Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-15
ECLI:NL:RBDHA:2026:9384
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
18,548 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9384 text/xml public 2026-05-20T15:24:31 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-15 C/09/670590 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl ERF-Updates.nl 2026-0246 VEAN-ERF-Updates.nl 2026-0246 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9384 text/html public 2026-04-24T12:18:47 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9384 Rechtbank Den Haag , 15-04-2026 / C/09/670590 erfrecht - tussenvonnis - verdeling nalatenschap - niet terugkomen op bindende eindbeslissing - waardering onroerend goed RECHTBANK Den Haag Team handel Zaaknummer: C/09/670590 / HA ZA 24-656 Vonnis van 15 april 2026 in de zaak van [partij A] te [woonplaats 1] , eiseres in conventie in en verweerster in reconventie, advocaat: mr. M.C.G. Stut, tegen 1 [partij B sub 1] te [woonplaats 2] , gedaagde in conventie en eiser in reconventie, advocaat: mr. J.W. Spanjer, 2 [partij B sub 2] te [woonplaats 3] , in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van [partij C] te [woonplaats 3] , gedaagde in conventie en eiser in reconventie, advocaat: mr. J.W. Spanjer. Eiseres in conventie wordt hierna ‘ [partij A] ’ genoemd. Gedaagde sub 1 zal ‘ [partij B sub 1] ’ worden genoemd en gedaagde sub 2 zal worden aangeduid als ‘de bewindvoerder’ (zoon van [partij C] ). [partij C] wordt hierna ‘ [partij C] ’ genoemd. 1 Inleiding: waar gaat deze zaak over? 1.1. [partij B sub 1] , [partij A] en [partij C] zijn broer en zussen van elkaar. Zij twisten over de afwikkeling van de nalatenschap van hun ouders die allebei in 2016 zijn overleden. 2 De verdere procedure 2.1. Bij tussenvonnis van 19 februari 2025 (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank beslist dat de woning in [land] aan [partij A] zal worden toebedeeld en is bepaald op welke wijze de waardebepaling van die woning dient te geschieden. Voor het overige is de zaak op verzoek van partijen aangehouden om hen in de gelegenheid te stellen om, met inachtneming van het oordeel van de rechtbank over de woning in [land] , tot evenwichtige afspraken te komen die leiden tot een totaalregeling over de afwikkeling van de nalatenschappen. Partijen hebben geen overeenstemming bereikt. 2.2. Vervolgens zijn de volgende stukken aan het procesdossier toegevoegd: de akte uitlaten van de zijde van [partij A] ; de akte uitlaten van de zijde van [partij B sub 1] ; de nadere akte tevens houdende overlegging producties 51 tot en met 59, tevens houdende wijziging van eis in conventie, van de zijde van [partij A] ; de originele exploten waarbij de wijziging van eis in conventie is betekend aan [partij C] en aan de bewindvoerder; het b-formulier van 26 september 2025 waarbij mr. Spanjer zich stelt voor [partij C] ; de verklaring van de bewindvoerder waarin hij verklaart dat hij als formele procespartij verschijnt in deze procedure; de nadere akte overlegging producties 17 tot en met 22, tevens wijziging van eis in reconventie, van de zijde van [partij B sub 1] ; de incidentele conclusie tot onbevoegdheid tevens conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van de bewindvoerder; de antwoordakte eiswijziging in reconventie van de zijde van [partij A] ; de conclusie van antwoord in incident tot onbevoegdheid van de zijde van [partij A] ; de akte overlegging producties 23 tot en met 31 van de zijde van [partij B sub 1] ; de akte overlegging producties 5 tot en met 16 van de zijde van de bewindvoerder; de akte overlegging producties 60 tot en met 69 van de zijde van [partij A] ; de akte overlegging productie 70 van de zijde van [partij A] ; de conclusie van antwoord in reconventie van de zijde van [partij A] ; de akte overlegging producties 32 en 33 van de zijde van [partij B sub 1] ; en de akte overlegging productie 71 van de zijde van [partij A] . 2.3. De mondelinge behandeling is voortgezet op 6 maart 2026. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft van de mondelinge behandeling aantekeningen gemaakt. 2.4. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank na bezwaar van de zijde van [partij A] beslist dat productie 31 geen deel zal uitmaken van het procesdossier. 2.5. De bewindvoerder heeft tijdens de mondelinge behandeling de incidentele vordering ingetrokken. Hierop behoeft daarom niet meer te worden beslist. Verder hebben partijen overeenstemming bereikt over de taxatie van het vakantiehuis in [plaats 1] en de verdeling van de roerende zaken. De door hen gemaakte afspraken zijn vastgelegd in een proces-verbaal. Partijen hebben vonnis gevraagd voor wat betreft de overige punten waarover zij geen overeenstemming hebben bereikt. 2.6. Nadien heeft de rechtbank nog ontvangen: twee e-mailberichten van 8 april 2026 van de zijde van [partij B sub 1] ; één e-mailbericht van 9 april 2026 van de zijde van de bewindvoerder; en één e-mailbericht van 10 april 2026 van de zijde van [partij A] . 3 De nadere feiten 3.1. Bij beschikking van deze rechtbank van 25 april 2025 zijn de goederen die (zullen) toebehoren aan [partij C] onder bewind gesteld wegens haar lichamelijke of geestelijke toestand en is haar zoon tot bewindvoerder benoemd. 