Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-15
ECLI:NL:RBDHA:2026:9403
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
28,403 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9403 text/xml public 2026-04-28T11:48:14 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-15 C/09/687245 / HA ZA 25-553 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9403 text/html public 2026-04-28T11:46:58 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9403 Rechtbank Den Haag , 15-04-2026 / C/09/687245 / HA ZA 25-553 Bouwzaak. Vordering van aannemer in conventie (met name onbetaalde facturen) wordt afgewezen omdat beroep opschorting en verrekening van opdrachtgever in reconventie (met name vanwege herstelkosten) slaagt. Per saldo heeft de aannemer een bedrag te betalen aan opdrachtgever. RECHTBANK Den Haag Team handel Zaak-/rolnummer: C/09/687245 / HA ZA 25-553 Vonnis van 15 april 2026 in de zaak van DE EENHEID B.V. te Pijnacker, hierna te noemen: De Eenheid, eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat: mr. T.J. van Luijk, tegen 1 [partij 1] te [woonplaats], hierna te noemen: [partij 1], 2. [partij 2] te [woonplaats], hierna te noemen: [partij 2], [partij 1] en [partij 2] worden hierna gezamenlijk genoemd: [partijen 1 en 2], gedaagden in conventie, eisers in reconventie, advocaat: mr. M.B. van Munster. 1 De procedure 1.1. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken: de dagvaarding van 16 juni 2025, met producties 1 tot en met 29; de conclusie van antwoord, tevens houdende conclusie van eis in reconventie, met producties 1 tot en met 39; de conclusie van antwoord in reconventie, met producties 30 tot en met 32; de akte indiening productie 40 namens [partijen 1 en 2] 1.2. Op 12 januari 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt. 1.3. Na de mondelinge behandeling hebben partijen op hun verzoek de gelegenheid gekregen een minnelijke regeling te treffen. Op 25 februari 2026 hebben partijen de rechtbank laten weten dat zij onderling niet tot een regeling zijn gekomen. Vervolgens is de vonnisdatum bepaald op vandaag. 2 De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. De Eenheid is een aannemersbedrijf. 2.2. [partijen 1 en 2] zijn eigenaar van de woning aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning). Deze woning hebben [partijen 1 en 2] grootschalig laten verbouwen, waarbij het bestaande gebouw is verbouwd en een aanbouw is gerealiseerd. De Eenheid heeft de uitbouw gerealiseerd terwijl een andere aannemer de verbouwingswerkzaamheden aan het bestaande gebouw heeft verricht. 2.3. Op 14 oktober 2022 hebben De Eenheid en [partij 1] een aannemingsovereenkomst ondertekend voor het realiseren van de aanbouw aan de woning voor een totaalprijs van € 470.000,00. In deze overeenkomst is – voor zover hier relevant – het volgende opgenomen: “1. Contractstukken De uitvoering van het werk zal geschieden overeenkomstig het bijgevoegde overzicht contractstukken (bijlage 1 en 1a). Bij het opstellen van de contractstukken is rekening gehouden met de eisen die voortvloeien uit het normale gebruik waartoe een werk als het onderhavige is bestemd. (…) 7. Oplevering De oplevering van het bouwwerk dient in 38 weken volgens de planning te geschieden. Gerekend vanaf de dag van de betaling van het 1e termijn van de verbouwing. Uiterlijk 4 weken na de oplevering van het werk dienen de eventuele garantieverklaringen en meetrapporten, welke betrekking hebben op het werk, aan de opdrachtgever te worden verstrekt. De kosten hiervan komen voor rekening van de opdrachtnemer. De afhandeling van de opleverpunten en klachten in de onderhoudsperiode, zullen adequaat en binnen redelijke termijnen door de opdrachtnemer worden afgehandeld. (…) 10. Meer- en minderwerk a. Mocht in de omschrijving van het werk iets vergeten zijn, dat redelijkerwijze behoort tot de te verrichten werkzaamheden zoals die naar de eisen van goed en deugdelijk werk dienen te geschieden, dan is de opdrachtnemer verplicht zulks onverwijld te doen. b. De opdrachtnemer is vrij om iedere bezuinigingsmogelijkheid aan de opdrachtgever voor te dragen die op geen enkele wijze tekortdoen aan de door de opdrachtgever gecontracteerde kwaliteit. Voorgestelde bezuinigingen kunnen slechts dan worden uitgevoerd als de opdrachtgever aan de opdrachtnemer uitdrukkelijk schriftelijk (of tijdens vergaderingen met verslaglegging) toestemming geeft. c. Meerwerken kunnen pas in rekening worden gebracht nadat zij door de opdrachtgever zijn goedgekeurd. (…) Bijlage 3: overzicht prijsopbouw Behorende tot de bouwovereenkomst ten behoeve van het project verbouwing De begroting 18-08-2022 De Technische Omschrijving BE-601 dd 12-20-2022 Er zijn geen stelposten De tijdelijke brug is opgenomen in de aanneemsom engineering/bouwmanagement” 2.4. De uitvoering van het werk staat beschreven in de Technische Omschrijving. Hierin is onder meer het volgende opgenomen: “ Meer- en minderwerk Het meer- en minderwerk mag slechts na goedkeuring door de opdrachtgever uitgevoerd worden. De aannemersbegroting dient als basis voor het verrekenen van meer- en minderwerk. Lijst met meer- en minderwerk incl. prijzen schriftelijk voor te leggen aan Opdrachtgever. Meer- en minderwerk mag slechts na goedkeuring door directie wordt uitgevoerd. Lijst met meer- en minderwerk voor te leggen aan directie. De aannemer is vrij om voor de omschreven werkzaamheden alternatieven aan te bieden met behoud van kwaliteit en uiterlijke verschijningsvormen. E.e.a. ter goedkeuring door opdrachtgever. Wijzigingskosten en prijzen Verrekenbaar zijn wijzigingen van: Loonkosten. Materiaalprijzen. Brandstofprijzen, Huren. Vrachten. De prijs is vast tot einde werk behoudens de boven genoemde punten Bovenstaande geldt bij exceptionele omstandigheden en in overleg met de opdrachtgever bepaald.” 2.5. De Eenheid en [partij 1] hebben ook een bouwmanagementovereenkomst gesloten, waarin een vergoeding is overeengekomen van € 51.302,33. In deze overeenkomst staat onder meer: “ De werkzaamheden omvatten: Het verzorgen van de engineeringswerkzaamheden nodig voor de uitvoering van de opgedragen aannemers werkzaamheden inclusief noodbrug. Het contact houden tussen het bevoegd gezag en de opdrachtgever zodat het werk volgens de verlenende vergunning verloopt. Het aanvragen van de eventuele nodige uitvoeringsvergunningen. Het coördineren van de aannemerswerkzaamheden zodat deze verloopt volgens de opgestelde planning. Het houden van de nodige bouwvergaderingen met daarvan het vastleggen van wat is besproken. Het controleren of de werkzaamheden gebeuren conform het bouwveiligheidsplan. Het controleren van de kwaliteit van het geleverde werk aan de hand van bestek en tekeningen.” 2.6. De Eenheid is in oktober 2022 begonnen met de voorbereidende werkzaamheden. 2.7. Na het sluiten van de aannemingsovereenkomst hebben [partijen 1 en 2] verschillende meerwerkopdrachten gegeven aan De Eenheid. 2.8. Nadat De Eenheid kenbaar had gemaakt dat zij wenste over te gaan tot een (voor)oplevering, hebben [partijen 1 en 2] aan [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]) verzocht een voorschouw uit te voeren. Dit onderzoek heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2023. Uit dit onderzoek is een lijst met 122 punten voortgekomen, die nog verholpen zouden moeten worden. 2.9. In november 2023 zijn [partijen 1 en 2] in (het oude gedeelte van) de woning gaan wonen. Met het e-mailbericht van 1 december 2023 heeft [partij 1], De Eenheid erop gewezen dat de lijst met nog te verhelpen punten niet voortvarend werd opgepakt. Vanaf 19 december 2023 bewonen [partijen 1 en 2] ook het nieuwe (aangebouwde) gedeelte van de woning. 2.10. De Eenheid heeft na het onderzoek van [bedrijf 1] van 31 oktober 2023 nog verschillende herstelwerkzaamheden verricht. 2.11. [partijen 1 en 2] hebben in totaal € 553.645,72 aan De Eenheid betaald op grond van de aannemingsovereenkomst en de bouwmanagementovereenkomst.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9403 text/xml public 2026-04-28T11:48:14 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-15 C/09/687245 / HA ZA 25-553 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9403 text/html public 2026-04-28T11:46:58 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9403 Rechtbank Den Haag , 15-04-2026 / C/09/687245 / HA ZA 25-553 Bouwzaak. Vordering van aannemer in conventie (met name onbetaalde facturen) wordt afgewezen omdat beroep opschorting en verrekening van opdrachtgever in reconventie (met name vanwege herstelkosten) slaagt. Per saldo heeft de aannemer een bedrag te betalen aan opdrachtgever. RECHTBANK Den Haag Team handel Zaak-/rolnummer: C/09/687245 / HA ZA 25-553 Vonnis van 15 april 2026 in de zaak van DE EENHEID B.V. te Pijnacker, hierna te noemen: De Eenheid, eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat: mr. T.J. van Luijk, tegen 1 [partij 1] te [woonplaats], hierna te noemen: [partij 1], 2. [partij 2] te [woonplaats], hierna te noemen: [partij 2], [partij 1] en [partij 2] worden hierna gezamenlijk genoemd: [partijen 1 en 2], gedaagden in conventie, eisers in reconventie, advocaat: mr. M.B. van Munster. 1 De procedure 1.1. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken: de dagvaarding van 16 juni 2025, met producties 1 tot en met 29; de conclusie van antwoord, tevens houdende conclusie van eis in reconventie, met producties 1 tot en met 39; de conclusie van antwoord in reconventie, met producties 30 tot en met 32; de akte indiening productie 40 namens [partijen 1 en 2] 1.2. Op 12 januari 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt. 1.3. Na de mondelinge behandeling hebben partijen op hun verzoek de gelegenheid gekregen een minnelijke regeling te treffen. Op 25 februari 2026 hebben partijen de rechtbank laten weten dat zij onderling niet tot een regeling zijn gekomen. Vervolgens is de vonnisdatum bepaald op vandaag. 2 De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. De Eenheid is een aannemersbedrijf. 2.2. [partijen 1 en 2] zijn eigenaar van de woning aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning). Deze woning hebben [partijen 1 en 2] grootschalig laten verbouwen, waarbij het bestaande gebouw is verbouwd en een aanbouw is gerealiseerd. De Eenheid heeft de uitbouw gerealiseerd terwijl een andere aannemer de verbouwingswerkzaamheden aan het bestaande gebouw heeft verricht. 2.3. Op 14 oktober 2022 hebben De Eenheid en [partij 1] een aannemingsovereenkomst ondertekend voor het realiseren van de aanbouw aan de woning voor een totaalprijs van € 470.000,00. In deze overeenkomst is – voor zover hier relevant – het volgende opgenomen: “1. Contractstukken De uitvoering van het werk zal geschieden overeenkomstig het bijgevoegde overzicht contractstukken (bijlage 1 en 1a). Bij het opstellen van de contractstukken is rekening gehouden met de eisen die voortvloeien uit het normale gebruik waartoe een werk als het onderhavige is bestemd. (…) 7. Oplevering De oplevering van het bouwwerk dient in 38 weken volgens de planning te geschieden. Gerekend vanaf de dag van de betaling van het 1e termijn van de verbouwing. Uiterlijk 4 weken na de oplevering van het werk dienen de eventuele garantieverklaringen en meetrapporten, welke betrekking hebben op het werk, aan de opdrachtgever te worden verstrekt. De kosten hiervan komen voor rekening van de opdrachtnemer. De afhandeling van de opleverpunten en klachten in de onderhoudsperiode, zullen adequaat en binnen redelijke termijnen door de opdrachtnemer worden afgehandeld. (…) 10. Meer- en minderwerk a. Mocht in de omschrijving van het werk iets vergeten zijn, dat redelijkerwijze behoort tot de te verrichten werkzaamheden zoals die naar de eisen van goed en deugdelijk werk dienen te geschieden, dan is de opdrachtnemer verplicht zulks onverwijld te doen. b. De opdrachtnemer is vrij om iedere bezuinigingsmogelijkheid aan de opdrachtgever voor te dragen die op geen enkele wijze tekortdoen aan de door de opdrachtgever gecontracteerde kwaliteit. Voorgestelde bezuinigingen kunnen slechts dan worden uitgevoerd als de opdrachtgever aan de opdrachtnemer uitdrukkelijk schriftelijk (of tijdens vergaderingen met verslaglegging) toestemming geeft. c. Meerwerken kunnen pas in rekening worden gebracht nadat zij door de opdrachtgever zijn goedgekeurd. (…) Bijlage 3: overzicht prijsopbouw Behorende tot de bouwovereenkomst ten behoeve van het project verbouwing De begroting 18-08-2022 De Technische Omschrijving BE-601 dd 12-20-2022 Er zijn geen stelposten De tijdelijke brug is opgenomen in de aanneemsom engineering/bouwmanagement” 2.4. De uitvoering van het werk staat beschreven in de Technische Omschrijving. Hierin is onder meer het volgende opgenomen: “ Meer- en minderwerk Het meer- en minderwerk mag slechts na goedkeuring door de opdrachtgever uitgevoerd worden. De aannemersbegroting dient als basis voor het verrekenen van meer- en minderwerk. Lijst met meer- en minderwerk incl. prijzen schriftelijk voor te leggen aan Opdrachtgever. Meer- en minderwerk mag slechts na goedkeuring door directie wordt uitgevoerd. Lijst met meer- en minderwerk voor te leggen aan directie. De aannemer is vrij om voor de omschreven werkzaamheden alternatieven aan te bieden met behoud van kwaliteit en uiterlijke verschijningsvormen. E.e.a. ter goedkeuring door opdrachtgever. Wijzigingskosten en prijzen Verrekenbaar zijn wijzigingen van: Loonkosten. Materiaalprijzen. Brandstofprijzen, Huren. Vrachten. De prijs is vast tot einde werk behoudens de boven genoemde punten Bovenstaande geldt bij exceptionele omstandigheden en in overleg met de opdrachtgever bepaald.” 2.5. De Eenheid en [partij 1] hebben ook een bouwmanagementovereenkomst gesloten, waarin een vergoeding is overeengekomen van € 51.302,33. In deze overeenkomst staat onder meer: “ De werkzaamheden omvatten: Het verzorgen van de engineeringswerkzaamheden nodig voor de uitvoering van de opgedragen aannemers werkzaamheden inclusief noodbrug. Het contact houden tussen het bevoegd gezag en de opdrachtgever zodat het werk volgens de verlenende vergunning verloopt. Het aanvragen van de eventuele nodige uitvoeringsvergunningen. Het coördineren van de aannemerswerkzaamheden zodat deze verloopt volgens de opgestelde planning. Het houden van de nodige bouwvergaderingen met daarvan het vastleggen van wat is besproken. Het controleren of de werkzaamheden gebeuren conform het bouwveiligheidsplan. Het controleren van de kwaliteit van het geleverde werk aan de hand van bestek en tekeningen.” 2.6. De Eenheid is in oktober 2022 begonnen met de voorbereidende werkzaamheden. 2.7. Na het sluiten van de aannemingsovereenkomst hebben [partijen 1 en 2] verschillende meerwerkopdrachten gegeven aan De Eenheid. 2.8. Nadat De Eenheid kenbaar had gemaakt dat zij wenste over te gaan tot een (voor)oplevering, hebben [partijen 1 en 2] aan [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]) verzocht een voorschouw uit te voeren. Dit onderzoek heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2023. Uit dit onderzoek is een lijst met 122 punten voortgekomen, die nog verholpen zouden moeten worden. 2.9. In november 2023 zijn [partijen 1 en 2] in (het oude gedeelte van) de woning gaan wonen. Met het e-mailbericht van 1 december 2023 heeft [partij 1], De Eenheid erop gewezen dat de lijst met nog te verhelpen punten niet voortvarend werd opgepakt. Vanaf 19 december 2023 bewonen [partijen 1 en 2] ook het nieuwe (aangebouwde) gedeelte van de woning. 2.10. De Eenheid heeft na het onderzoek van [bedrijf 1] van 31 oktober 2023 nog verschillende herstelwerkzaamheden verricht. 2.11. [partijen 1 en 2] hebben in totaal € 553.645,72 aan De Eenheid betaald op grond van de aannemingsovereenkomst en de bouwmanagementovereenkomst.
