betreft de kosten voor de rechtsbijstand die zijn verricht in het kader van de mediation heeft de verdediging aangevoerd dat de bijstand van de raadsman een vrijwillige keuze is geweest en niet noodzakelijk was. Mediation is immers een vrijwillige vorm van conflictbemiddeling, waarbij partijen met een bemiddelaar zoeken naar een oplossing. De noodzakelijkheid om daarbij bijstand van een advocaat te hebben is niet gebleken. Daarbij komt dat ingeval van een strafvervolging de raadsman van de benadeelde partij bij de Raad voor Rechtsbijstand een last tot toevoeging kan aanvragen, waardoor de kosten van een advocaat (deels) door de Staat worden vergoed. Met betrekking tot de immateriële schade heeft de verdediging naar voren gebracht dat het gevorderde bedrag hoog is, gelet op de Rotterdamse Schaal. Kijkend naar de omschrijving in de Rotterdamse Schaal, valt het feit in deze zaak onder categorie (b) “ernstig”. In deze categorie wordt een schadebedrag tussen € 6.000,- en € 12.000,- aangehouden. Daarbij komt dat de bedragen in de Rotterdamse Schaal recent zijn en het feit zich heeft afgespeeld in 2018 en 2019, toen er naar verwachting lagere bedragen werden toegekend. Verzocht wordt om de gevorderde immateriële schade te matigen tot een bedrag van € 7.500,-. 7.3 Het oordeel van de rechtbank Materiële schade Namens de benadeelde partij is op voorhand de vergoeding van toekomstige (medische) kosten gevorderd, die samenhangt met een eventuele procedure in hoger beroep. Nu op het moment van beoordeling onzeker is of de benadeelde partij ten gevolge van het bewezenverklaarde rechtstreeks de toekomstige (medische) schade zal lijden, zal de rechtbank de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. Voor wat betreft de gevorderde kosten voor rechtsbijstand in het kader van de mediation, te weten € 5.732,38, overweegt de rechtbank als volgt. Uit het arrest van de Hoge Raad van 25 november 2025 volgt dat advocaatkosten, niet zijnde proceskosten, voor vergoeding in aanmerking komen voor zover (i) condicio sine qua non-verband bestaat tussen de onrechtmatige gedraging van de verdachte en de kosten; (ii) de kosten in zodanig verband staan met die gebeurtenis dat zij, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, aan de verdachte kunnen worden toegerekend; (iii) het in het gegeven geval redelijk was om deskundige bijstand in te roepen; en (iv) de daartoe gemaakte kosten redelijk zijn (ECLI:NL:HR:2025:1681). Door de verdediging is betwist dat de rechtsbijstand van de advocaat van de benadeelde partij bij de mediation noodzakelijk was. De rechtbank overweegt in dit kader het volgende. Een mediationtraject is een vrijwillige vorm van conflictbemiddeling, waarbij partijen met behulp van een neutrale derde (de mediator) op zoek gaan naar een oplossing. Het karakter van de mediation is geenszins juridisch ingestoken. De rechtbank is van oordeel dat in de vordering van de benadeelde partij en de toelichting ter zitting onvoldoende is onderbouwd dat de bijstand van de advocaat van de benadeelde partij bij de mediation in het gegeven geval redelijk was. Daarbij komt dat uit artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek volgt dat de benadeelde partij de schade zo veel als mogelijk dient te voorkomen dan wel te beperken. Uit de vordering van de benadeelde partij volgt dat het mediationtraject zou zijn ingezet om (verdere) schade te voorkomen dan wel te beperken. Door de benadeelde partij is onvoldoende onderbouwd op welke manier het mediationtraject en de (juridische) bijstand die in dat kader zou zijn verleend, zou hebben bijgedragen aan het voorkomen dan wel verminderen van de schade. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Immateriële schade Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke feiten nog lang psychische gevolgen kunnen ondervinden van hetgeen hen is overkomen. Uit de toelichting op de vordering en de slachtofferverklaring blijkt dat de benadeelde partij kampt met PTSS-klachten en hiervoor traumabehandeling in de vorm van (onder andere) EMDR-therapie heeft gevolgd.