4 Het geschil 4.1. Na het tussenvonnis hebben [partij A] en [partij B sub 1] in de hoofdzaak een wijziging van eis ingediend. Bovendien is ook de bewindvoerder namens [partij C] in de procedure verschenen. Hij heeft verweer gevoerd en een eis in reconventie ingesteld. 4.2. [partij A] vordert na wijziging van eis bij vonnis – kort samengevat – en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad; de verdeling van de nalatenschap van erflaatster vast te stellen op de door haar voorgestelde wijze; [partij C] te veroordelen tot betaling van een vergoeding voor het gebruik van het vakantiehuis in [plaats 1] ; [partij B sub 1] en [partij C] te veroordelen tot medewerking aan de door de rechtbank vastgestelde verdeling; en [partij B sub 1] en [partij C] te veroordelen in de proceskosten. 4.3. [partij B sub 1] heeft verweer gevoerd en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [partij A] . Tevens vordert hij op zijn beurt (in reconventie) na wijziging van eis bij vonnis – kort samengevat – uitvoerbaar bij voorraad: de verdeling van de nalatenschap van erflaatster vast te stellen op de door hem voorgestelde wijze; en [partij A] en [partij C] te veroordelen in de proceskosten. 4.4. De bewindvoerder heeft verweer gevoerd en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [partij A] . Voor zover de woning in [land] aan [partij A] wordt toebedeeld, vordert hij deze beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en hierbij te bepalen dat [partij A] bewijs moet leveren van de onvoorwaardelijke opzegging van de huur van haar huidige woning, vóórdat [partij C] en [partij B sub 1] hun medewerking moeten verlenen aan toedeling van de woning aan [land] aan [partij A] . 4.5. Tevens vordert de bewindvoerder in reconventie bij vonnis – kort samengevat – uitvoerbaar bij voorraad: de verdeling van de nalatenschap van erflaatster vast te stellen op de door hem gewenste wijze, waarbij voor recht wordt verklaard dat de tuin bij het huis in [land] tot de gemeenschap/nalatenschap behoort; en [partij A] en [partij B sub 1] te veroordelen in de proceskosten. 4.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5 De beoordeling 5.1. Gelet op de samenhang en voor de overzichtelijkheid zal de rechtbank hierna de vorderingen in conventie en in reconventie zoveel mogelijk gezamenlijk en per geschilpunt beoordelen. De samenstelling van de nalatenschap 5.2. Partijen hebben inmiddels overeenstemming bereikt over de wijze van verdeling van de roerende zaken. Zij zijn het erover eens dat de nalatenschap verder nog bestaat uit de volgende vermogensbestanddelen: een woning in [plaats 2] ( [land] ) (hierna: de woning in [land] ); een recreatiewoning in [plaats 1] (hierna: het vakantiehuis); de ervenrekening (waarop partijen hebben bijgestort om de lasten van de woningen te kunnen betalen). 5.3.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9384 text/xml public 2026-05-20T15:24:31 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-15 C/09/670590 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl ERF-Updates.nl 2026-0246 VEAN-ERF-Updates.nl 2026-0246 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9384 text/html public 2026-04-24T12:18:47 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9384 Rechtbank Den Haag , 15-04-2026 / C/09/670590 erfrecht - tussenvonnis - verdeling nalatenschap - niet terugkomen op bindende eindbeslissing - waardering onroerend goed RECHTBANK Den Haag Team handel Zaaknummer: C/09/670590 / HA ZA 24-656 Vonnis van 15 april 2026 in de zaak van [partij A] te [woonplaats 1] , eiseres in conventie in en verweerster in reconventie, advocaat: mr. M.C.G. Stut, tegen 1 [partij B sub 1] te [woonplaats 2] , gedaagde in conventie en eiser in reconventie, advocaat: mr. J.W. Spanjer, 2 [partij B sub 2] te [woonplaats 3] , in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van [partij C] te [woonplaats 3] , gedaagde in conventie en eiser in reconventie, advocaat: mr. J.W. Spanjer. Eiseres in conventie wordt hierna ‘ [partij A] ’ genoemd. Gedaagde sub 1 zal ‘ [partij B sub 1] ’ worden genoemd en gedaagde sub 2 zal worden aangeduid als ‘de bewindvoerder’ (zoon van [partij C] ). [partij C] wordt hierna ‘ [partij C] ’ genoemd. 1 Inleiding: waar gaat deze zaak over? 1.1. [partij B sub 1] , [partij A] en [partij C] zijn broer en zussen van elkaar. Zij twisten over de afwikkeling van de nalatenschap van hun ouders die allebei in 2016 zijn overleden. 2 De verdere procedure 2.1. Bij tussenvonnis van 19 februari 2025 (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank beslist dat de woning in [land] aan [partij A] zal worden toebedeeld en is bepaald op welke wijze de waardebepaling van die woning dient te geschieden. Voor het overige is de zaak op verzoek van partijen aangehouden om hen in de gelegenheid te stellen om, met inachtneming van het oordeel van de rechtbank over de woning in [land] , tot evenwichtige afspraken te komen die leiden tot een totaalregeling over de afwikkeling van de nalatenschappen. Partijen hebben geen overeenstemming bereikt. 