Volledig
De voorlaatste termijn van de aanneemsom (de factuur met [nummer 1] van 25 maart 2024 van € 23.500,00) en de laatste twee facturen van de bouwmanagementovereenkomst inclusief meerwerk (de factuur met [nummer 2] van 1 januari 2024 van € 15.233,08 en de factuur met [nummer 3] van 1 april 2024 van € 10.769,00) zijn niet voldaan. Deze drie bedragen tellen op tot € 49.502,08. 2.12. Op 10 januari 2024 heeft [partij 1] naar aanleiding van de factuur van januari 2024, per e-mail het volgende bericht aan De Eenheid gestuurd: “(…) Zoals ik in mijn mail van 19 december heb aangegeven zijn de betalingen opgeschort zolang jullie niet aan jullie verplichtingen hebben voldaan. Toen is door mij aangegeven hier lang geduld in te hebben gehad, maar nu toch echt genoodzaakt ben om deze stappen te nemen. Intussen is het meer dan 2 maanden dat ik moet verblijven in een huis waar de verwarming het alleen op relatief warme dagen werkt. Met binnentemperaturen van 9 graden is dit gewoon niet menselijk meer. Daarom kan ik deze factuur op dit moment niet betaalbaar stellen. (…)” 2.13. Nadien heeft ook de advocaat van [partijen 1 en 2] een beroep op opschorting gedaan namens [partijen 1 en 2] wat betreft de onbetaalde facturen. 2.14. Bij brief van 17 mei 2024 heeft De Eenheid, [partijen 1 en 2] gesommeerd om het bedrag van € 49.502,08 te voldoen, alsmede een pro-forma factuur voor meerwerk van € 115.371,50. Het totaalbedrag komt daarmee op € 164.873,58. 2.15. Op 11 oktober 2024 heeft [bedrijf 1] een tweede opname verricht. Volgens deze actualisatie zijn 46 punten nog niet van voldoende kwaliteit. Op basis van deze laatste lijst heeft [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2]) een begroting gemaakt van de herstelkosten die uitkomt op € 138.733,14. 2.16. [partijen 1 en 2] hebben naar aanleiding van storingen van de warmtepompinstallatie een onderzoek laten uitvoeren door [bedrijf 3] B.V. (hierna: [bedrijf 3]) naar de warmtepompen en de vloerverwarming. In haar rapport van 19 februari 2025 heeft [bedrijf 3] geconcludeerd dat, om een goed werkend systeem te krijgen, voor het bestaande gedeelte van de woning een groter type warmtepomp nodig is waarbij ook buffervaten nodig zijn voor de beide warmtepompen. De herstelkosten zijn begroot op € 27.831,21. 3 Het geschil in conventie 3.1. De Eenheid vordert, na vermeerdering van eis, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, primair [partijen 1 en 2] hoofdelijk en subsidiair uitsluitend [partij 1] veroordeelt om aan De Eenheid te betalen een bedrag van € 173.732,58, te vermeerderen met de incassokosten van € 2.423,74, de wettelijke rente en de proceskosten. 3.2. De Eenheid legt aan de vorderingen ten grondslag dat het werk op 31 oktober 2023 is opgeleverd zodat de volledige bedragen overeengekomen in de aanneem- en bouwmanagementovereenkomst, inclusief meerwerk, verschuldigd zijn. Bij het reeds in rekening gebrachte bedrag van € 164.873,58 komt nog de laatste termijn van de aanneemsom (van € 23.500,00) minus het minderwerk (van € 14.641,00), wat het totaal op € 173.732,58 brengt. Daarnaast is [partijen 1 en 2] op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c van het Burgerlijk Wetboek (“BW”) incassokosten verschuldigd, aldus de Eenheid. 3.3. [partijen 1 en 2] voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkheid van De Eenheid, dan wel tot afwijzing van haar vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van De Eenheid in de kosten van deze procedure. 3.4. Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. in reconventie 3.5. [partijen 1 en 2] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, De Eenheid veroordeelt tot betaling van € 170.859,78, te vermeerderen met de wettelijke rente, de expertisekosten van € 9.272,53, de buitengerechtelijke kosten van € 2.483,59 en de proceskosten. 3.6. [partijen 1 en 2] leggen aan de vorderingen ten grondslag dat zij in totaal € 236.117,86 te vorderen hebben van De Eenheid. Daar staat tegenover dat zij nog € 65.258,08 dienen te voldoen, wat resulteert in een te ontvangen bedrag van € 170.859,78. Daarnaast vorderen [partijen 1 en 2] vergoeding van de expertisekosten van € 5.456,20 wat betreft [bedrijf 1] en € 4.650,15 wat betreft [bedrijf 3] (beide op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW) en vergoeding van de buitengerechtelijke kosten (op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW). 3.7. De Eenheid voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [partijen 1 en 2], dan wel tot afwijzing van hun vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partijen 1 en 2] in de kosten van deze procedure. 3.8. Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling in conventie 4.1. De Eenheid vordert betaling van in totaal € 173.732,58 van [partijen 1 en 2] Het totaalbedrag is opgebouwd uit vijf deelbedragen, bestaande uit vier gefactureerde bedragen en een bedrag dat nog niet is gefactureerd. De rechtbank bespreekt deze onderdelen afzonderlijk. 4.2. De rechtbank stelt bij de beoordeling van de vorderingen in conventie voorop dat [partijen 1 en 2], voor zover zij iets verschuldigd zijn aan De Eenheid, zich hebben beroepen op opschorting en verrekening met hun vorderingen in reconventie. Zoals verder zal worden uitgewerkt bij de bespreking van de reconventionele vorderingen, slaagt het verweer van De Eenheid tegen die vorderingen niet en hebben [partijen 1 en 2] inderdaad vorderingen op De Eenheid. De Eenheid heeft, behoudens haar verweer ten gronde tegen de reconventionele vorderingen, geen verweer gevoerd tegen het beroep in conventie op opschorting en verrekening. Het opschortingsberoep en het verrekeningsberoep slagen daarom. Nu de reconventionele vordering groter is dan de vordering in conventie zoals die hierna wordt vastgesteld, wordt de vordering in conventie afgewezen. Hieronder zal wel de omvang van de verrekende vordering van De Eenheid op [partijen 1 en 2] worden vastgesteld, nu die tussen partijen in geschil is en nu die relevant is voor de resterende omvang van de reconventionele vordering. 4.3. De rechtbank overweegt verder dat tussen partijen niet in geschil is dat [partijen 1 en 2] gezamenlijk aansprakelijk zijn voor de betalingsverplichtingen op grond van de aannemingsovereenkomst en de bouwmanagementovereenkomst, zodat uitsluitend wordt toegekomen aan de beoordeling van de primaire vordering van De Eenheid. De facturen [nummer 2] en [nummer 1] 4.4. Tussen partijen is niet in geschil dat de factuur [nummer 2] van € 15.233,08 en de factuur [nummer 1] van € 23.500,00 inclusief btw verschuldigd waren. Factuur [nummer 3] 4.5. Deze factuur van € 10.769,00 heeft betrekking op werk aan de riolering en de afwerking van de kelder. De kosten voor het werk aan de riolering van € 3.025,00 zijn door [partijen 1 en 2] erkend. De rechtbank heeft daarom uitsluitend te oordelen over het deel van deze factuur dat ziet op de afwerking van de kelder, waarvoor een bedrag van € 7.744,00 in rekening is gebracht. Het gaat om de meerwerkopdracht tot het aanbrengen van ventilatie in de kelder. 4.6. De Eenheid heeft onderbouwd gesteld dat [partijen 1 en 2] opdracht hebben gegeven voor het meerwerk aan de kelder voor het gefactureerde bedrag. Met een e-mailbericht van 2 mei 2023 heeft [partij 1] opdracht gegeven de kelder “meer af te werken dan nu gepland is”. In datzelfde e-mailbericht noemt [partij 1] een prijs van € 7.744,00 (inclusief btw). Een dag later bedankt De Eenheid, [partij 1] voor de gegeven extra opdracht en merkt op dat het bedrag van € 7.744,00 exclusief btw is. Wat daar ook van zij: uiteindelijk heeft De Eenheid een bedrag van € 7.744,00 inclusief btw in rekening gebracht en in deze procedure gevorderd. [partijen 1 en 2] hebben niet gemotiveerd weersproken dat zij opdracht hebben gegeven voor het meerwerk voor het gevorderde bedrag. [partijen 1 en 2] hebben daarentegen gesteld dat de werkzaamheden niet zijn uitgevoerd, hetgeen veronderstelt dat de werkzaamheden wel uitgevoerd hadden moeten worden op grond van de opdracht. Dit brengt mee dat De Eenheid in beginsel aanspraak kan maken op betaling van het bedrag van € 7.744,00 (inclusief btw).
Volledig
De voorlaatste termijn van de aanneemsom (de factuur met [nummer 1] van 25 maart 2024 van € 23.500,00) en de laatste twee facturen van de bouwmanagementovereenkomst inclusief meerwerk (de factuur met [nummer 2] van 1 januari 2024 van € 15.233,08 en de factuur met [nummer 3] van 1 april 2024 van € 10.769,00) zijn niet voldaan. Deze drie bedragen tellen op tot € 49.502,08. 2.12. Op 10 januari 2024 heeft [partij 1] naar aanleiding van de factuur van januari 2024, per e-mail het volgende bericht aan De Eenheid gestuurd: “(…) Zoals ik in mijn mail van 19 december heb aangegeven zijn de betalingen opgeschort zolang jullie niet aan jullie verplichtingen hebben voldaan. Toen is door mij aangegeven hier lang geduld in te hebben gehad, maar nu toch echt genoodzaakt ben om deze stappen te nemen. Intussen is het meer dan 2 maanden dat ik moet verblijven in een huis waar de verwarming het alleen op relatief warme dagen werkt. Met binnentemperaturen van 9 graden is dit gewoon niet menselijk meer. Daarom kan ik deze factuur op dit moment niet betaalbaar stellen. (…)” 2.13. Nadien heeft ook de advocaat van [partijen 1 en 2] een beroep op opschorting gedaan namens [partijen 1 en 2] wat betreft de onbetaalde facturen. 2.14. Bij brief van 17 mei 2024 heeft De Eenheid, [partijen 1 en 2] gesommeerd om het bedrag van € 49.502,08 te voldoen, alsmede een pro-forma factuur voor meerwerk van € 115.371,50. Het totaalbedrag komt daarmee op € 164.873,58. 2.15. Op 11 oktober 2024 heeft [bedrijf 1] een tweede opname verricht. Volgens deze actualisatie zijn 46 punten nog niet van voldoende kwaliteit. Op basis van deze laatste lijst heeft [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2]) een begroting gemaakt van de herstelkosten die uitkomt op € 138.733,14. 2.16. [partijen 1 en 2] hebben naar aanleiding van storingen van de warmtepompinstallatie een onderzoek laten uitvoeren door [bedrijf 3] B.V. (hierna: [bedrijf 3]) naar de warmtepompen en de vloerverwarming. In haar rapport van 19 februari 2025 heeft [bedrijf 3] geconcludeerd dat, om een goed werkend systeem te krijgen, voor het bestaande gedeelte van de woning een groter type warmtepomp nodig is waarbij ook buffervaten nodig zijn voor de beide warmtepompen. De herstelkosten zijn begroot op € 27.831,21. 3 Het geschil in conventie 3.1. De Eenheid vordert, na vermeerdering van eis, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, primair [partijen 1 en 2] hoofdelijk en subsidiair uitsluitend [partij 1] veroordeelt om aan De Eenheid te betalen een bedrag van € 173.732,58, te vermeerderen met de incassokosten van € 2.423,74, de wettelijke rente en de proceskosten. 3.2. De Eenheid legt aan de vorderingen ten grondslag dat het werk op 31 oktober 2023 is opgeleverd zodat de volledige bedragen overeengekomen in de aanneem- en bouwmanagementovereenkomst, inclusief meerwerk, verschuldigd zijn. Bij het reeds in rekening gebrachte bedrag van € 164.873,58 komt nog de laatste termijn van de aanneemsom (van € 23.500,00) minus het minderwerk (van € 14.641,00), wat het totaal op € 173.732,58 brengt. Daarnaast is [partijen 1 en 2] op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c van het Burgerlijk Wetboek (“BW”) incassokosten verschuldigd, aldus de Eenheid. 3.3. [partijen 1 en 2] voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkheid van De Eenheid, dan wel tot afwijzing van haar vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van De Eenheid in de kosten van deze procedure. 3.4. Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. in reconventie 3.5. [partijen 1 en 2] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, De Eenheid veroordeelt tot betaling van € 170.859,78, te vermeerderen met de wettelijke rente, de expertisekosten van € 9.272,53, de buitengerechtelijke kosten van € 2.483,59 en de proceskosten. 3.6. [partijen 1 en 2] leggen aan de vorderingen ten grondslag dat zij in totaal € 236.117,86 te vorderen hebben van De Eenheid. Daar staat tegenover dat zij nog € 65.258,08 dienen te voldoen, wat resulteert in een te ontvangen bedrag van € 170.859,78. Daarnaast vorderen [partijen 1 en 2] vergoeding van de expertisekosten van € 5.456,20 wat betreft [bedrijf 1] en € 4.650,15 wat betreft [bedrijf 3] (beide op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW) en vergoeding van de buitengerechtelijke kosten (op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW). 3.7. De Eenheid voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [partijen 1 en 2], dan wel tot afwijzing van hun vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partijen 1 en 2] in de kosten van deze procedure. 3.8. Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling in conventie 4.1. De Eenheid vordert betaling van in totaal € 173.732,58 van [partijen 1 en 2] Het totaalbedrag is opgebouwd uit vijf deelbedragen, bestaande uit vier gefactureerde bedragen en een bedrag dat nog niet is gefactureerd. De rechtbank bespreekt deze onderdelen afzonderlijk. 4.2. De rechtbank stelt bij de beoordeling van de vorderingen in conventie voorop dat [partijen 1 en 2], voor zover zij iets verschuldigd zijn aan De Eenheid, zich hebben beroepen op opschorting en verrekening met hun vorderingen in reconventie. Zoals verder zal worden uitgewerkt bij de bespreking van de reconventionele vorderingen, slaagt het verweer van De Eenheid tegen die vorderingen niet en hebben [partijen 1 en 2] inderdaad vorderingen op De Eenheid. De Eenheid heeft, behoudens haar verweer ten gronde tegen de reconventionele vorderingen, geen verweer gevoerd tegen het beroep in conventie op opschorting en verrekening. Het opschortingsberoep en het verrekeningsberoep slagen daarom. Nu de reconventionele vordering groter is dan de vordering in conventie zoals die hierna wordt vastgesteld, wordt de vordering in conventie afgewezen. Hieronder zal wel de omvang van de verrekende vordering van De Eenheid op [partijen 1 en 2] worden vastgesteld, nu die tussen partijen in geschil is en nu die relevant is voor de resterende omvang van de reconventionele vordering. 4.3. De rechtbank overweegt verder dat tussen partijen niet in geschil is dat [partijen 1 en 2] gezamenlijk aansprakelijk zijn voor de betalingsverplichtingen op grond van de aannemingsovereenkomst en de bouwmanagementovereenkomst, zodat uitsluitend wordt toegekomen aan de beoordeling van de primaire vordering van De Eenheid. De facturen [nummer 2] en [nummer 1] 4.4. Tussen partijen is niet in geschil dat de factuur [nummer 2] van € 15.233,08 en de factuur [nummer 1] van € 23.500,00 inclusief btw verschuldigd waren. Factuur [nummer 3] 4.5. Deze factuur van € 10.769,00 heeft betrekking op werk aan de riolering en de afwerking van de kelder. De kosten voor het werk aan de riolering van € 3.025,00 zijn door [partijen 1 en 2] erkend. De rechtbank heeft daarom uitsluitend te oordelen over het deel van deze factuur dat ziet op de afwerking van de kelder, waarvoor een bedrag van € 7.744,00 in rekening is gebracht. Het gaat om de meerwerkopdracht tot het aanbrengen van ventilatie in de kelder. 4.6. De Eenheid heeft onderbouwd gesteld dat [partijen 1 en 2] opdracht hebben gegeven voor het meerwerk aan de kelder voor het gefactureerde bedrag. Met een e-mailbericht van 2 mei 2023 heeft [partij 1] opdracht gegeven de kelder “meer af te werken dan nu gepland is”. In datzelfde e-mailbericht noemt [partij 1] een prijs van € 7.744,00 (inclusief btw). Een dag later bedankt De Eenheid, [partij 1] voor de gegeven extra opdracht en merkt op dat het bedrag van € 7.744,00 exclusief btw is. Wat daar ook van zij: uiteindelijk heeft De Eenheid een bedrag van € 7.744,00 inclusief btw in rekening gebracht en in deze procedure gevorderd. [partijen 1 en 2] hebben niet gemotiveerd weersproken dat zij opdracht hebben gegeven voor het meerwerk voor het gevorderde bedrag. [partijen 1 en 2] hebben daarentegen gesteld dat de werkzaamheden niet zijn uitgevoerd, hetgeen veronderstelt dat de werkzaamheden wel uitgevoerd hadden moeten worden op grond van de opdracht. Dit brengt mee dat De Eenheid in beginsel aanspraak kan maken op betaling van het bedrag van € 7.744,00 (inclusief btw).