Volledig
De rechtbank maakt voor de vaststelling van de omvang van de schade gebruik van haar bevoegdheid om deze naar billijkheid vast te stellen. Daarbij realiseert de rechtbank zich dat geen enkel bedrag in verhouding zal staan tot de gevolgen waar de benadeelde nog altijd mee kampt. Mede gelet op de gevolgen voor de benadeelde partij, de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend en de uitgangspunten in de Rotterdamse Schaal, zal de rechtbank de immateriële schade vaststellen op € 10.000,-. De rechtbank zal de vordering wat betreft de immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Wettelijke rente Vast is komen te staan dat de bewezen verklaarde gedragingen gedurende de periode van 1 juni 2017 tot en met 1 september 2019 hebben plaatsgevonden. Nu geen omstandigheden zijn gebleken die erop duiden dat de schade anders dan geleidelijk is opgelopen gedurende deze periode, zal de rechtbank conform de uitspraak van de Hoge Raad van 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:466, de aanvangsdatum van de wettelijke rente bepalen in het midden van die periode, dus op 15 januari 2019. Proceskostenveroordeling Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De benadeelde partij heeft verzocht de proceskosten vast te stellen door aan te sluiten bij het liquidatietarief. De rechtbank zal de kosten van rechtsbijstand begroten aan de hand van het liquidatietarief voor kantonzaken aangezien geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld of gebleken om hiervan af te wijken. De gevorderde proceskosten zullen worden begroot aan de hand van het toepasselijke liquidatietarief van € 360,00 x 2 punten in verband met het opstellen van het schadevergoedingsformulier en de aanwezigheid ter zitting zijnde € 720,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dit vonnis. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Schadevergoedingsmaatregel Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 10.000,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 15 januari 2019 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever] . Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast. 10 De toepasselijke wetsartikelen De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen: 36f, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa en 245 (oud) van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden. 11 De beslissing De rechtbank: bewezenverklaring verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.5 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd; verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij; verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar; straf en maatregel veroordeelt de verdachte tot: een jeugddetentie voor de duur van 6 ( ZES) MAANDEN ; bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie, groot 4 (VIER) MAANDEN , niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde: 1. zich gedurende een door de reclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de reclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht en zijn medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken; 2. zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van de Waag of een soortgelijke instelling, waarbij een delictanalyse en een risicotaxatie onderdeel van de behandeling uitmaken, en zijn medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken; 3. gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect en ook niet via sociale media – contact zal opnemen, zoeken of hebben met - [aangever] , geboren op [geboortedatum 2] 2006; zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht; geeft opdracht aan Reclassering Nederland, om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden; voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd: - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; - zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen. de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij [aangever] , een bedrag van € 10.000,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 15 januari 2019 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan; verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op € 720,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dit vonnis en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 10.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 januari 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen; bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt. Dit vonnis is gewezen door: mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, voorzitter, mr. S. van der Harg, kinderrechter, en mr. R.J. Wortelboer, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.B.M.A. Roozen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 april 2026.
Volledig
De rechtbank maakt voor de vaststelling van de omvang van de schade gebruik van haar bevoegdheid om deze naar billijkheid vast te stellen. Daarbij realiseert de rechtbank zich dat geen enkel bedrag in verhouding zal staan tot de gevolgen waar de benadeelde nog altijd mee kampt. Mede gelet op de gevolgen voor de benadeelde partij, de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend en de uitgangspunten in de Rotterdamse Schaal, zal de rechtbank de immateriële schade vaststellen op € 10.000,-. De rechtbank zal de vordering wat betreft de immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Wettelijke rente Vast is komen te staan dat de bewezen verklaarde gedragingen gedurende de periode van 1 juni 2017 tot en met 1 september 2019 hebben plaatsgevonden. Nu geen omstandigheden zijn gebleken die erop duiden dat de schade anders dan geleidelijk is opgelopen gedurende deze periode, zal de rechtbank conform de uitspraak van de Hoge Raad van 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:466, de aanvangsdatum van de wettelijke rente bepalen in het midden van die periode, dus op 15 januari 2019. Proceskostenveroordeling Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De benadeelde partij heeft verzocht de proceskosten vast te stellen door aan te sluiten bij het liquidatietarief. De rechtbank zal de kosten van rechtsbijstand begroten aan de hand van het liquidatietarief voor kantonzaken aangezien geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld of gebleken om hiervan af te wijken. De gevorderde proceskosten zullen worden begroot aan de hand van het toepasselijke liquidatietarief van € 360,00 x 2 punten in verband met het opstellen van het schadevergoedingsformulier en de aanwezigheid ter zitting zijnde € 720,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dit vonnis. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Schadevergoedingsmaatregel Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 10.000,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 15 januari 2019 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever] . Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast. 10 De toepasselijke wetsartikelen De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen: 36f, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa en 245 (oud) van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden. 11 De beslissing De rechtbank: bewezenverklaring verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.5 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd; verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij; verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar; straf en maatregel veroordeelt de verdachte tot: een jeugddetentie voor de duur van 6 ( ZES) MAANDEN ; bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie, groot 4 (VIER) MAANDEN , niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde: 1. zich gedurende een door de reclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de reclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht en zijn medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken; 2. zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van de Waag of een soortgelijke instelling, waarbij een delictanalyse en een risicotaxatie onderdeel van de behandeling uitmaken, en zijn medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken; 3. gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect en ook niet via sociale media – contact zal opnemen, zoeken of hebben met - [aangever] , geboren op [geboortedatum 2] 2006; zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht; geeft opdracht aan Reclassering Nederland, om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden; voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd: - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; - zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen. de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij [aangever] , een bedrag van € 10.000,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 15 januari 2019 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan; verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op € 720,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dit vonnis en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 10.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 januari 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen; bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt. Dit vonnis is gewezen door: mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, voorzitter, mr. S. van der Harg, kinderrechter, en mr. R.J. Wortelboer, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.B.M.A. Roozen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 april 2026.