2.2. Vervolgens zijn de volgende stukken aan het procesdossier toegevoegd: de akte uitlaten van de zijde van [partij A] ; de akte uitlaten van de zijde van [partij B sub 1] ; de nadere akte tevens houdende overlegging producties 51 tot en met 59, tevens houdende wijziging van eis in conventie, van de zijde van [partij A] ; de originele exploten waarbij de wijziging van eis in conventie is betekend aan [partij C] en aan de bewindvoerder; het b-formulier van 26 september 2025 waarbij mr. Spanjer zich stelt voor [partij C] ; de verklaring van de bewindvoerder waarin hij verklaart dat hij als formele procespartij verschijnt in deze procedure; de nadere akte overlegging producties 17 tot en met 22, tevens wijziging van eis in reconventie, van de zijde van [partij B sub 1] ; de incidentele conclusie tot onbevoegdheid tevens conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van de bewindvoerder; de antwoordakte eiswijziging in reconventie van de zijde van [partij A] ; de conclusie van antwoord in incident tot onbevoegdheid van de zijde van [partij A] ; de akte overlegging producties 23 tot en met 31 van de zijde van [partij B sub 1] ; de akte overlegging producties 5 tot en met 16 van de zijde van de bewindvoerder; de akte overlegging producties 60 tot en met 69 van de zijde van [partij A] ; de akte overlegging productie 70 van de zijde van [partij A] ; de conclusie van antwoord in reconventie van de zijde van [partij A] ; de akte overlegging producties 32 en 33 van de zijde van [partij B sub 1] ; en de akte overlegging productie 71 van de zijde van [partij A] . 2.3. De mondelinge behandeling is voortgezet op 6 maart 2026. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft van de mondelinge behandeling aantekeningen gemaakt. 2.4. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank na bezwaar van de zijde van [partij A] beslist dat productie 31 geen deel zal uitmaken van het procesdossier. 2.5. De bewindvoerder heeft tijdens de mondelinge behandeling de incidentele vordering ingetrokken. Hierop behoeft daarom niet meer te worden beslist. Verder hebben partijen overeenstemming bereikt over de taxatie van het vakantiehuis in [plaats 1] en de verdeling van de roerende zaken. De door hen gemaakte afspraken zijn vastgelegd in een proces-verbaal. Partijen hebben vonnis gevraagd voor wat betreft de overige punten waarover zij geen overeenstemming hebben bereikt. 2.6. Nadien heeft de rechtbank nog ontvangen: twee e-mailberichten van 8 april 2026 van de zijde van [partij B sub 1] ; één e-mailbericht van 9 april 2026 van de zijde van de bewindvoerder; en één e-mailbericht van 10 april 2026 van de zijde van [partij A] . 3 De nadere feiten 3.1. Bij beschikking van deze rechtbank van 25 april 2025 zijn de goederen die (zullen) toebehoren aan [partij C] onder bewind gesteld wegens haar lichamelijke of geestelijke toestand en is haar zoon tot bewindvoerder benoemd. 4 Het geschil 4.1. Na het tussenvonnis hebben [partij A] en [partij B sub 1] in de hoofdzaak een wijziging van eis ingediend. Bovendien is ook de bewindvoerder namens [partij C] in de procedure verschenen. Hij heeft verweer gevoerd en een eis in reconventie ingesteld. 4.2. [partij A] vordert na wijziging van eis bij vonnis – kort samengevat – en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad; de verdeling van de nalatenschap van erflaatster vast te stellen op de door haar voorgestelde wijze; [partij C] te veroordelen tot betaling van een vergoeding voor het gebruik van het vakantiehuis in [plaats 1] ; [partij B sub 1] en [partij C] te veroordelen tot medewerking aan de door de rechtbank vastgestelde verdeling; en [partij B sub 1] en [partij C] te veroordelen in de proceskosten. 4.3. [partij B sub 1] heeft verweer gevoerd en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [partij A] . Tevens vordert hij op zijn beurt (in reconventie) na wijziging van eis bij vonnis – kort samengevat – uitvoerbaar bij voorraad: de verdeling van de nalatenschap van erflaatster vast te stellen op de door hem voorgestelde wijze; en [partij A] en [partij C] te veroordelen in de proceskosten. 4.4. De bewindvoerder heeft verweer gevoerd en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [partij A] . Voor zover de woning in [land] aan [partij A] wordt toebedeeld, vordert hij deze beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en hierbij te bepalen dat [partij A] bewijs moet leveren van de onvoorwaardelijke opzegging van de huur van haar huidige woning, vóórdat [partij C] en [partij B sub 1] hun medewerking moeten verlenen aan toedeling van de woning aan [land] aan [partij A] . 4.5. Tevens vordert de bewindvoerder in reconventie bij vonnis – kort samengevat – uitvoerbaar bij voorraad: de verdeling van de nalatenschap van erflaatster vast te stellen op de door hem gewenste wijze, waarbij voor recht wordt verklaard dat de tuin bij het huis in [land] tot de gemeenschap/nalatenschap behoort; en [partij A] en [partij B sub 1] te veroordelen in de proceskosten. 4.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5 De beoordeling 5.1. Gelet op de samenhang en voor de overzichtelijkheid zal de rechtbank hierna de vorderingen in conventie en in reconventie zoveel mogelijk gezamenlijk en per geschilpunt beoordelen. De samenstelling van de nalatenschap 5.2. Partijen hebben inmiddels overeenstemming bereikt over de wijze van verdeling van de roerende zaken. Zij zijn het erover eens dat de nalatenschap verder nog bestaat uit de volgende vermogensbestanddelen: een woning in [plaats 2] ( [land] ) (hierna: de woning in [land] ); een recreatiewoning in [plaats 1] (hierna: het vakantiehuis); de ervenrekening (waarop partijen hebben bijgestort om de lasten van de woningen te kunnen betalen). 5.3.