Volledig
[partijen 1 en 2] hebben geen (duidelijke) juridische consequentie verbonden aan hun stelling dat de werkzaamheden niet zouden zijn uitgevoerd, welke stelling overigens wordt weersproken door De Eenheid. Het is namelijk geen onderdeel van de reconventionele vordering van [partijen 1 en 2], waarbij zij uitgaan van de rapporten van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] over niet-uitgevoerde of gebrekkige werkzaamheden. Daarin wordt niet vermeld dat het aanbrengen van ventilatie in de kelder niet zou zijn uitgevoerd. 4.7. Het voorgaande betekent dat [partijen 1 en 2] in beginsel gehouden waren zowel de kosten voor de riolering als de kelder van in totaal € 10.769,00 inclusief btw te voldoen. Factuur I2025-030 4.8. De factuur I2025-030 betreft een factuur van € 115.371,50, waarin negentien posten zijn opgenomen, die voor een belangrijk deel betrekking hebben op meerwerk. De rechtbank komt tot de volgende oordelen wat betreft de respectievelijke posten. 4.9. De eerste twee posten van deze factuur hebben betrekking op twee prijscorrecties op de aanneemsom van respectievelijk € 13.305,79 en € 4.609,88 (exclusief btw). De Eenheid heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de prijzen van het materiaal en de lonen gedurende de uitvoering van het werk sterk waren gestegen en dat zij op grond van de aannemingsovereenkomst gerechtigd is deze kosten door te belasten aan [partijen 1 en 2] De Eenheid wordt hierin niet gevolgd. Zoals [partijen 1 en 2] in hun verweer hebben gesteld, kunnen volgens de Technische Omschrijving prijsstijgingen alleen worden doorgevoerd als sprake is van ‘exceptionele omstandigheden’. De rechtbank is van oordeel dat De Eenheid, gelet op de betwisting door [partijen 1 en 2], onvoldoende heeft toegelicht dat sprake zou zijn van ‘exceptionele omstandigheden’ op basis waarvan de vooraf overeengekomen prijs verhoogd zou kunnen worden. Voor die posten bestaat er dus geen betalingsverplichting voor [partijen 1 en 2] 4.10. De overige posten van deze factuur hebben betrekking op meerwerk, ten aanzien waarvan De Eenheid stelt dat zij daarvoor opdracht heeft gekregen van [partijen 1 en 2] Ten aanzien van een groot gedeelte van de meerwerkposten betwisten [partijen 1 en 2] dat zij daarvoor opdracht hebben gegeven. De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat het aan De Eenheid is om te stellen en zo nodig te bewijzen dat sprake was van door [partijen 1 en 2] gewenste toevoegingen of veranderingen in het overeengekomen werk én dat [partijen 1 en 2] hadden moeten begrijpen dat hier extra kosten mee gemoeid zouden zijn dan wel dat De Eenheid heeft gewezen op de uit meerwerk voortvloeiende prijsverhoging (artikel 7:755 BW). 4.11. Wat betreft post 3 (“meerwerk bron”) heeft de rechtbank begrepen dat deze post betrekking heeft op de gerealiseerde warmtepomp. Tussen partijen is niet in geschil dat [partijen 1 en 2] een meerwerkopdracht hebben gegeven voor het realiseren van een warmtepomp. [partijen 1 en 2] hebben onderbouwd gesteld dat partijen daarbij een prijs zijn overeengekomen van € 65.336,37 (exclusief btw). Dit heeft De Eenheid niet weersproken. De onderhavige post heeft, zo begrijpt de rechtbank, betrekking op het realiseren van een tweede warmtebron. Daartoe heeft De Eenheid gesteld dat [partijen 1 en 2] na de aanvankelijke meerwerkopdracht, de opdracht in die zin hebben gewijzigd dat zij wensten dat ook de garage zou worden verwarmd. Deze extra warmtevraag zou met zich brengen dat er een tweede warmtebron nodig was. [partijen 1 en 2] hebben betwist dat zij deze gestelde, aanvullende opdracht hebben gegeven. Volgens hen was steeds de bedoeling dat de garage zou worden verwarmd, waartoe zij hebben gewezen op de Technische Omschrijving waarin een vloerverwarming in de garage is vermeld. De Eenheid zou tot de conclusie zijn gekomen dat hun aanvankelijke berekening van de warmtevraag niet juist was en dat er dus een tweede warmtebron nodig was. Het plaatsen van de tweede warmtebron is dus niet een gevolg van een door [partijen 1 en 2] gewenste wijziging van de opdracht. De rechtbank is van oordeel dat in het licht van de betwisting van [partijen 1 en 2], niet is gebleken dat zij opdracht hebben gegeven voor meerwerk, inhoudende het realiseren van een extra warmtebron. De Eenheid heeft haar stellingen op dit onderdeel niet nader onderbouwd. De gevorderde vergoeding wordt daarom afgewezen. 4.12. Onder punt 4 van de factuur is een bedrag vermeld van € 11.395,18 (exclusief btw) onder de noemer “meerwerk elektra”. [partijen 1 en 2] hebben onweersproken gesteld dat de specificatie van dit bedrag blijkt uit “bijlage 09m van 21 september 2023” , waarnaar ook is verwezen op de factuur. Op die specificatie staan 22 posten vermeld die tezamen het gevorderde bedrag zijn van € 11.395,18 (exclusief btw). Post 1 op bijlage 09m (“Ratio Solar Oplader”) van € 181,50 (exclusief btw) heeft betrekking op het plaatsen van een oplader voor een elektrische auto. [partijen 1 en 2] hebben niet weersproken dat ze een meerwerkopdracht hebben gegeven voor het plaatsen van een dergelijke oplader. Zij stellen evenwel dat De Eenheid de opdracht niet goed heeft uitgevoerd omdat de oplader niet beschikt over “load balancing”. Het herstel van dit gestelde gebrek is onderdeel van de reconventionele vordering van [partijen 1 en 2] De beoordeling of sprake is van een gebrek en, zo ja, wat de financiële gevolgen daarvan zijn, komt dan ook uitsluitend aan bod bij de reconventionele vordering. Dit brengt mee dat [partijen 1 en 2] de gevorderde vergoeding van € 181,50 (exclusief btw), hetgeen een bedrag is van € 219,62 (inclusief btw), voor het meerwerk verschuldigd zijn. 4.13. Voor het overige hebben [partijen 1 en 2] wat betreft de posten vermeld op bijlage 09m gemotiveerd weersproken dat ze opdracht hebben gegeven voor meerwerk. Het betreffen volgens [partijen 1 en 2] werkzaamheden die al onder de aannemingsovereenkomst vallen, werkzaamheden voor het herstel van door De Eenheid gemaakte fouten of aanpassingen in de werkzaamheden door De Eenheid zonder overleg met [partijen 1 en 2] In het licht van de betwisting door [partijen 1 en 2] heeft De Eenheid onvoldoende gemotiveerd onderbouwd dat wat betreft deze respectievelijke posten sprake is van door [partijen 1 en 2] gewenste toevoegingen of veranderingen in het overeengekomen werk. Er is bijvoorbeeld geen schriftelijke vastlegging van de opdracht voor het gestelde meerwerk. De overig gevorderde posten wat betreft “meerwerk elektra” zoals gespecifieerd op bijlage 09m, worden daarom afgewezen. 4.14. Ten aanzien van de resterende posten 5 tot en met 19 op de meerwerkfactuur oordeelt de rechtbank als volgt. [partijen 1 en 2] hebben niet weersproken dat zij een meerwerkopdracht hebben gegeven voor de werkzaamheden bedoeld onder nummer 12 (“meerprijs koplatten, neuten, arbeid”) van € 522,72, nummer 17 (“meerprijs cilinders buitendeuren”) van € 217,80 en nummer 18 (“meerwerk cilinders”) van € 205,70. Volgens [partijen 1 en 2] is voor deze extra werkzaamheden wel een opdracht gegeven, maar is ondanks een verzoek daartoe geen prijsopgave ontvangen. [partijen 1 en 2] hebben niet weersproken dat voor hen kenbaar was dat de meerwerkopdrachten tot prijsverhogingen zouden leiden. Indien er geen prijs is overeengekomen geldt op grond van artikel 7:752 lid 1 BW dat er een redelijke prijs verschuldigd is. De rechtbank is van oordeel dat [partijen 1 en 2] niet gemotiveerd hebben weersproken dat de in rekening gebrachte kosten redelijk zijn. Dit brengt mee dat [partijen 1 en 2] gehouden zijn deze kosten te betalen. De kosten tellen op tot € 958,32. Inclusief 21% btw gaat dit om een totaalbedrag van € 1.159,57 . 4.15. [partijen 1 en 2] hebben wat betreft de resterende posten op de meerwerkfactuur gemotiveerd betwist meerwerkopdrachten te hebben gegeven. Er is wat betreft die posten volgens [partijen 1 en 2] geen sprake van door hen gewenste wijzigingen of toevoegingen van het overeengekomen werk. Daartoe hebben [partijen 1 en 2] onder meer gesteld dat sommige posten onder de initiële overeenkomst vallen, terwijl een andere post het gevolg lijkt te zijn van een te lage begroting door De Eenheid.