Volledig
Volgens [partij A] behoren ook vorderingen (hypotheekleningen) op [partij B sub 1] en [partij C] tot de nalatenschap. [partij B sub 1] en de bewindvoerder hebben dit betwist. 5.4. De rechtbank zal hierna per vermogensbestanddeel beslissen of dit in de verdeling van de nalatenschap moet worden betrokken en zo ja, op welke wijze de verdeling dient te geschieden. Ad a: de woning in [land] Terugkomen van bindende eindbeslissing? Nee. 5.5. De rechtbank heeft in het tussenvonnis reeds uitdrukkelijk beslist dat de woning in [land] , onder opschortende voorwaarde, aan [partij A] zal worden toebedeeld. De rechtbank heeft hiermee een bindende eindbeslissing gegeven. Voor dergelijke beslissingen geldt de hoofdregel dat daarvan in dezelfde instantie niet meer kan worden teruggekomen. Dit kan anders zijn indien de beslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. In dat geval brengen de eisen van een goede procesorde mee dat de rechter bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich hierover uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing om te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen. Daarbij geldt dat de rechter bevoegd is om aan een verzoek om terug te komen van een eindbeslissing voorbij te gaan, als dat verzoek is gestoeld op feiten en stellingen die al eerder in de procedure ter kennis van de rechter en de wederpartij zijn gebracht of, gelet op het partijdebat, hadden moeten zijn gebracht. 5.6. [partij B sub 1] en de bewindvoerder hebben de rechtbank gevraagd terug te komen van de eindbeslissing met betrekking tot de toedeling van de woning in [land] . Volgens hen bestaat er aanleiding om de woning in [land] alsnog toe te delen aan [partij B sub 1] . 5.7. [partij B sub 1] voert hiertoe aan dat het standpunt van [partij C] , die inmiddels via de bewindvoerder in de procedure is verschenen, een nieuwe belangenafweging rechtvaardigt. [partij C] wil graag dat de woning in [land] aan [partij B sub 1] wordt toebedeeld zodat zij deze woning ook kan blijven bezoeken. Hiermee blijft de woning in [land] voor de gehele familie als vakantiehuis beschikbaar. [partij B sub 1] stelt dat erflaters dit ook zo zouden hebben gewild. Verder heeft [partij B sub 1] naar voren gebracht dat hij inmiddels is gepensioneerd en dat hij vaker langere periodes in het huis in [land] zou willen verblijven. 5.8. De rechtbank stelt voorop dat de bewindvoerder geen toedeling van de woning in [land] aan [partij C] wenst. Het enige belang dat [partij C] stelt te hebben bij toedeling van de woning in [land] aan [partij B sub 1] , is dat zij dan de mogelijkheid behoudt om de woning in [land] te kunnen blijven bezoeken. De rechtbank heeft de wens van [partij B sub 1] om de woning in [land] beschikbaar te houden als vakantiehuis voor de gehele familie echter al meegewogen in haar belangenafweging. De enkele omstandigheid dat [partij C] op dat punt dezelfde mening is toegedaan, levert naar het oordeel van de rechtbank geen nieuwe feit op dat een grondslag geeft om terug te komen van de eerder gegeven eindbeslissing. 5.9. Het standpunt van [partij B sub 1] dat hij inmiddels is gepensioneerd en vaker langere periodes zou willen doorbrengen in het huis in [land] , is een standpunt dat [partij B sub 1] eerder in de procedure naar voren had kunnen brengen. Dit rechtvaardigt daarom evenmin een nieuwe belangenafweging. 5.10. De overige bezwaren van [partij B sub 1] komen erop neer dat hij het inhoudelijk niet eens is met de hiervoor bedoelde beslissing in het tussenvonnis. Dat is geen valide reden om terug te komen op een eerder gegeven bindende eindbeslissing. De rechtbank blijft daarom bij haar beslissing dat de woning in [land] , onder opschortende voorwaarde, aan [partij A] zal worden toebedeeld. Behoort de tuin bij de woning in [land] tot de nalatenschap? Nee. 5.11. De bewindvoerder heeft gevorderd voor recht te verklaren dat de tuin bij de woning in [land] tot de nalatenschap behoort. Deze vordering zal worden afgewezen. De tuin bij de woning in [land] is door [partij A] aangekocht en is dus