Volledig
[partijen 1 en 2] hebben geen (duidelijke) juridische consequentie verbonden aan hun stelling dat de werkzaamheden niet zouden zijn uitgevoerd, welke stelling overigens wordt weersproken door De Eenheid. Het is namelijk geen onderdeel van de reconventionele vordering van [partijen 1 en 2], waarbij zij uitgaan van de rapporten van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] over niet-uitgevoerde of gebrekkige werkzaamheden. Daarin wordt niet vermeld dat het aanbrengen van ventilatie in de kelder niet zou zijn uitgevoerd. 4.7. Het voorgaande betekent dat [partijen 1 en 2] in beginsel gehouden waren zowel de kosten voor de riolering als de kelder van in totaal € 10.769,00 inclusief btw te voldoen. Factuur I2025-030 4.8. De factuur I2025-030 betreft een factuur van € 115.371,50, waarin negentien posten zijn opgenomen, die voor een belangrijk deel betrekking hebben op meerwerk. De rechtbank komt tot de volgende oordelen wat betreft de respectievelijke posten. 4.9. De eerste twee posten van deze factuur hebben betrekking op twee prijscorrecties op de aanneemsom van respectievelijk € 13.305,79 en € 4.609,88 (exclusief btw). De Eenheid heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de prijzen van het materiaal en de lonen gedurende de uitvoering van het werk sterk waren gestegen en dat zij op grond van de aannemingsovereenkomst gerechtigd is deze kosten door te belasten aan [partijen 1 en 2] De Eenheid wordt hierin niet gevolgd. Zoals [partijen 1 en 2] in hun verweer hebben gesteld, kunnen volgens de Technische Omschrijving prijsstijgingen alleen worden doorgevoerd als sprake is van ‘exceptionele omstandigheden’. De rechtbank is van oordeel dat De Eenheid, gelet op de betwisting door [partijen 1 en 2], onvoldoende heeft toegelicht dat sprake zou zijn van ‘exceptionele omstandigheden’ op basis waarvan de vooraf overeengekomen prijs verhoogd zou kunnen worden. Voor die posten bestaat er dus geen betalingsverplichting voor [partijen 1 en 2] 4.10. De overige posten van deze factuur hebben betrekking op meerwerk, ten aanzien waarvan De Eenheid stelt dat zij daarvoor opdracht heeft gekregen van [partijen 1 en 2] Ten aanzien van een groot gedeelte van de meerwerkposten betwisten [partijen 1 en 2] dat zij daarvoor opdracht hebben gegeven. De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat het aan De Eenheid is om te stellen en zo nodig te bewijzen dat sprake was van door [partijen 1 en 2] gewenste toevoegingen of veranderingen in het overeengekomen werk én dat [partijen 1 en 2] hadden moeten begrijpen dat hier extra kosten mee gemoeid zouden zijn dan wel dat De Eenheid heeft gewezen op de uit meerwerk voortvloeiende prijsverhoging (artikel 7:755 BW). 4.11. Wat betreft post 3 (“meerwerk bron”) heeft de rechtbank begrepen dat deze post betrekking heeft op de gerealiseerde warmtepomp. Tussen partijen is niet in geschil dat [partijen 1 en 2] een meerwerkopdracht hebben gegeven voor het realiseren van een warmtepomp. [partijen 1 en 2] hebben onderbouwd gesteld dat partijen daarbij een prijs zijn overeengekomen van € 65.336,37 (exclusief btw). Dit heeft De Eenheid niet weersproken. De onderhavige post heeft, zo begrijpt de rechtbank, betrekking op het realiseren van een tweede warmtebron. Daartoe heeft De Eenheid gesteld dat [partijen 1 en 2] na de aanvankelijke meerwerkopdracht, de opdracht in die zin hebben gewijzigd dat zij wensten dat ook de garage zou worden verwarmd. Deze extra warmtevraag zou met zich brengen dat er een tweede warmtebron nodig was. [partijen 1 en 2] hebben betwist dat zij deze gestelde, aanvullende opdracht hebben gegeven. Volgens hen was steeds de bedoeling dat de garage zou worden verwarmd, waartoe zij hebben gewezen op de Technische Omschrijving waarin een vloerverwarming in de garage is vermeld. De Eenheid zou tot de conclusie zijn gekomen dat hun aanvankelijke berekening van de warmtevraag niet juist was en dat er dus een tweede warmtebron nodig was. Het plaatsen van de tweede warmtebron is dus niet een gevolg van een door [partijen 1 en 2] gewenste wijziging van de opdracht. De rechtbank is van oordeel dat in het licht van de betwisting van [partijen 1 en 2], niet is gebleken dat zij opdracht hebben gegeven voor meerwerk, inhoudende het realiseren van een extra warmtebron. De Eenheid heeft haar stellingen op dit onderdeel niet nader onderbouwd. De gevorderde vergoeding wordt daarom afgewezen. 4.12. Onder punt 4 van de factuur is een bedrag vermeld van € 11.395,18 (exclusief btw) onder de noemer “meerwerk elektra”. [partijen 1 en 2] hebben onweersproken gesteld dat de specificatie van dit bedrag blijkt uit “bijlage 09m van 21 september 2023” , waarnaar ook is verwezen op de factuur. Op die specificatie staan 22 posten vermeld die tezamen het gevorderde bedrag zijn van € 11.395,18 (exclusief btw). Post 1 op bijlage 09m (“Ratio Solar Oplader”) van € 181,50 (exclusief btw) heeft betrekking op het plaatsen van een oplader voor een elektrische auto. [partijen 1 en 2] hebben niet weersproken dat ze een meerwerkopdracht hebben gegeven voor het plaatsen van een dergelijke oplader. Zij stellen evenwel dat De Eenheid de opdracht niet goed heeft uitgevoerd omdat de oplader niet beschikt over “load balancing”. Het herstel van dit gestelde gebrek is onderdeel van de reconventionele vordering van [partijen 1 en 2] De beoordeling of sprake is van een gebrek en, zo ja, wat de financiële gevolgen daarvan zijn, komt dan ook uitsluitend aan bod bij de reconventionele vordering. Dit brengt mee dat [partijen 1 en 2] de gevorderde vergoeding van € 181,50 (exclusief btw), hetgeen een bedrag is van € 219,62 (inclusief btw), voor het meerwerk verschuldigd zijn. 4.13. Voor het overige hebben [partijen 1 en 2] wat betreft de posten vermeld op bijlage 09m gemotiveerd weersproken dat ze opdracht hebben gegeven voor meerwerk. Het betreffen volgens [partijen 1 en 2] werkzaamheden die al onder de aannemingsovereenkomst vallen, werkzaamheden voor het herstel van door De Eenheid gemaakte fouten of aanpassingen in de werkzaamheden door De Eenheid zonder overleg met [partijen 1 en 2] In het licht van de betwisting door [partijen 1 en 2] heeft De Eenheid onvoldoende gemotiveerd onderbouwd dat wat betreft deze respectievelijke posten sprake is van door [partijen 1 en 2] gewenste toevoegingen of veranderingen in het overeengekomen werk. Er is bijvoorbeeld geen schriftelijke vastlegging van de opdracht voor het gestelde meerwerk. De overig gevorderde posten wat betreft “meerwerk elektra” zoals gespecifieerd op bijlage 09m, worden daarom afgewezen. 4.14. Ten aanzien van de resterende posten 5 tot en met 19 op de meerwerkfactuur oordeelt de rechtbank als volgt. [partijen 1 en 2] hebben niet weersproken dat zij een meerwerkopdracht hebben gegeven voor de werkzaamheden bedoeld onder nummer 12 (“meerprijs koplatten, neuten, arbeid”) van € 522,72, nummer 17 (“meerprijs cilinders buitendeuren”) van € 217,80 en nummer 18 (“meerwerk cilinders”) van € 205,70. Volgens [partijen 1 en 2] is voor deze extra werkzaamheden wel een opdracht gegeven, maar is ondanks een verzoek daartoe geen prijsopgave ontvangen. [partijen 1 en 2] hebben niet weersproken dat voor hen kenbaar was dat de meerwerkopdrachten tot prijsverhogingen zouden leiden. Indien er geen prijs is overeengekomen geldt op grond van artikel 7:752 lid 1 BW dat er een redelijke prijs verschuldigd is. De rechtbank is van oordeel dat [partijen 1 en 2] niet gemotiveerd hebben weersproken dat de in rekening gebrachte kosten redelijk zijn. Dit brengt mee dat [partijen 1 en 2] gehouden zijn deze kosten te betalen. De kosten tellen op tot € 958,32. Inclusief 21% btw gaat dit om een totaalbedrag van € 1.159,57 . 4.15. [partijen 1 en 2] hebben wat betreft de resterende posten op de meerwerkfactuur gemotiveerd betwist meerwerkopdrachten te hebben gegeven. Er is wat betreft die posten volgens [partijen 1 en 2] geen sprake van door hen gewenste wijzigingen of toevoegingen van het overeengekomen werk. Daartoe hebben [partijen 1 en 2] onder meer gesteld dat sommige posten onder de initiële overeenkomst vallen, terwijl een andere post het gevolg lijkt te zijn van een te lage begroting door De Eenheid.
Volledig
Ook worden er posten in rekening gebracht ten aanzien waarvan tussen partijen juist was gecommuniceerd dat ze geen meerwerk betroffen. De rechtbank is van oordeel dat gelet op deze gemotiveerde en concrete betwistingen door [partijen 1 en 2], De Eenheid onvoldoende onderbouwd heeft toegelicht dat [partijen 1 en 2] opdracht hebben gegeven tot meerwerk wat betreft de respectievelijke posten. 4.16. De algemene verwijzing naar de bouwverslagen in dat kader is onvoldoende. De Eenheid heeft niet duidelijk verwezen naar passages in de bouwverslagen waaruit volgt dat [partijen 1 en 2] wat betreft deze resterende posten meerwerkopdrachten hebben gegeven. In de bouwverslagen, die deels woordelijke herhalingen zijn van eerdere verslagen, is slechts verwezen naar een niet bijgevoegde meerwerklijst. Daar komt bij dat [partijen 1 en 2] wat betreft die bouwverslagen hebben gesteld dat zij deze niet hebben geaccordeerd en deels pas in een later stadium hebben gezien. 4.17. Wat betreft post 9 (“noodbrug meer huur”) overweegt de rechtbank, in aanvulling in het voorgaande, nog als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat zij voor het plaatsen van de noodbrug een vast bedrag zijn overeengekomen in de bouwmanagementovereenkomst. De Eenheid heeft gesteld dat de geplaatste noodbrug evenwel langer is gehuurd dan aanvankelijk gepland, omdat [partijen 1 en 2] de meerwerkopdrachten hadden gegeven voor de warmtepomp. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de betwistingen van de zijde van [partijen 1 en 2], niet is gebleken dat deze kosten het gevolg zijn van een meerwerkopdracht van [partijen 1 en 2] hebben een meerwerkopdracht gegeven voor de warmtepomp, zoals hiervoor aan bod is gekomen, maar wat betreft die meerwerkopdracht hebben [partijen 1 en 2] onderbouwd gesteld dat partijen daarvoor een prijs zijn overeengekomen van € 65.336,37 (exclusief btw). Het in rekening brengen van aanvullende kosten voor deze meerwerkopdracht stuit af op deze afspraak. De rechtbank heeft hiervoor voorts geoordeeld dat niet is gebleken dat [partijen 1 en 2] een aanvullende meerwerkopdracht hebben gegeven voor het realiseren van de tweede warmtebron. Deze kosten voor de noodbrug kunnen daarom evenmin aan [partijen 1 en 2] in rekening worden gebracht op grond van deze gestelde, maar niet gebleken, aanvullende meerwerkopdracht. 4.18. De conclusie is dat wat betreft de gevorderde betaling van factuur I2025-030 een bedrag wordt vastgesteld van totaal € 1.379,19 (€ 219,62 + € 1.159,57) inclusief btw. De nog niet in rekening gebrachte kosten 4.19. Tussen partijen is niet is geschil dat 5% van de aanneemsom van € 470.000,00 (ofwel € 23.500,00) nog niet betaald is. De Eenheid vordert hiervan - na aftrek van een bedrag van € 14.641,00 vanwege minderwerk - een bedrag van € 8.859,00 inclusief btw. Dit bedrag is als zodanig niet in geschil. Conclusie 4.20. Het voorgaande houdt in dat de vordering van de Eenheid op [partijen 1 en 2] in totaal het bedrag beloopt van € 59.740,27 inclusief btw (€ 15.233,08 + € 23.500,00 + € 10.769,00 + € 1.379,19 + € 8.859,00). Dit bedrag wordt, zoals hiervoor is overwogen, verrekend met de reconventionele vordering van [partijen 1 en 2] op De Eenheid. 4.21. Erop gelet dat het beroep van [partijen 1 en 2] op opschorting en verrekening slaagt zal de vordering worden afgewezen. Dit geslaagde beroep op opschorting en verrekening brengt ook mee dat de gevorderde wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen. in reconventie 4.22. [partijen 1 en 2] vorderen dat De Eenheid € 170.859,78 aan hen betaalt. Dit bedrag is opgebouwd uit fouten in de begroting, minderwerk, herstelkosten van niet-uitgevoerde of gebrekkige werkzaamheden, herstelkosten voor de warmtepomp, extra energiekosten, compensatie voor gederfd woongenot en staartkosten van in totaal € 236.117,86. [partijen 1 en 2] trekken daar de bedragen van af waarvan zij erkennen dat zij die nog aan De Eenheid dienen te voldoen, die volgens hen in totaal het bedrag belopen van € 65.258,08. Fouten in de begroting 4.23. [partijen 1 en 2] stellen dat er fouten zijn gemaakt in optellingen in de begroting. Bij een juiste optelling van de verschillende kostenposten zou de aanneemsom € 24.624,60 lager uitkomen. De Eenheid heeft deze vordering weersproken. Zij heeft daartoe gesteld dat de totaalsom van de posten van de begroting hoger is dan het bedrag waarmee De Eenheid in het staartblad heeft gerekend en op basis waarvan de aanneemsom tot stand is gekomen. De aanneemsom is volgens De Eenheid dus niet de optelsom van de begroting. Ook weerspreekt De Eenheid dat er fouten zouden zijn gemaakt in de berekening van de opslagen en kortingen. 4.24. De rechtbank oordeelt dat tussen partijen niet in geschil is dat zij overeenstemming hebben bereikt over een totale aanneemsom van € 470.000,00. Hoe dit bedrag aansluit op de verschillende kostenposten die in de begroting zijn opgenomen is, zo volgt uit de stellingen van De Eenheid, daarvoor in dit geval niet bepalend. Dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen. Minderwerk 4.25. Volgens [partijen 1 en 2] zou als gevolg van minderwerk een bedrag van € 14.641,00 in mindering moeten worden gebracht. De rechtbank stelt vast dat dit bedrag reeds is verdisconteerd in het bedrag dat in conventie is vastgesteld wat betreft het nog niet gefactureerde bedrag. De nog niet gefactureerde laatste termijn bedroeg € 23.500,00 (5% van € 470.000,00). De Eenheid heeft dit bedrag vanwege minderwerk reeds verlaagd met € 14.641,00 tot € 8.859,00. Daarmee is er geen grond meer om deze vordering toe te wijzen. Herstelkosten van niet-uitgevoerde of gebrekkige werkzaamheden 4.26. [partijen 1 en 2] vorderen een bedrag van € 138.733,14 aan herstelkosten voor werkzaamheden die niet, of gebrekkig, zijn uitgevoerd. Aan die vordering hebben [partijen 1 en 2] ten grondslag gelegd het rapport van [bedrijf 1] van het onderzoek van 11 oktober 2024. Daarin is vermeld dat van de aanvankelijke 122 punten, zoals die naar voren waren gekomen uit het eerdere onderzoek in oktober 2023, nog 39 punten niet waren opgelost terwijl er zeven nieuwe onvolkomenheden zijn geconstateerd. Op basis van de totale lijst van 46 punten heeft [bedrijf 2] een begroting opgesteld waarin de herstelkosten zijn berekend op een totaal bedrag van € 138.733,14. 4.27. De Eenheid heeft de vordering betwist. Zij heeft daartoe gesteld dat het werk op 31 oktober 2023 is opgeleverd. De herstelpunten die op dat moment bleken, stonden niet aan oplevering in de weg. Alle herstelpunten zijn vervolgens in de loop van 2024 hersteld, waarna [partijen 1 en 2] het werk hebben aanvaard. [partijen 1 en 2] wensten toen nog wel een keuring door [bedrijf 1], maar die keuring heeft te lang op zich laten wachten. Het werk, waaronder het meerwerk, is dus aanvaard en de gebreken zijn te laat gemeld, aldus De Eenheid. 4.28. De Eenheid wordt niet gevolgd in dit verweer. Op grond van artikel 7:758 lid 3 BW is de aannemer ontslagen van aansprakelijkheid voor gebreken die de opdrachtgever op het tijdstip van de oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken, maar ten tijde van de oplevering niet heeft gemeld. In dit geval blijkt niet dat [partijen 1 en 2] het werk (stilzwijgend) hebben aanvaard. Vast staat dat [partijen 1 en 2] na de schouw in september 2023 een onderzoek hebben laten uitvoeren door [bedrijf 1] op 31 oktober 2023, waaruit een groot aantal gebreken is gebleken. [partijen 1 en 2] hebben onweersproken gesteld dat zij op dat moment kenbaar hebben gemaakt het werk niet te aanvaarden. Gelet op het grote aantal gebreken en de aard ervan, zoals die blijken uit het rapport van [bedrijf 1] wat betreft de schouw van 31 oktober 2023, kan niet worden vastgesteld dat [partijen 1 en 2] op 31 oktober 2023 ten onrechte niet hebben meegewerkt aan de oplevering. De Eenheid heeft, gelet op de betwisting door [partijen 1 en 2], onvoldoende gesteld voor de conclusie dat er nadien alsnog een oplevering heeft plaatsgevonden. Uit de enkele omstandigheid dat [partijen 1 en 2] de woning nadien hebben betrokken, volgt niet dat [partijen 1 en 2] de oplevering alsnog hebben aanvaard.
Volledig
Ook worden er posten in rekening gebracht ten aanzien waarvan tussen partijen juist was gecommuniceerd dat ze geen meerwerk betroffen. De rechtbank is van oordeel dat gelet op deze gemotiveerde en concrete betwistingen door [partijen 1 en 2], De Eenheid onvoldoende onderbouwd heeft toegelicht dat [partijen 1 en 2] opdracht hebben gegeven tot meerwerk wat betreft de respectievelijke posten. 4.16. De algemene verwijzing naar de bouwverslagen in dat kader is onvoldoende. De Eenheid heeft niet duidelijk verwezen naar passages in de bouwverslagen waaruit volgt dat [partijen 1 en 2] wat betreft deze resterende posten meerwerkopdrachten hebben gegeven. In de bouwverslagen, die deels woordelijke herhalingen zijn van eerdere verslagen, is slechts verwezen naar een niet bijgevoegde meerwerklijst. Daar komt bij dat [partijen 1 en 2] wat betreft die bouwverslagen hebben gesteld dat zij deze niet hebben geaccordeerd en deels pas in een later stadium hebben gezien. 4.17. Wat betreft post 9 (“noodbrug meer huur”) overweegt de rechtbank, in aanvulling in het voorgaande, nog als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat zij voor het plaatsen van de noodbrug een vast bedrag zijn overeengekomen in de bouwmanagementovereenkomst. De Eenheid heeft gesteld dat de geplaatste noodbrug evenwel langer is gehuurd dan aanvankelijk gepland, omdat [partijen 1 en 2] de meerwerkopdrachten hadden gegeven voor de warmtepomp. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de betwistingen van de zijde van [partijen 1 en 2], niet is gebleken dat deze kosten het gevolg zijn van een meerwerkopdracht van [partijen 1 en 2] hebben een meerwerkopdracht gegeven voor de warmtepomp, zoals hiervoor aan bod is gekomen, maar wat betreft die meerwerkopdracht hebben [partijen 1 en 2] onderbouwd gesteld dat partijen daarvoor een prijs zijn overeengekomen van € 65.336,37 (exclusief btw). Het in rekening brengen van aanvullende kosten voor deze meerwerkopdracht stuit af op deze afspraak. De rechtbank heeft hiervoor voorts geoordeeld dat niet is gebleken dat [partijen 1 en 2] een aanvullende meerwerkopdracht hebben gegeven voor het realiseren van de tweede warmtebron. Deze kosten voor de noodbrug kunnen daarom evenmin aan [partijen 1 en 2] in rekening worden gebracht op grond van deze gestelde, maar niet gebleken, aanvullende meerwerkopdracht. 4.18. De conclusie is dat wat betreft de gevorderde betaling van factuur I2025-030 een bedrag wordt vastgesteld van totaal € 1.379,19 (€ 219,62 + € 1.159,57) inclusief btw. De nog niet in rekening gebrachte kosten 4.19. Tussen partijen is niet is geschil dat 5% van de aanneemsom van € 470.000,00 (ofwel € 23.500,00) nog niet betaald is. De Eenheid vordert hiervan - na aftrek van een bedrag van € 14.641,00 vanwege minderwerk - een bedrag van € 8.859,00 inclusief btw. Dit bedrag is als zodanig niet in geschil. Conclusie 4.20. Het voorgaande houdt in dat de vordering van de Eenheid op [partijen 1 en 2] in totaal het bedrag beloopt van € 59.740,27 inclusief btw (€ 15.233,08 + € 23.500,00 + € 10.769,00 + € 1.379,19 + € 8.859,00). Dit bedrag wordt, zoals hiervoor is overwogen, verrekend met de reconventionele vordering van [partijen 1 en 2] op De Eenheid. 4.21. Erop gelet dat het beroep van [partijen 1 en 2] op opschorting en verrekening slaagt zal de vordering worden afgewezen. Dit geslaagde beroep op opschorting en verrekening brengt ook mee dat de gevorderde wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen. in reconventie 4.22. [partijen 1 en 2] vorderen dat De Eenheid € 170.859,78 aan hen betaalt. Dit bedrag is opgebouwd uit fouten in de begroting, minderwerk, herstelkosten van niet-uitgevoerde of gebrekkige werkzaamheden, herstelkosten voor de warmtepomp, extra energiekosten, compensatie voor gederfd woongenot en staartkosten van in totaal € 236.117,86. [partijen 1 en 2] trekken daar de bedragen van af waarvan zij erkennen dat zij die nog aan De Eenheid dienen te voldoen, die volgens hen in totaal het bedrag belopen van € 65.258,08. Fouten in de begroting 4.23. [partijen 1 en 2] stellen dat er fouten zijn gemaakt in optellingen in de begroting. Bij een juiste optelling van de verschillende kostenposten zou de aanneemsom € 24.624,60 lager uitkomen. De Eenheid heeft deze vordering weersproken. Zij heeft daartoe gesteld dat de totaalsom van de posten van de begroting hoger is dan het bedrag waarmee De Eenheid in het staartblad heeft gerekend en op basis waarvan de aanneemsom tot stand is gekomen. De aanneemsom is volgens De Eenheid dus niet de optelsom van de begroting. Ook weerspreekt De Eenheid dat er fouten zouden zijn gemaakt in de berekening van de opslagen en kortingen. 4.24. De rechtbank oordeelt dat tussen partijen niet in geschil is dat zij overeenstemming hebben bereikt over een totale aanneemsom van € 470.000,00. Hoe dit bedrag aansluit op de verschillende kostenposten die in de begroting zijn opgenomen is, zo volgt uit de stellingen van De Eenheid, daarvoor in dit geval niet bepalend. Dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen. Minderwerk 4.25. Volgens [partijen 1 en 2] zou als gevolg van minderwerk een bedrag van € 14.641,00 in mindering moeten worden gebracht. De rechtbank stelt vast dat dit bedrag reeds is verdisconteerd in het bedrag dat in conventie is vastgesteld wat betreft het nog niet gefactureerde bedrag. De nog niet gefactureerde laatste termijn bedroeg € 23.500,00 (5% van € 470.000,00). De Eenheid heeft dit bedrag vanwege minderwerk reeds verlaagd met € 14.641,00 tot € 8.859,00. Daarmee is er geen grond meer om deze vordering toe te wijzen. Herstelkosten van niet-uitgevoerde of gebrekkige werkzaamheden 4.26. [partijen 1 en 2] vorderen een bedrag van € 138.733,14 aan herstelkosten voor werkzaamheden die niet, of gebrekkig, zijn uitgevoerd. Aan die vordering hebben [partijen 1 en 2] ten grondslag gelegd het rapport van [bedrijf 1] van het onderzoek van 11 oktober 2024. Daarin is vermeld dat van de aanvankelijke 122 punten, zoals die naar voren waren gekomen uit het eerdere onderzoek in oktober 2023, nog 39 punten niet waren opgelost terwijl er zeven nieuwe onvolkomenheden zijn geconstateerd. Op basis van de totale lijst van 46 punten heeft [bedrijf 2] een begroting opgesteld waarin de herstelkosten zijn berekend op een totaal bedrag van € 138.733,14. 4.27. De Eenheid heeft de vordering betwist. Zij heeft daartoe gesteld dat het werk op 31 oktober 2023 is opgeleverd. De herstelpunten die op dat moment bleken, stonden niet aan oplevering in de weg. Alle herstelpunten zijn vervolgens in de loop van 2024 hersteld, waarna [partijen 1 en 2] het werk hebben aanvaard. [partijen 1 en 2] wensten toen nog wel een keuring door [bedrijf 1], maar die keuring heeft te lang op zich laten wachten. Het werk, waaronder het meerwerk, is dus aanvaard en de gebreken zijn te laat gemeld, aldus De Eenheid. 4.28. De Eenheid wordt niet gevolgd in dit verweer. Op grond van artikel 7:758 lid 3 BW is de aannemer ontslagen van aansprakelijkheid voor gebreken die de opdrachtgever op het tijdstip van de oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken, maar ten tijde van de oplevering niet heeft gemeld. In dit geval blijkt niet dat [partijen 1 en 2] het werk (stilzwijgend) hebben aanvaard. Vast staat dat [partijen 1 en 2] na de schouw in september 2023 een onderzoek hebben laten uitvoeren door [bedrijf 1] op 31 oktober 2023, waaruit een groot aantal gebreken is gebleken. [partijen 1 en 2] hebben onweersproken gesteld dat zij op dat moment kenbaar hebben gemaakt het werk niet te aanvaarden. Gelet op het grote aantal gebreken en de aard ervan, zoals die blijken uit het rapport van [bedrijf 1] wat betreft de schouw van 31 oktober 2023, kan niet worden vastgesteld dat [partijen 1 en 2] op 31 oktober 2023 ten onrechte niet hebben meegewerkt aan de oplevering. De Eenheid heeft, gelet op de betwisting door [partijen 1 en 2], onvoldoende gesteld voor de conclusie dat er nadien alsnog een oplevering heeft plaatsgevonden. Uit de enkele omstandigheid dat [partijen 1 en 2] de woning nadien hebben betrokken, volgt niet dat [partijen 1 en 2] de oplevering alsnog hebben aanvaard.
Volledig
De stelling dat alle door De Eenheid erkende herstelpunten zouden zijn hersteld in mei 2024 is evenmin voldoende. Daaruit blijkt geen acceptatie door [partijen 1 en 2] hebben in oktober 2024 een tweede onderzoek laten uitvoeren waaruit (nog steeds) gebreken bleken en dit in november 2024 met De Eenheid gedeeld. Op dat moment was er nog niet opgeleverd, zodat [partijen 1 en 2] niet te laat hebben geklaagd. 4.29. Wat betreft het rapport van [bedrijf 1] heeft De Eenheid verder in algemene zin gesteld dat het rapport eenzijdig is opgesteld en wat betreft verschillende posten ongespecificeerd is, terwijl er ook herstelpunten in staan voor werkzaamheden die niet tussen partijen zijn overeengekomen. 4.30. De rechtbank gaat aan deze verweren voorbij. De Eenheid is namelijk zowel bij het onderzoek in oktober 2023 als bij het onderzoek in oktober 2024 aanwezig geweest. Zij heeft kunnen waarnemen welke punten tijdens die onderzoeken zijn opgenomen en daar commentaar op kunnen geven. Naar aanleiding van het eerste onderzoek heeft De Eenheid ook een groot aantal punten opgelost. Het moet De Eenheid daarom duidelijk zijn geweest wat de herstelpunten volgens [bedrijf 1] waren bij beide onderzoeken. Dat de onderzoeken eenzijdig en ongespecificeerd zouden zijn opgesteld is door De Eenheid verder niet onderbouwd. 4.31. Vervolgens voert De Eenheid aan dat in de gebrekenlijst herstelpunten zijn opgenomen voor werkzaamheden die geen onderdeel uitmaken van de aannemingsovereenkomst, waartoe De Eenheid naar de volgende posten heeft verwezen. 4.32. De Eenheid heeft ten eerste verwezen naar post nummer 122 van het rapport van [bedrijf 1] inhoudende dat het dak niet onder afschot is aangebracht. Tussen partijen is niet in geschil dat in de Technische Omschrijving is vermeld dat het dak onder afschot diende te worden aangebracht. Volgens De Eenheid is tijdens het werk echter met [partijen 1 en 2] besproken dat een plat dak een betere optie zou zijn. Volgens [partijen 1 en 2] is het juist dat De Eenheid had voorgesteld om een plat dak te realiseren in plaats van een dak onder afschot, maar zij hebben weersproken dat zij met die wijziging hebben ingestemd. De rechtbank overweegt dat, gelet daarop, De Eenheid niet voldoende onderbouwd heeft gesteld dat [partijen 1 en 2] hebben ingestemd met de voorgestelde wijziging van het overeengekomen werk. Dit brengt mee dat op grond van de aannemingsovereenkomst het dak onder afschot gerealiseerd had dienen te worden. Dat is niet gebeurd, zodat De Eenheid dit deel van de overeenkomst niet correct is nagekomen. 4.33. Daarnaast heeft De Eenheid verwezen naar post 29 van het rapport van [bedrijf 1] waarin is vermeld dat in de garage nog een gietvloer moet worden aangebracht. De Eenheid heeft weersproken dat op grond van de aannemingsovereenkomst er een gietvloer diende te worden aangebracht in de garage. De rechtbank overweegt dat [partijen 1 en 2] gemotiveerd hebben gesteld dat partijen zijn overeengekomen dat er een gietvloer diende te worden gerealiseerd in de garage. [partijen 1 en 2] hebben daartoe verwezen naar de Technische Omschrijving waarin dit is vermeld. De rechtbank is van oordeel dat De Eenheid, gelet hierop, dit standpunt van [partijen 1 en 2] onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken. De stelling dat in de begroting van 18 augustus 2022 niet is vermeld dat er een gietvloer zou worden gerealiseerd in de garage, is daartoe onvoldoende. De Eenheid heeft geen standpunten ingenomen waaruit volgt dat de Technische Omschrijving, die overigens van een latere datum is dan de begroting, geen juiste weergave is van de afspraken tussen partijen, dan wel dat [partijen 1 en 2] daarvan niet redelijkerwijs mochten uitgaan. [partijen 1 en 2] mochten erop vertrouwen dat de werkzaamheden zouden worden uitgevoerd zoals die in de Technische Omschrijving zijn opgenomen. Dat houdt onder meer in dat in de garage een gietvloer zou worden aangebracht. Dat heeft De Eenheid niet gedaan, zodat ook dit deel van de overeenkomst niet is nagekomen. 4.34. De Eenheid heeft verder verweer gevoerd tegen post 34 van het rapport van [bedrijf 1], waarin als gebrek is vermeld dat de lader van de elektrische auto niet beschikt over de functie “load balancing”. De Eenheid heeft gesteld dat de lader voor de elektrische auto als zodanig werkt en heeft weersproken dat partijen, bij de meerwerkopdracht hebben afgesproken dat de lader zou beschikken over de functie “load balancing”. Gelet op de betwisting door De Eenheid, hebben [partijen 1 en 2] onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat de lader voor de elektrische auto ook diende te beschikken over de functie “load balancing”. [partijen 1 en 2] worden daarom niet gevolgd in hun stelling dat De Eenheid tekort is gekomen wat betreft het plaatsen van de lader voor de elektrische auto. 4.35. Ook heeft De Eenheid weersproken dat bij de uitvoering van de werkzaamheden de sensoren van de poort zijn beschadigd. De Eenheid weerspreekt daarmee post 102 van het rapport van [bedrijf 1]. [partijen 1 en 2] hebben hun stelling dat de sensoren van de poort zijn beschadigd bij graafwerkzaamheden door of in opdracht van De Eenheid, niet nader toegelicht of onderbouwd. Dit brengt mee dat de vordering wat betreft het herstel van de sensoren van de poort wordt afgewezen. 4.36. De Eenheid heeft ook verweer gevoerd tegen post 10, inhoudende het schilderen van de kopse kanten van de deuren. Volgens De Eenheid hoefden de kopse kanten niet geschilderd te worden. De rechtbank is van oordeel dat [partijen 1 en 2] er in beginsel vanuit mochten gaan dat, toen zij opdracht gaven tot het schilderen van de deuren, ook de kopse kanten ervan zouden worden geschilderd. De Eenheid heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel leiden. Tot slot heeft De Eenheid onvoldoende gemotiveerd weersproken dat er ook opdracht is gegeven tot het schilderen van de kozijnen (post 11 van het rapport van [bedrijf 1]). Ook volgens De Eenheid was het schilderen van het nieuwbouwgedeelte immers onderdeel van de werkzaamheden. 4.37. Voor het overige heeft De Eenheid onvoldoende concreet naar voren gebracht welke onderdelen van de begroting van de herstelkosten betrekking zouden hebben op punten die niet vallen onder de overeengekomen werkzaamheden. De algemene stelling dat het aanbrengen van thermostaten en lichtpunten en het inrichten van het buitenterrein niet onder het aangenomen werk valt, is daarvoor onvoldoende. De rechtbank passeert daarom dit verweer. 4.38. Ten slotte voert De Eenheid aan dat de begroting van [bedrijf 2] ongespecificeerd is en dat het herstel voor een lager bedrag uitgevoerd zou kunnen worden, terwijl [bedrijf 2] niet is langs geweest bij de woning om de herstelkosten te beoordelen. Hierover oordeelt de rechtbank dat [partijen 1 en 2] hebben toegelicht dat [bedrijf 2] de begroting heeft opgesteld in samenspraak met [bedrijf 1]. [bedrijf 1] heeft tweemaal een onderzoek in de woning uitgevoerd en kon dus de nodige toelichting geven. [partijen 1 en 2] hebben daarmee voldoende onderbouwd waarom [bedrijf 2] in staat was een begroting op te stellen ondanks dat [bedrijf 2] niet zelf heeft beoordeeld welke werkzaamheden dienden te worden verricht. Voorts oordeelt de rechtbank dat De Eenheid de begroting van [bedrijf 2] onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken, terwijl dat wel van haar kon worden verwacht. Gelet op haar eigen deskundigheid had ze gespecificeerd en gemotiveerd uiteen kunnen zetten welke onderdelen van de begroting niet juist zijn en ze had een tegenbegroting kunnen opstellen. Dit heeft ze niet gedaan, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet de herstelkosten anders te begroten dan [bedrijf 2] heeft gedaan, behoudens de hiervoor genoemde onderdelen waarvan de rechtbank heeft geoordeeld dat niet gebleken is van een tekortkoming door De Eenheid. Dat betreffen de posten 34 en 102, die [bedrijf 2] heeft begroot op respectievelijk € 3.440,00 (exclusief btw) en € 660,00 (exclusief btw) en daarmee in totaal € 4.100,00 (exclusief btw), zijnde een bedrag van € 4.961,00 (inclusief btw). 4.39.