haar eigendom. Daarmee behoort de tuin niet tot de nalatenschap. Dit betekent niet dat de tuin bij de waardering van de woning volledig buiten beschouwing moet worden gelaten. Zoals de rechtbank reeds heeft overwogen in het tussenvonnis gaat zij ervan uit dat de aankoop van de tuin een positief effect heeft op de waarde van de woning waarvan de erfgenamen, gezien de eerder gemaakte afspraken om de grond gezamenlijk aan te kopen, in gelijke mate moeten profiteren. De waardebepaling 5.12. Partijen hebben nog altijd geen overeenstemming bereikt over de waarde waartegen de woning in [land] in de verdeling moet worden betrokken. Zij hebben het ‘spoorboekje’ dat de rechtbank in het tussenvonnis aan partijen heeft meegegeven om de waarde van de woning in [land] vast te stellen niet gevolgd. Partijen hebben wel diverse recente en minder recente waardebepalingen in het geding gebracht, maar de waardes die hieruit volgen, en die bovendien sterk uiteenlopen, worden betwist en geven de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om de waarde van de woning in [land] op een gedegen wijze vast te kunnen stellen. 5.13. De rechtbank heeft contact opgenomen met Inter-france (info@inter-france.com), een Nederlands makelaars- en advieskantoor dat onder meer taxaties verzorgt in geheel [land] . De heer [naam] is als expert immobilier aan dit kantoor verbonden en is gespecialiseerd in het verzorgen van een uitgebreid expertiserapport conform de European Valuation Standards (hierna: EVS). De heer [naam] heeft te kennen gegeven een uitgebreid taxatierapport te kunnen opstellen waarbij ook referentie-objecten in de nabijheid van het te taxeren object worden betrokken. De kosten van een dergelijke expertise bedragen € 1.950 exclusief btw en exclusief kantoor-, documentatie- en reiskosten ten bedrage van € 395. De rechtbank draagt partijen op om de heer [naam] binnen twee weken na de datum van dit vonnis gezamenlijk opdracht te geven om de woning in [land] te taxeren en hiervan een gedetailleerd taxatierapport op te stellen. De opname van het pand dient plaats te vinden op een door de taxateur te bepalen dag in de maand mei in 2026. De rechtbank gaat niet mee in het verzoek van [partij A] om de opname buiten aanwezigheid van partijen te laten plaatsvinden omdat de deskundige tijdens de opname vragen moet kunnen stellen aan partijen. Dat betekent dat partijen dus bij de opname aanwezig mogen zijn. Indien een partij zich wil laten vertegenwoordigen, dan is dat ook toegestaan, maar dat is dan aan de partij zelf. De datum van de opname wordt zo veel mogelijk met de partijen die aanwezig willen zijn afgestemd. Indien geen overeenstemming wordt bereikt over een datum van de opname beslist de taxateur op welke datum de opname plaatsvindt. Verder dienen partijen de informatie en stukken die de taxateur bij hen opvraagt en waarover zij de beschikking hebben per ommegaande te verstrekken. De kosten van de taxatie komen voor rekening van de nalatenschap. In het geval een of meer partijen in strijd met (de geest van) het bovenstaande handelen of onvoldoende medewerking verlenen aan de totstandkoming van de waardebepaling, dan zal de rechtbank daaraan de gevolgen verbinden die zij geraden acht. 5.14. Bij de uit te voeren taxatie moeten de volgende uitgangspunten worden gehanteerd: de waarde van de woning in [land] moet worden getaxeerd tegen de reële marktwaarde; er moet een uitgebreid expertiserapport worden opgesteld conform de EVS; er moet een vergelijk worden gemaakt met referentie-objecten in de omgeving van de woning in [land] ; en [partij A] heeft percelen grond, gelegen aan het perceel waarop de woning in [land] staat en die toegang geven tot de openbare weg, in eigendom, en niet in geschil is dat de eigendom van deze percelen een waardeverhogend effect heeft op de waarde van de woning in [land] . De taxateur dient de waarde van de woning in [land] vast te stellen inclusief het waardeverhogend effect dat van de eigendom van deze percelen uitgaat en dit waardeverhogend effect inzichtelijk te maken in het rapport. 5.15.
Volledig
Volgens [partij A] behoren ook vorderingen (hypotheekleningen) op [partij B sub 1] en [partij C] tot de nalatenschap. [partij B sub 1] en de bewindvoerder hebben dit betwist. 5.4. De rechtbank zal hierna per vermogensbestanddeel beslissen of dit in de verdeling van de nalatenschap moet worden betrokken en zo ja, op welke wijze de verdeling dient te geschieden. Ad a: de woning in [land] Terugkomen van bindende eindbeslissing? Nee. 5.5. De rechtbank heeft in het tussenvonnis reeds uitdrukkelijk beslist dat de woning in [land] , onder opschortende voorwaarde, aan [partij A] zal worden toebedeeld. De rechtbank heeft hiermee een bindende eindbeslissing gegeven. Voor dergelijke beslissingen geldt de hoofdregel dat daarvan in dezelfde instantie niet meer kan worden teruggekomen. Dit kan anders zijn indien de beslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. In dat geval brengen de eisen van een goede procesorde mee dat de rechter bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich hierover uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing om te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen. Daarbij geldt dat de rechter bevoegd is om aan een verzoek om terug te komen van een eindbeslissing voorbij te gaan, als dat verzoek is gestoeld op feiten en stellingen die al eerder in de procedure ter kennis van de rechter en de wederpartij zijn gebracht of, gelet op het partijdebat, hadden moeten zijn gebracht. 5.6. [partij B sub 1] en de bewindvoerder hebben de rechtbank gevraagd terug te komen van de eindbeslissing met betrekking tot de toedeling van de woning in [land] . Volgens hen bestaat er aanleiding om de woning in [land] alsnog toe te delen aan [partij B sub 1] . 5.7. [partij B sub 1] voert hiertoe aan dat het standpunt van [partij C] , die inmiddels via de bewindvoerder in de procedure is verschenen, een nieuwe belangenafweging rechtvaardigt. [partij C] wil graag dat de woning in [land] aan [partij B sub 1] wordt toebedeeld zodat zij deze woning ook kan blijven bezoeken. Hiermee blijft de woning in [land] voor de gehele familie als vakantiehuis beschikbaar. [partij B sub 1] stelt dat erflaters dit ook zo zouden hebben gewild. Verder heeft [partij B sub 1] naar voren gebracht dat hij inmiddels is gepensioneerd en dat hij vaker langere periodes in het huis in [land] zou willen verblijven. 5.8. De rechtbank stelt voorop dat de bewindvoerder geen toedeling van de woning in [land] aan [partij C] wenst. Het enige belang dat [partij C] stelt te hebben bij toedeling van de woning in [land] aan [partij B sub 1] , is dat zij dan de mogelijkheid behoudt om de woning in [land] te kunnen blijven bezoeken. De rechtbank heeft de wens van [partij B sub 1] om de woning in [land] beschikbaar te houden als vakantiehuis voor de gehele familie echter al meegewogen in haar belangenafweging. De enkele omstandigheid dat [partij C] op dat punt dezelfde mening is toegedaan, levert naar het oordeel van de rechtbank geen nieuwe feit op dat een grondslag geeft om terug te komen van de eerder gegeven eindbeslissing. 5.9. Het standpunt van [partij B sub 1] dat hij inmiddels is gepensioneerd en vaker langere periodes zou willen doorbrengen in het huis in [land] , is een standpunt dat [partij B sub 1] eerder in de procedure naar voren had kunnen brengen. Dit rechtvaardigt daarom evenmin een nieuwe belangenafweging. 5.10. De overige bezwaren van [partij B sub 1] komen erop neer dat hij het inhoudelijk niet eens is met de hiervoor bedoelde beslissing in het tussenvonnis. Dat is geen valide reden om terug te komen op een eerder gegeven bindende eindbeslissing. De rechtbank blijft daarom bij haar beslissing dat de woning in [land] , onder opschortende voorwaarde, aan [partij A] zal worden toebedeeld. Behoort de tuin bij de woning in [land] tot de nalatenschap? Nee. 5.11. De bewindvoerder heeft gevorderd voor recht te verklaren dat de tuin bij de woning in [land] tot de nalatenschap behoort. Deze vordering zal worden afgewezen. De tuin bij de woning in [land] is door [partij A] aangekocht en is dus haar eigendom. Daarmee behoort de tuin niet tot de nalatenschap. Dit betekent niet dat de tuin bij de waardering van de woning volledig buiten beschouwing moet worden gelaten. Zoals de rechtbank reeds heeft overwogen in het tussenvonnis gaat zij ervan uit dat de aankoop van de tuin een positief effect heeft op de waarde van de woning waarvan de erfgenamen, gezien de eerder gemaakte afspraken om de grond gezamenlijk aan te kopen, in gelijke mate moeten profiteren. De waardebepaling 5.12. Partijen hebben nog altijd geen overeenstemming bereikt over de waarde waartegen de woning in [land] in de verdeling moet worden betrokken. Zij hebben het ‘spoorboekje’ dat de rechtbank in het tussenvonnis aan partijen heeft meegegeven om de waarde van de woning in [land] vast te stellen niet gevolgd. Partijen hebben wel diverse recente en minder recente waardebepalingen in het geding gebracht, maar de waardes die hieruit volgen, en die bovendien sterk uiteenlopen, worden betwist en geven de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om de waarde van de woning in [land] op een gedegen wijze vast te kunnen stellen. 