Volledig
De stelling dat alle door De Eenheid erkende herstelpunten zouden zijn hersteld in mei 2024 is evenmin voldoende. Daaruit blijkt geen acceptatie door [partijen 1 en 2] hebben in oktober 2024 een tweede onderzoek laten uitvoeren waaruit (nog steeds) gebreken bleken en dit in november 2024 met De Eenheid gedeeld. Op dat moment was er nog niet opgeleverd, zodat [partijen 1 en 2] niet te laat hebben geklaagd. 4.29. Wat betreft het rapport van [bedrijf 1] heeft De Eenheid verder in algemene zin gesteld dat het rapport eenzijdig is opgesteld en wat betreft verschillende posten ongespecificeerd is, terwijl er ook herstelpunten in staan voor werkzaamheden die niet tussen partijen zijn overeengekomen. 4.30. De rechtbank gaat aan deze verweren voorbij. De Eenheid is namelijk zowel bij het onderzoek in oktober 2023 als bij het onderzoek in oktober 2024 aanwezig geweest. Zij heeft kunnen waarnemen welke punten tijdens die onderzoeken zijn opgenomen en daar commentaar op kunnen geven. Naar aanleiding van het eerste onderzoek heeft De Eenheid ook een groot aantal punten opgelost. Het moet De Eenheid daarom duidelijk zijn geweest wat de herstelpunten volgens [bedrijf 1] waren bij beide onderzoeken. Dat de onderzoeken eenzijdig en ongespecificeerd zouden zijn opgesteld is door De Eenheid verder niet onderbouwd. 4.31. Vervolgens voert De Eenheid aan dat in de gebrekenlijst herstelpunten zijn opgenomen voor werkzaamheden die geen onderdeel uitmaken van de aannemingsovereenkomst, waartoe De Eenheid naar de volgende posten heeft verwezen. 4.32. De Eenheid heeft ten eerste verwezen naar post nummer 122 van het rapport van [bedrijf 1] inhoudende dat het dak niet onder afschot is aangebracht. Tussen partijen is niet in geschil dat in de Technische Omschrijving is vermeld dat het dak onder afschot diende te worden aangebracht. Volgens De Eenheid is tijdens het werk echter met [partijen 1 en 2] besproken dat een plat dak een betere optie zou zijn. Volgens [partijen 1 en 2] is het juist dat De Eenheid had voorgesteld om een plat dak te realiseren in plaats van een dak onder afschot, maar zij hebben weersproken dat zij met die wijziging hebben ingestemd. De rechtbank overweegt dat, gelet daarop, De Eenheid niet voldoende onderbouwd heeft gesteld dat [partijen 1 en 2] hebben ingestemd met de voorgestelde wijziging van het overeengekomen werk. Dit brengt mee dat op grond van de aannemingsovereenkomst het dak onder afschot gerealiseerd had dienen te worden. Dat is niet gebeurd, zodat De Eenheid dit deel van de overeenkomst niet correct is nagekomen. 4.33. Daarnaast heeft De Eenheid verwezen naar post 29 van het rapport van [bedrijf 1] waarin is vermeld dat in de garage nog een gietvloer moet worden aangebracht. De Eenheid heeft weersproken dat op grond van de aannemingsovereenkomst er een gietvloer diende te worden aangebracht in de garage. De rechtbank overweegt dat [partijen 1 en 2] gemotiveerd hebben gesteld dat partijen zijn overeengekomen dat er een gietvloer diende te worden gerealiseerd in de garage. [partijen 1 en 2] hebben daartoe verwezen naar de Technische Omschrijving waarin dit is vermeld. De rechtbank is van oordeel dat De Eenheid, gelet hierop, dit standpunt van [partijen 1 en 2] onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken. De stelling dat in de begroting van 18 augustus 2022 niet is vermeld dat er een gietvloer zou worden gerealiseerd in de garage, is daartoe onvoldoende. De Eenheid heeft geen standpunten ingenomen waaruit volgt dat de Technische Omschrijving, die overigens van een latere datum is dan de begroting, geen juiste weergave is van de afspraken tussen partijen, dan wel dat [partijen 1 en 2] daarvan niet redelijkerwijs mochten uitgaan. [partijen 1 en 2] mochten erop vertrouwen dat de werkzaamheden zouden worden uitgevoerd zoals die in de Technische Omschrijving zijn opgenomen. Dat houdt onder meer in dat in de garage een gietvloer zou worden aangebracht. Dat heeft De Eenheid niet gedaan, zodat ook dit deel van de overeenkomst niet is nagekomen. 4.34. De Eenheid heeft verder verweer gevoerd tegen post 34 van het rapport van [bedrijf 1], waarin als gebrek is vermeld dat de lader van de elektrische auto niet beschikt over de functie “load balancing”. De Eenheid heeft gesteld dat de lader voor de elektrische auto als zodanig werkt en heeft weersproken dat partijen, bij de meerwerkopdracht hebben afgesproken dat de lader zou beschikken over de functie “load balancing”. Gelet op de betwisting door De Eenheid, hebben [partijen 1 en 2] onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat de lader voor de elektrische auto ook diende te beschikken over de functie “load balancing”. [partijen 1 en 2] worden daarom niet gevolgd in hun stelling dat De Eenheid tekort is gekomen wat betreft het plaatsen van de lader voor de elektrische auto. 4.35. Ook heeft De Eenheid weersproken dat bij de uitvoering van de werkzaamheden de sensoren van de poort zijn beschadigd. De Eenheid weerspreekt daarmee post 102 van het rapport van [bedrijf 1]. [partijen 1 en 2] hebben hun stelling dat de sensoren van de poort zijn beschadigd bij graafwerkzaamheden door of in opdracht van De Eenheid, niet nader toegelicht of onderbouwd. Dit brengt mee dat de vordering wat betreft het herstel van de sensoren van de poort wordt afgewezen. 4.36. De Eenheid heeft ook verweer gevoerd tegen post 10, inhoudende het schilderen van de kopse kanten van de deuren. Volgens De Eenheid hoefden de kopse kanten niet geschilderd te worden. De rechtbank is van oordeel dat [partijen 1 en 2] er in beginsel vanuit mochten gaan dat, toen zij opdracht gaven tot het schilderen van de deuren, ook de kopse kanten ervan zouden worden geschilderd. De Eenheid heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel leiden. Tot slot heeft De Eenheid onvoldoende gemotiveerd weersproken dat er ook opdracht is gegeven tot het schilderen van de kozijnen (post 11 van het rapport van [bedrijf 1]). Ook volgens De Eenheid was het schilderen van het nieuwbouwgedeelte immers onderdeel van de werkzaamheden. 4.37. Voor het overige heeft De Eenheid onvoldoende concreet naar voren gebracht welke onderdelen van de begroting van de herstelkosten betrekking zouden hebben op punten die niet vallen onder de overeengekomen werkzaamheden. De algemene stelling dat het aanbrengen van thermostaten en lichtpunten en het inrichten van het buitenterrein niet onder het aangenomen werk valt, is daarvoor onvoldoende. De rechtbank passeert daarom dit verweer. 4.38. Ten slotte voert De Eenheid aan dat de begroting van [bedrijf 2] ongespecificeerd is en dat het herstel voor een lager bedrag uitgevoerd zou kunnen worden, terwijl [bedrijf 2] niet is langs geweest bij de woning om de herstelkosten te beoordelen. Hierover oordeelt de rechtbank dat [partijen 1 en 2] hebben toegelicht dat [bedrijf 2] de begroting heeft opgesteld in samenspraak met [bedrijf 1]. [bedrijf 1] heeft tweemaal een onderzoek in de woning uitgevoerd en kon dus de nodige toelichting geven. [partijen 1 en 2] hebben daarmee voldoende onderbouwd waarom [bedrijf 2] in staat was een begroting op te stellen ondanks dat [bedrijf 2] niet zelf heeft beoordeeld welke werkzaamheden dienden te worden verricht. Voorts oordeelt de rechtbank dat De Eenheid de begroting van [bedrijf 2] onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken, terwijl dat wel van haar kon worden verwacht. Gelet op haar eigen deskundigheid had ze gespecificeerd en gemotiveerd uiteen kunnen zetten welke onderdelen van de begroting niet juist zijn en ze had een tegenbegroting kunnen opstellen. Dit heeft ze niet gedaan, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet de herstelkosten anders te begroten dan [bedrijf 2] heeft gedaan, behoudens de hiervoor genoemde onderdelen waarvan de rechtbank heeft geoordeeld dat niet gebleken is van een tekortkoming door De Eenheid. Dat betreffen de posten 34 en 102, die [bedrijf 2] heeft begroot op respectievelijk € 3.440,00 (exclusief btw) en € 660,00 (exclusief btw) en daarmee in totaal € 4.100,00 (exclusief btw), zijnde een bedrag van € 4.961,00 (inclusief btw). 4.39.