5.13. De rechtbank heeft contact opgenomen met Inter-france (info@inter-france.com), een Nederlands makelaars- en advieskantoor dat onder meer taxaties verzorgt in geheel [land] . De heer [naam] is als expert immobilier aan dit kantoor verbonden en is gespecialiseerd in het verzorgen van een uitgebreid expertiserapport conform de European Valuation Standards (hierna: EVS). De heer [naam] heeft te kennen gegeven een uitgebreid taxatierapport te kunnen opstellen waarbij ook referentie-objecten in de nabijheid van het te taxeren object worden betrokken. De kosten van een dergelijke expertise bedragen € 1.950 exclusief btw en exclusief kantoor-, documentatie- en reiskosten ten bedrage van € 395. De rechtbank draagt partijen op om de heer [naam] binnen twee weken na de datum van dit vonnis gezamenlijk opdracht te geven om de woning in [land] te taxeren en hiervan een gedetailleerd taxatierapport op te stellen. De opname van het pand dient plaats te vinden op een door de taxateur te bepalen dag in de maand mei in 2026. De rechtbank gaat niet mee in het verzoek van [partij A] om de opname buiten aanwezigheid van partijen te laten plaatsvinden omdat de deskundige tijdens de opname vragen moet kunnen stellen aan partijen. Dat betekent dat partijen dus bij de opname aanwezig mogen zijn. Indien een partij zich wil laten vertegenwoordigen, dan is dat ook toegestaan, maar dat is dan aan de partij zelf. De datum van de opname wordt zo veel mogelijk met de partijen die aanwezig willen zijn afgestemd. Indien geen overeenstemming wordt bereikt over een datum van de opname beslist de taxateur op welke datum de opname plaatsvindt. Verder dienen partijen de informatie en stukken die de taxateur bij hen opvraagt en waarover zij de beschikking hebben per ommegaande te verstrekken. De kosten van de taxatie komen voor rekening van de nalatenschap. In het geval een of meer partijen in strijd met (de geest van) het bovenstaande handelen of onvoldoende medewerking verlenen aan de totstandkoming van de waardebepaling, dan zal de rechtbank daaraan de gevolgen verbinden die zij geraden acht. 5.14. Bij de uit te voeren taxatie moeten de volgende uitgangspunten worden gehanteerd: de waarde van de woning in [land] moet worden getaxeerd tegen de reële marktwaarde; er moet een uitgebreid expertiserapport worden opgesteld conform de EVS; er moet een vergelijk worden gemaakt met referentie-objecten in de omgeving van de woning in [land] ; en [partij A] heeft percelen grond, gelegen aan het perceel waarop de woning in [land] staat en die toegang geven tot de openbare weg, in eigendom, en niet in geschil is dat de eigendom van deze percelen een waardeverhogend effect heeft op de waarde van de woning in [land] . De taxateur dient de waarde van de woning in [land] vast te stellen inclusief het waardeverhogend effect dat van de eigendom van deze percelen uitgaat en dit waardeverhogend effect inzichtelijk te maken in het rapport. 5.15.
Volledig
De communicatie met de taxateur moet uitsluitend via e-mail verlopen en alle partijen dienen daarbij in de cc te worden meegenomen. Verder dienen partijen zich te onthouden van het delen in woord of schrift van eerdere waardebepalingen van de woning in [land] met de taxateur. Partijen dienen het taxatierapport in het geding te brengen, waarna zij in de gelegenheid worden gesteld om hierop schriftelijk te reageren. Partijen dienen hierbij aan te geven of zij kunnen instemmen met de getaxeerde waarde en waarom wel of niet en of zij de woning tegen deze waarde willen en kunnen overnemen. Hierbij staat voorop dat de woning – zoals de rechtbank reeds in het tussenvonnis heeft beslist – zal worden toebedeeld aan [partij A] tenzij zij niet in staat of bereid is de woning tegen de vast te stellen waarde over te nemen. Als zij hiertoe niet in staat of bereid is, zal de woning tegen de vast te stellen waarde worden toebedeeld aan [partij B sub 1] , tenzij ook hij niet in staat of bereid is de woning tegen die waarde over te nemen. In dat geval dient de woning in [land] te worden verkocht aan een derde en dient de opbrengst onder de erfgenamen te worden verdeeld. Kosten toedeling 5.16. De rechtbank geeft partijen hierbij vast mee dat de kosten van de overdracht van de woning in [land] , waaronder het “ droit de partage ”, voor rekening komen van de partij aan wie de woning zal worden toebedeeld en dat die partij daarom ook een notaris mag kiezen ten overstaan van wie de overdracht zal plaatsvinden. Onvoorwaardelijke opzegging huurwoning [partij A] 5.17. De bewindvoerder heeft gevorderd te bepalen dat [partij A] bewijs moet leveren van de onvoorwaardelijke opzegging van de huur van haar huidige woning, vóórdat [partij C] en [partij B sub 1] hun medewerking moeten verlenen aan toedeling van de woning aan [land] aan [partij A] . 