Volledig
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank de herstelkosten vaststelt op € 133.772,14 (€ 138.733,14 - € 4.961,00). Warmtepompinstallatie 4.40. [partijen 1 en 2] vorderen een bedrag van € 27.831,00 aan herstelkosten voor de warmtepompinstallatie. [partijen 1 en 2] hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat de warmtepompinstallatie storingen vertoont en dat de woning onvoldoende wordt verwarmd. [partijen 1 en 2] hebben [bedrijf 3] onderzoek laten verrichten naar de oorzaak van de storingen. Uit het rapport van [bedrijf 3] volgt dat het verwarmingsvermogen van de warmtepompinstallatie te laag is om de woning van [partijen 1 en 2], mede gelet op het warmteverlies van de woning, te verwarmen. Het gaat daarbij in het bijzonder om het bestaande gedeelte van de woning. Voor het bestaande gedeelte van de woning is een groter type warmtepomp nodig, aldus [bedrijf 3]. 4.41. De Eenheid heeft gesteld dat de warmtepompinstallatie niet goed functioneert omdat de bestaande bouw niet voldoende geïsoleerd is, waardoor het warmteverlies van de bestaande bouw te hoog is. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft De Eenheid verwezen naar een gezamenlijk rapport van [bedrijf 4] (de leverancier van de warmtepompen), Encor Bodemwarmte (de leverancier van het bronsysteem), [bedrijf 5] B.V. (de installateur), 4-Elements Systeemtechniek (een specialist in warmtepompsystemen) en [bedrijf 6] B.V. (de architect/projectbegeleider) van 28 februari 2024. Uit dat rapport volgt dat, om de problemen met de warmtepompinstallatie op te lossen, de isolatie en de kierdichtheid van de bestaande bouw verbeterd dienen te worden. 4.42. De rechtbank overweegt dat uit de standpunten van partijen en uit de rapporten van de deskundigen volgt dat de huidige capaciteit van de warmtepomp voor de bestaande bouw onvoldoende is om de woning goed te verwarmen met de huidige isolatiewaarde en kierdichtheid van de bestaande bouw. De Eenheid heeft in dat kader gesteld dat zij aan de hand van een warmteverliesberekening de benodigde capaciteit had berekend. Bij die berekening is zij ervan uitgegaan dat niet alleen de nieuwe aanbouw maar ook het bestaande gedeelte een energielabel zouden hebben van minimaal A+++ en ook van een kierdichtheid van een bepaalde klasse. Voor de bestaande bouw betekende dit dat er nadere isolatiemaatregelen nodig waren en dat de kierdichtheid verbeterd diende te worden. De Eenheid heeft een offerte uitgebracht voor deze maatregelen, maar [partijen 1 en 2] hebben die offerte niet geaccepteerd. [partijen 1 en 2] hebben ten onrechte niet de nodige maatregelen getroffen, aldus De Eenheid. 4.43. [partijen 1 en 2] hebben in reactie daarop gesteld dat partijen inderdaad gesproken hebben over de isolatie van de bestaande bouw, maar daarbij heeft De Eenheid niet kenbaar gemaakt dat nadere isolatie en verbetering van de kierdichtheid nodig waren voor het adequaat functioneren van de warmtepompinstallatie. Hoewel de isolatie en de kierdichtheid verbeterd konden worden, was de huidige situatie volgens De Eenheid wel voldoende voor een goede werking van de warmtepompinstallatie, aldus [partijen 1 en 2] Daarom hebben [partijen 1 en 2] ervoor gekozen om geen nadere maatregelen te treffen te dienaangaande. 4.44. De rechtbank overweegt dat [partijen 1 en 2] opdracht hebben gegeven voor het realiseren van de warmtepompinstallatie. De Eenheid heeft vervolgens aan de hand van een warmteverliesberekening beoordeeld welke warmtepompinstallatie geschikt was voor de woning. Bij die warmteverliesberekening is De Eenheid ervan uitgegaan dat de bestaande bouw nader zou worden geïsoleerd en de kierdichtheid zou worden verbeterd. Die maatregelen waren essentieel omdat zonder die maatregelen de warmtepompinstallatie niet goed zou functioneren. De Eenheid had daarom op voldoende duidelijke wijze aan [partijen 1 en 2] kenbaar moeten maken dat de nadere isolatie van de bestaande bouw en verbetering van de kierdichtheid vereist waren voor een adequaat functionerende warmtepompinstallatie (artikel 7:754 BW). 4.45. De Eenheid heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld dat zij aan die waarschuwingsplicht heeft voldaan. De verwijzing naar een bouwverslag van 7 december 2022 - waarin is vermeld: “ Duidelijkheid moet nu komen van de warmte verlies berekening. Uitgangspunt is dat het de oud-bouw en de aanbouw een energielabel moeten hebben van minimaal A+++. Verder moet een WTW opgenomen worden als ventilatie voorziening. De kierdichtheid van het totale object met tenminste klasse 2 qv; 10 tussen 0,3 en 0,6 dmv/s.m2 (energiezuinig bouwen) Concept wordt uitgewerkt. Aanhouden. ” - is onvoldoende. Daaruit volgt niet dat het voor [partijen 1 en 2] voldoende duidelijk was dat de warmtepompinstallatie niet naar behoren zou functioneren zonder die maatregelen. Relevant is dat in dat stadium de warmteverliesberekening nog moest worden gemaakt en het concept nog moest worden uitgewerkt. Andere feiten en omstandigheden, waaruit volgt dat De Eenheid aan haar waarschuwingsplicht heeft voldaan, zijn niet gesteld door De Eenheid. 4.46. De tekortkoming van De Eenheid wat betreft de warmtepompinstallatie bestaat er dus uit dat zij niet voldoende duidelijk heeft gewaarschuwd dat de bestaande bouw nader geïsoleerd diende te worden en dat verbetering van de kierdichtheid nodig was bij de voorgestelde warmtepomp voor de bestaande bouw. Bij de beoordeling van de schade dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de huidige situatie en de situatie waarin De Eenheid die waarschuwing wel zou hebben gegeven (de hypothetische situatie). Eén mogelijkheid is dat [partijen 1 en 2] in de hypothetische situatie nadere isolatiemaatregelen zouden hebben genomen en de kierdichtheid zouden hebben verbeterd. Een andere mogelijkheid is dat er alsnog zou zijn gekozen voor een warmtepomp met een hogere capaciteit. Het rapport van [bedrijf 3], en in navolging daarvan de vordering van [partijen 1 en 2], gaan uit van het plaatsen van een warmtepomp met een hogere capaciteit. De Eenheid heeft geen stellingen ingenomen over de hypothetische situatie. De rechtbank zal daarom bij de beoordeling van de schade ervan uitgaan dat [partijen 1 en 2] zouden hebben gekozen voor een warmtepomp voor de bestaande bouw met een hogere capaciteit. 4.47. Volgens het rapport van [bedrijf 3] bedragen de kosten van herstel door het plaatsen van deze andere warmtepomp € 27.831,00. De rechtbank overweegt dat hierbij niet is beoordeeld of [partijen 1 en 2] in de hypothetische situatie hogere kosten zouden hebben gemaakt dan thans het geval is, terwijl dat wel aannemelijk is. In de hypothetische situatie zou immers een warmtepomp zijn geleverd en geplaatst met een hogere capaciteit. Uit de door De Eenheid overgelegde begroting voor het extra werk in de woning volgt dat [partijen 1 en 2] € 6.004,00 (exclusief btw) hebben betaald voor de huidige warmtepomp voor de bestaande bouw. In de hypothetische situatie zouden [partijen 1 en 2] een duurdere warmtepomp hebben gekozen met een hogere capaciteit. In de schadeopstelling in het rapport van [bedrijf 3] is vermeld dat een warmtepomp met de benodigde hogere capaciteit € 7.000,00 (exclusief btw) kost. Het verschil tussen deze bedragen van (afgerond) € 1.000,00 (exclusief btw) is geen schade. 4.48. De Eenheid heeft voorts verweer gevoerd tegen de post voor het plaatsen van twee buffervaten. De Eenheid heeft gesteld dat de buffervaten slechts nodig zijn in de situatie dat er geen nadere isolatiewerkzaamheden zouden worden verricht en de kierdichtheid niet zou worden verbeterd. De kosten voor de buffervaten zouden, indien De Eenheid aan haar waarschuwingsplicht zou hebben voldaan, volgens De Eenheid dus voor rekening van [partijen 1 en 2] zijn gekomen. [partijen 1 en 2] hebben deze stelling niet gemotiveerd weersproken. De rechtbank is daarom van oordeel dat de kosten voor het plaatsen van de twee buffervaten geen schade betreffen, nu [partijen 1 en 2] die kosten ook zouden hebben gemaakt in de hypothetische situatie. Het daarvoor begrote bedrag in de schadeopstelling van [bedrijf 3] van € 6.200,00 (€ 5.000,00 + € 1.200,00) exclusief btw is daarom evenmin schade. 4.49.
Volledig
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank de herstelkosten vaststelt op € 133.772,14 (€ 138.733,14 - € 4.961,00). Warmtepompinstallatie 4.40. [partijen 1 en 2] vorderen een bedrag van € 27.831,00 aan herstelkosten voor de warmtepompinstallatie. [partijen 1 en 2] hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat de warmtepompinstallatie storingen vertoont en dat de woning onvoldoende wordt verwarmd. [partijen 1 en 2] hebben [bedrijf 3] onderzoek laten verrichten naar de oorzaak van de storingen. Uit het rapport van [bedrijf 3] volgt dat het verwarmingsvermogen van de warmtepompinstallatie te laag is om de woning van [partijen 1 en 2], mede gelet op het warmteverlies van de woning, te verwarmen. Het gaat daarbij in het bijzonder om het bestaande gedeelte van de woning. Voor het bestaande gedeelte van de woning is een groter type warmtepomp nodig, aldus [bedrijf 3]. 4.41. De Eenheid heeft gesteld dat de warmtepompinstallatie niet goed functioneert omdat de bestaande bouw niet voldoende geïsoleerd is, waardoor het warmteverlies van de bestaande bouw te hoog is. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft De Eenheid verwezen naar een gezamenlijk rapport van [bedrijf 4] (de leverancier van de warmtepompen), Encor Bodemwarmte (de leverancier van het bronsysteem), [bedrijf 5] B.V. (de installateur), 4-Elements Systeemtechniek (een specialist in warmtepompsystemen) en [bedrijf 6] B.V. (de architect/projectbegeleider) van 28 februari 2024. Uit dat rapport volgt dat, om de problemen met de warmtepompinstallatie op te lossen, de isolatie en de kierdichtheid van de bestaande bouw verbeterd dienen te worden. 4.42. De rechtbank overweegt dat uit de standpunten van partijen en uit de rapporten van de deskundigen volgt dat de huidige capaciteit van de warmtepomp voor de bestaande bouw onvoldoende is om de woning goed te verwarmen met de huidige isolatiewaarde en kierdichtheid van de bestaande bouw. De Eenheid heeft in dat kader gesteld dat zij aan de hand van een warmteverliesberekening de benodigde capaciteit had berekend. Bij die berekening is zij ervan uitgegaan dat niet alleen de nieuwe aanbouw maar ook het bestaande gedeelte een energielabel zouden hebben van minimaal A+++ en ook van een kierdichtheid van een bepaalde klasse. Voor de bestaande bouw betekende dit dat er nadere isolatiemaatregelen nodig waren en dat de kierdichtheid verbeterd diende te worden. De Eenheid heeft een offerte uitgebracht voor deze maatregelen, maar [partijen 1 en 2] hebben die offerte niet geaccepteerd. [partijen 1 en 2] hebben ten onrechte niet de nodige maatregelen getroffen, aldus De Eenheid. 4.43. [partijen 1 en 2] hebben in reactie daarop gesteld dat partijen inderdaad gesproken hebben over de isolatie van de bestaande bouw, maar daarbij heeft De Eenheid niet kenbaar gemaakt dat nadere isolatie en verbetering van de kierdichtheid nodig waren voor het adequaat functioneren van de warmtepompinstallatie. Hoewel de isolatie en de kierdichtheid verbeterd konden worden, was de huidige situatie volgens De Eenheid wel voldoende voor een goede werking van de warmtepompinstallatie, aldus [partijen 1 en 2] Daarom hebben [partijen 1 en 2] ervoor gekozen om geen nadere maatregelen te treffen te dienaangaande. 4.44. De rechtbank overweegt dat [partijen 1 en 2] opdracht hebben gegeven voor het realiseren van de warmtepompinstallatie. De Eenheid heeft vervolgens aan de hand van een warmteverliesberekening beoordeeld welke warmtepompinstallatie geschikt was voor de woning. Bij die warmteverliesberekening is De Eenheid ervan uitgegaan dat de bestaande bouw nader zou worden geïsoleerd en de kierdichtheid zou worden verbeterd. Die maatregelen waren essentieel omdat zonder die maatregelen de warmtepompinstallatie niet goed zou functioneren. De Eenheid had daarom op voldoende duidelijke wijze aan [partijen 1 en 2] kenbaar moeten maken dat de nadere isolatie van de bestaande bouw en verbetering van de kierdichtheid vereist waren voor een adequaat functionerende warmtepompinstallatie (artikel 7:754 BW). 4.45. De Eenheid heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld dat zij aan die waarschuwingsplicht heeft voldaan. De verwijzing naar een bouwverslag van 7 december 2022 - waarin is vermeld: “ Duidelijkheid moet nu komen van de warmte verlies berekening. Uitgangspunt is dat het de oud-bouw en de aanbouw een energielabel moeten hebben van minimaal A+++. Verder moet een WTW opgenomen worden als ventilatie voorziening. De kierdichtheid van het totale object met tenminste klasse 2 qv; 10 tussen 0,3 en 0,6 dmv/s.m2 (energiezuinig bouwen) Concept wordt uitgewerkt. Aanhouden. ” - is onvoldoende. Daaruit volgt niet dat het voor [partijen 1 en 2] voldoende duidelijk was dat de warmtepompinstallatie niet naar behoren zou functioneren zonder die maatregelen. Relevant is dat in dat stadium de warmteverliesberekening nog moest worden gemaakt en het concept nog moest worden uitgewerkt. Andere feiten en omstandigheden, waaruit volgt dat De Eenheid aan haar waarschuwingsplicht heeft voldaan, zijn niet gesteld door De Eenheid. 4.46. De tekortkoming van De Eenheid wat betreft de warmtepompinstallatie bestaat er dus uit dat zij niet voldoende duidelijk heeft gewaarschuwd dat de bestaande bouw nader geïsoleerd diende te worden en dat verbetering van de kierdichtheid nodig was bij de voorgestelde warmtepomp voor de bestaande bouw. Bij de beoordeling van de schade dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de huidige situatie en de situatie waarin De Eenheid die waarschuwing wel zou hebben gegeven (de hypothetische situatie). Eén mogelijkheid is dat [partijen 1 en 2] in de hypothetische situatie nadere isolatiemaatregelen zouden hebben genomen en de kierdichtheid zouden hebben verbeterd. Een andere mogelijkheid is dat er alsnog zou zijn gekozen voor een warmtepomp met een hogere capaciteit. Het rapport van [bedrijf 3], en in navolging daarvan de vordering van [partijen 1 en 2], gaan uit van het plaatsen van een warmtepomp met een hogere capaciteit. De Eenheid heeft geen stellingen ingenomen over de hypothetische situatie. De rechtbank zal daarom bij de beoordeling van de schade ervan uitgaan dat [partijen 1 en 2] zouden hebben gekozen voor een warmtepomp voor de bestaande bouw met een hogere capaciteit. 4.47. Volgens het rapport van [bedrijf 3] bedragen de kosten van herstel door het plaatsen van deze andere warmtepomp € 27.831,00. De rechtbank overweegt dat hierbij niet is beoordeeld of [partijen 1 en 2] in de hypothetische situatie hogere kosten zouden hebben gemaakt dan thans het geval is, terwijl dat wel aannemelijk is. In de hypothetische situatie zou immers een warmtepomp zijn geleverd en geplaatst met een hogere capaciteit. Uit de door De Eenheid overgelegde begroting voor het extra werk in de woning volgt dat [partijen 1 en 2] € 6.004,00 (exclusief btw) hebben betaald voor de huidige warmtepomp voor de bestaande bouw. In de hypothetische situatie zouden [partijen 1 en 2] een duurdere warmtepomp hebben gekozen met een hogere capaciteit. In de schadeopstelling in het rapport van [bedrijf 3] is vermeld dat een warmtepomp met de benodigde hogere capaciteit € 7.000,00 (exclusief btw) kost. Het verschil tussen deze bedragen van (afgerond) € 1.000,00 (exclusief btw) is geen schade. 4.48. De Eenheid heeft voorts verweer gevoerd tegen de post voor het plaatsen van twee buffervaten. De Eenheid heeft gesteld dat de buffervaten slechts nodig zijn in de situatie dat er geen nadere isolatiewerkzaamheden zouden worden verricht en de kierdichtheid niet zou worden verbeterd. De kosten voor de buffervaten zouden, indien De Eenheid aan haar waarschuwingsplicht zou hebben voldaan, volgens De Eenheid dus voor rekening van [partijen 1 en 2] zijn gekomen. [partijen 1 en 2] hebben deze stelling niet gemotiveerd weersproken. De rechtbank is daarom van oordeel dat de kosten voor het plaatsen van de twee buffervaten geen schade betreffen, nu [partijen 1 en 2] die kosten ook zouden hebben gemaakt in de hypothetische situatie. Het daarvoor begrote bedrag in de schadeopstelling van [bedrijf 3] van € 6.200,00 (€ 5.000,00 + € 1.200,00) exclusief btw is daarom evenmin schade. 4.49.
Volledig
Voor het overige heeft De Eenheid de door [bedrijf 3] begrote kosten voor het vervangen van de warmtepomp niet gemotiveerd bestreden. De conclusie is daarom dat het bedrag van € 15.801,00 (€ 23.001,00 - € 1.000,00 - € 5.000,00 - € 1.200,00) exclusief btw, zijnde een bedrag van € 19.119,21 (inclusief btw) wordt toegewezen. Extra energiekosten 4.50. [partijen 1 en 2] vorderen voorts extra gemaakte energiekosten omdat het warmtesysteem tekort is geschoten en zij de woning met elektrische kachels hebben moeten verwarmen. Ter onderbouwing van het gevorderde bedrag heeft zij de energiefacturen over de perioden mei 2023 tot en met mei 2024 en mei 2024 tot en met mei 2025 overgelegd. Van de stroomkosten van die twee jaarnota’s heeft [partij 1] 40% (in totaal € 3.935,49) opgevoerd als zijnde extra kosten die zij heeft moeten maken om de woning te verwarmen. 4.51. De Eenheid voert aan dat er geen sprake is van een gebrek aan de warmtepompen en dat er geen causaal verband bestaat tussen het vermeende gebrek en de extra stroomkosten. Dit verweer treft, zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, geen doel. De woning is bewoond geweest en zal ook verwarmd moeten zijn geweest, waarmee het causale verband met de extra stroomkosten is gegeven. De schatting van [partijen 1 en 2] van de extra energiekosten komt de rechtbank niet onredelijk voor. De Eenheid heeft ook niet aangegeven wat volgens haar dan wel een redelijk ‘extra’ deel zou zijn. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van € 3.935,49 dan ook toe. Compensatie gederfd woongenot 4.52. De Eenheid is er volgens [partijen 1 en 2] niet in geslaagd de werkzaamheden tijdig op te leveren, waardoor zij 22 maanden in een woning hebben moeten wonen die niet afgerond is. Ter compensatie van dit gederfde woongenot vorderen zij € 22.000,00. 4.53. De rechtbank begrijpt het ongemak dat [partijen 1 en 2] inmiddels langere tijd in de woning wonen, terwijl er nog gebreken zijn aan de woning. Dit ongemak rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet een vergoeding van € 1.000,00 per maand en dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen. Staartkosten 4.54. Ten slotte vorderen [partijen 1 en 2] een bedrag van € 4.353,12 vanwege een onjuiste berekening van de zogenaamde staartkosten van het meerwerk. In de aanneemsom is 16% aangehouden, terwijl bij het meerwerk is uitgegaan van 21%. De Eenheid weerspreekt deze vordering en voert daartoe aan dat in de aanneemsom kortingen zijn verwerkt en daarom is gerekend met 16% staartkosten. Dit gold niet voor het meerwerk, waarbij het gebruikelijke 21% is toegepast. 4.55. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [partijen 1 en 2] niet duidelijk gemaakt dat bij het meerwerk is overeengekomen dat 16% staartkosten berekend zou worden of dat zij er op mocht vertrouwen dat dit het geval zou zijn. Dit deel van de vordering wordt afgewezen. De toe te wijzen bedragen 4.56. De conclusie uit hetgeen hiervoor is overwogen is dat [partijen 1 en 2] in totaal een vordering hebben van € 156.826,84 (€ 133.772,14 + € 19.119,21 + € 3.935,49). Op dit bedrag komt, als gevolg van het verrekeningsberoep van [partijen 1 en 2], in mindering het bedrag van € 59.740,27 zoals dat volgt uit het oordeel in conventie. Per saldo wordt aan [partijen 1 en 2] in reconventie toegewezen € 97.086,57 . 4.57. Hiernaast vorderen [partijen 1 en 2] de kosten die zij hebben gemaakt voor de onderzoeken van [bedrijf 1] en [bedrijf 3]. De rechtbank heeft de bevindingen van deze onderzoeken gebruikt bij de vaststelling van de schade en aansprakelijkheid en de omvang van de kosten acht zij in de gegeven omstandigheden redelijk. Op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW worden deze kosten van € 9.272,35 toegewezen. 4.58. Ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten overweegt de rechtbank dat [partijen 1 en 2] voldoende hebben gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Op basis van de toegewezen hoofdsom van € 97.086,57 en het Besluit, wordt een bedrag van € 2.112,50 aan buitengerechtelijke incassokosten toegewezen. 4.59. [partijen 1 en 2] hebben de wettelijke rente over de hoofdsom gevorderd vanaf 23 juli 2023. Dat betrof volgens [partijen 1 en 2] de dag waarop volgens de aannemingsovereenkomst het werk had dienen te worden opgeleverd. De grondslag van de vordering is, zo heeft [partijen 1 en 2] op de mondelinge behandeling toegelicht, evenwel vervangende schadevergoeding. De rechtbank begrijpt dat de omzettingsverklaring gelegen ligt in de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie, waarmee aanspraak wordt gemaakt op de schadevergoeding. Door de omzetting is er een verbintenis ontstaan tot betaling van vervangende schadevergoeding en de wettelijke rente is meteen gaan lopen vanaf dat moment. De wettelijke rente over de hoofdsom wordt daarom toegewezen vanaf de datum van de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, zijnde 17 september 2025. De wettelijke rente over de expertisekosten en de buitengerechtelijke incassokosten zal, zoals gevorderd en niet weersproken, eveneens worden toegewezen vanaf 17 september 2025. De proceskosten in conventie en reconventie 4.60. De Eenheid is de in het ongelijk gestelde partij in conventie en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partijen 1 en 2] in conventie worden begroot op: - griffierecht € 2.723,00 - salaris advocaat € 2.580,00 (2 punten × tarief IV van € 1.290,00) Totaal € 5.303,00 4.61. De Eenheid is eveneens de in het ongelijk gestelde partij in reconventie en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partijen 1 en 2] in reconventie worden, gelet op de samenhang tussen de conventie en de reconventie, begroot op: - salaris advocaat € 2.051,00 (2 punten × ½ × tarief V van € 2.051,00) Totaal € 2.051,00 4.62. De nakosten in conventie en in reconventie bedragen € 296,00, te vermeerderen met € 98,00 als De Eenheid niet tijdig aan de veroordelingen in conventie en reconventie voldoet en het vonnis daarna wordt betekend. 4.63. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De rechtbank: in conventie 5.1. wijst de vordering af; 5.2. veroordeelt De Eenheid in de proceskosten van € 5.303,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; 5.3. veroordeelt De Eenheid tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald; 5.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad wat betreft de veroordelingen onder 5.2 en 5.3; in reconventie 5.5. veroordeelt De Eenheid aan [partijen 1 en 2] te betalen een bedrag van € 97.086,57 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 17 september 2025 tot de dag van algehele voldoening; 5.6. veroordeelt De Eenheid aan [partijen 1 en 2] te betalen een bedrag van € 9.272,35 aan expertisekosten te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 17 september 2025 tot de dag van algehele voldoening; 5.7. veroordeelt De Eenheid aan [partijen 1 en 2] te betalen een bedrag van € 2.112,50 aan buitengerechtelijke incassokosten te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 17 september 2025 tot de dag van algehele voldoening; 5.8. veroordeelt De Eenheid in de proceskosten van € 2.051,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; 5.9. veroordeelt De Eenheid tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald; 5.10. verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.11. wijst het meer of anders gevorderde af; in conventie en in reconventie 5.12. veroordeelt De Eenheid tot betaling aan [partijen 1 en 2] van de nakosten van € 296,00, te vermeerderen met € 98,00 als De Eenheid niet tijdig aan de veroordelingen in conventie en reconventie voldoet en het vonnis daarna wordt betekend; 5.13.
Volledig
Voor het overige heeft De Eenheid de door [bedrijf 3] begrote kosten voor het vervangen van de warmtepomp niet gemotiveerd bestreden. De conclusie is daarom dat het bedrag van € 15.801,00 (€ 23.001,00 - € 1.000,00 - € 5.000,00 - € 1.200,00) exclusief btw, zijnde een bedrag van € 19.119,21 (inclusief btw) wordt toegewezen. Extra energiekosten 4.50. [partijen 1 en 2] vorderen voorts extra gemaakte energiekosten omdat het warmtesysteem tekort is geschoten en zij de woning met elektrische kachels hebben moeten verwarmen. Ter onderbouwing van het gevorderde bedrag heeft zij de energiefacturen over de perioden mei 2023 tot en met mei 2024 en mei 2024 tot en met mei 2025 overgelegd. Van de stroomkosten van die twee jaarnota’s heeft [partij 1] 40% (in totaal € 3.935,49) opgevoerd als zijnde extra kosten die zij heeft moeten maken om de woning te verwarmen. 4.51. De Eenheid voert aan dat er geen sprake is van een gebrek aan de warmtepompen en dat er geen causaal verband bestaat tussen het vermeende gebrek en de extra stroomkosten. Dit verweer treft, zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, geen doel. De woning is bewoond geweest en zal ook verwarmd moeten zijn geweest, waarmee het causale verband met de extra stroomkosten is gegeven. De schatting van [partijen 1 en 2] van de extra energiekosten komt de rechtbank niet onredelijk voor. De Eenheid heeft ook niet aangegeven wat volgens haar dan wel een redelijk ‘extra’ deel zou zijn. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van € 3.935,49 dan ook toe. Compensatie gederfd woongenot 4.52. De Eenheid is er volgens [partijen 1 en 2] niet in geslaagd de werkzaamheden tijdig op te leveren, waardoor zij 22 maanden in een woning hebben moeten wonen die niet afgerond is. Ter compensatie van dit gederfde woongenot vorderen zij € 22.000,00. 4.53. De rechtbank begrijpt het ongemak dat [partijen 1 en 2] inmiddels langere tijd in de woning wonen, terwijl er nog gebreken zijn aan de woning. Dit ongemak rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet een vergoeding van € 1.000,00 per maand en dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen. Staartkosten 4.54. Ten slotte vorderen [partijen 1 en 2] een bedrag van € 4.353,12 vanwege een onjuiste berekening van de zogenaamde staartkosten van het meerwerk. In de aanneemsom is 16% aangehouden, terwijl bij het meerwerk is uitgegaan van 21%. De Eenheid weerspreekt deze vordering en voert daartoe aan dat in de aanneemsom kortingen zijn verwerkt en daarom is gerekend met 16% staartkosten. Dit gold niet voor het meerwerk, waarbij het gebruikelijke 21% is toegepast. 4.55. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [partijen 1 en 2] niet duidelijk gemaakt dat bij het meerwerk is overeengekomen dat 16% staartkosten berekend zou worden of dat zij er op mocht vertrouwen dat dit het geval zou zijn. Dit deel van de vordering wordt afgewezen. De toe te wijzen bedragen 4.56. De conclusie uit hetgeen hiervoor is overwogen is dat [partijen 1 en 2] in totaal een vordering hebben van € 156.826,84 (€ 133.772,14 + € 19.119,21 + € 3.935,49). Op dit bedrag komt, als gevolg van het verrekeningsberoep van [partijen 1 en 2], in mindering het bedrag van € 59.740,27 zoals dat volgt uit het oordeel in conventie. Per saldo wordt aan [partijen 1 en 2] in reconventie toegewezen € 97.086,57 . 4.57. Hiernaast vorderen [partijen 1 en 2] de kosten die zij hebben gemaakt voor de onderzoeken van [bedrijf 1] en [bedrijf 3]. De rechtbank heeft de bevindingen van deze onderzoeken gebruikt bij de vaststelling van de schade en aansprakelijkheid en de omvang van de kosten acht zij in de gegeven omstandigheden redelijk. Op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW worden deze kosten van € 9.272,35 toegewezen. 4.58. Ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten overweegt de rechtbank dat [partijen 1 en 2] voldoende hebben gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Op basis van de toegewezen hoofdsom van € 97.086,57 en het Besluit, wordt een bedrag van € 2.112,50 aan buitengerechtelijke incassokosten toegewezen. 4.59. [partijen 1 en 2] hebben de wettelijke rente over de hoofdsom gevorderd vanaf 23 juli 2023. Dat betrof volgens [partijen 1 en 2] de dag waarop volgens de aannemingsovereenkomst het werk had dienen te worden opgeleverd. De grondslag van de vordering is, zo heeft [partijen 1 en 2] op de mondelinge behandeling toegelicht, evenwel vervangende schadevergoeding. De rechtbank begrijpt dat de omzettingsverklaring gelegen ligt in de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie, waarmee aanspraak wordt gemaakt op de schadevergoeding. Door de omzetting is er een verbintenis ontstaan tot betaling van vervangende schadevergoeding en de wettelijke rente is meteen gaan lopen vanaf dat moment. De wettelijke rente over de hoofdsom wordt daarom toegewezen vanaf de datum van de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, zijnde 17 september 2025. De wettelijke rente over de expertisekosten en de buitengerechtelijke incassokosten zal, zoals gevorderd en niet weersproken, eveneens worden toegewezen vanaf 17 september 2025. De proceskosten in conventie en reconventie 4.60. De Eenheid is de in het ongelijk gestelde partij in conventie en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partijen 1 en 2] in conventie worden begroot op: - griffierecht € 2.723,00 - salaris advocaat € 2.580,00 (2 punten × tarief IV van € 1.290,00) Totaal € 5.303,00 4.61. De Eenheid is eveneens de in het ongelijk gestelde partij in reconventie en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partijen 1 en 2] in reconventie worden, gelet op de samenhang tussen de conventie en de reconventie, begroot op: - salaris advocaat € 2.051,00 (2 punten × ½ × tarief V van € 2.051,00) Totaal € 2.051,00 4.62. De nakosten in conventie en in reconventie bedragen € 296,00, te vermeerderen met € 98,00 als De Eenheid niet tijdig aan de veroordelingen in conventie en reconventie voldoet en het vonnis daarna wordt betekend. 4.63. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De rechtbank: in conventie 5.1. wijst de vordering af; 5.2. veroordeelt De Eenheid in de proceskosten van € 5.303,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; 5.3. veroordeelt De Eenheid tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald; 5.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad wat betreft de veroordelingen onder 5.2 en 5.3; in reconventie 5.5. veroordeelt De Eenheid aan [partijen 1 en 2] te betalen een bedrag van € 97.086,57 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 17 september 2025 tot de dag van algehele voldoening; 5.6. veroordeelt De Eenheid aan [partijen 1 en 2] te betalen een bedrag van € 9.272,35 aan expertisekosten te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 17 september 2025 tot de dag van algehele voldoening; 5.7. veroordeelt De Eenheid aan [partijen 1 en 2] te betalen een bedrag van € 2.112,50 aan buitengerechtelijke incassokosten te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 17 september 2025 tot de dag van algehele voldoening; 5.8. veroordeelt De Eenheid in de proceskosten van € 2.051,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; 5.9. veroordeelt De Eenheid tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald; 5.10. verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.11. wijst het meer of anders gevorderde af; in conventie en in reconventie 5.12. veroordeelt De Eenheid tot betaling aan [partijen 1 en 2] van de nakosten van € 296,00, te vermeerderen met € 98,00 als De Eenheid niet tijdig aan de veroordelingen in conventie en reconventie voldoet en het vonnis daarna wordt betekend; 5.13.