5.18. Hoewel in dit vonnis nog geen beslissing wordt genomen over het verlenen van medewerking aan de toedeling van de woning in [land] aan [partij A] door [partij B sub 1] en [partij A] , ziet de rechtbank aanleiding om reeds in te gaan op deze de vordering van de bewindvoerder. Deze vordering is niet voor toewijzing vatbaar omdat daarvoor geen wettelijke grondslag bestaat. Het is aan [partij A] zelf om te bepalen of zij na de overdracht van de woning in [land] haar huurwoning in Nederland wil aanhouden of niet. Ad b: het vakantiehuis Toedeling aan [partij C] 5.19. In een eerder stadium van deze procedure waren partijen het eens over verkoop van het vakantiehuis aan een derde, maar nadien heeft de bewindvoerder toedeling van het vakantiehuis aan [partij C] gevorderd. De bewindvoerder heeft toegelicht dat toedeling van het vakantiehuis aan [partij C] met oog op de volledige afwikkeling van de nalatenschap financieel gezien een reële optie is, maar een en ander is wel afhankelijk van de waarde waartegen het vakantiehuis aan [partij C] zal worden toebedeeld. 5.20. Gebleken is dat het taxatierapport van het vakantiehuis nog niet gereed is. De bewindvoerder dient dit zo snel mogelijk aan de rechtbank toe te sturen. De rechtbank zal bij eindvonnis beslissen over de toedeling van het vakantiehuis. Gebruiksvergoeding 5.21. [partij A] stelt zich op het standpunt dat [partij C] een vergoeding verschuldigd is voor het exclusief gebruik van het vakantiehuis vanaf 9 juni 2016 tot heden. Zij vordert in dit verband primair – kort samengevat – : [partij C] te veroordelen tot betaling van een gebruiksvergoeding aan [partij A] van € 12.698,53 voor het gebruik van het vakantiehuis in de periode vanaf 9 juni 2016 tot en met 31 december 2023; [partij C] te veroordelen tot betaling van een gebruiksvergoeding aan [partij A] van € 242,22 per maand vanaf 1 januari 2024 tot de datum van notariële levering van het vakantiehuis; te verklaren voor recht dat [partij C] aan de nalatenschap een bedrag van € 18.957,37 verschuldigd is ter zake de gebruikerslasten van het vakantiehuis; [partij C] te veroordelen tot betaling aan [partij A] van € 8.901,15 aan parkkosten tot en met juni 2025 en een derde deel van de verschuldigde parkkosten vanaf 1 juli 2025 tot de datum van notariële levering van het vakantiehuis. 5.22. [partij A] baseert de door haar gevorderde bedragen onder a en b op een verondersteld rendement van 4% over een derde deel van de WOZ-waarde van het vakantiehuis in de afgelopen jaren. 5.23. [partij C] betwist niet dat zij een gebruiksvergoeding is verschuldigd, maar zij vindt de door [partij A] geëiste vergoeding bovenmatig. 5.24. De rechtbank stelt voorop dat dat iedere deelgenoot op grond van het bepaalde in artikel 3:169 BW bevoegd is een gemeenschappelijk goed te gebruiken. De Hoge Raad heeft bepaald dat dit artikel ook meebrengt dat de deelgenoot die het goed met uitsluiting van de ander gebruikt, verplicht is de ander schadeloos te stellen voor het feit dat hij geen gebruik kan maken van zijn eigendom, bijvoorbeeld door het betalen van een gebruiksvergoeding. Deze vergoeding wordt toegekend als de rechter dat redelijk en billijk vindt. Wat redelijk en billijk is, is afhankelijk van alle feiten en omstandigheden van het concrete geval. 5.25. Verder brengt het bepaalde in artikel 3:172 BW mee dat iedere deelgenoot in beginsel naar evenredigheid van zijn of haar aandeel moet bijdragen in de eigenaarslasten van het gemeenschappelijke goed. 5.26. Niet in geschil is dat [partij C] vanaf 9 juni 2016 meerdere lange aaneengesloten periodes in het vakantiehuis heeft gewoond. 5.27. Verder staat vast dat alle lasten van het vakantiehuis steeds zijn betaald vanaf de ervenrekening. Toen deze rekening in 2019 leeg was hebben [partij A] , [partij C] en [partij B sub 1] steeds bedragen bijgestort zodat die lasten vanaf die rekening konden blijven worden betaald. Daarbij heeft [partij B sub 1] de eigenaarslasten van het vakantiehuis, waaronder de erfpachtcanon en de parkkosten, gelijkelijk aan partijen toegerekend (ieder een derde deel) en heeft hij alle gebruikerslasten volledig ten laste van [partij C] gebracht. Dit is tot uitdrukking gebracht in de bedragen die partijen telkens moesten bijstorten op de ervenrekening: [partij C] heeft door de jaren heen een substantieel hoger bedrag bijgestort dan [partij B sub 1] en [partij A] . 5.28. Nu de gebruikerslasten van het vakantiehuis steeds door [partij C] zijn (en nog altijd worden) gedragen via bijstorting op de ervenrekening, heeft [partij A] geen belang bij de door haar gevorderde verklaring voor recht dat [partij C] aan de nalatenschap een bedrag van € 18.957,37 verschuldigd is ter zake de gebruikerslasten van het vakantiehuis. Deze vordering zal dus worden afgewezen. 5.29. Voor de door [partij A] gevorderde gebruiksvergoeding, zoals weergegeven in rechtsoverweging 5.21 onder a en b geldt het volgende. Hoewel [partij C] sinds 2016 langere aaneengesloten periodes in het vakantiehuis heeft gewoond, heeft [partij A] pas bij dagvaarding (23 juli 2024) aanspraak gemaakt op een door [partij C] te betalen gebruiksvergoeding. Gelet op de omstandigheden waaronder [partij C] in het vakantiehuis is gaan wonen, waarbij een rol speelt dat zij kampte met ernstige mentale en fysieke problemen en zij op een gegeven moment ook niet meer beschikte over eigen woonruimte, acht de rechtbank het niet redelijk dat zij met terugwerkende kracht alsnog een gebruiksvergoeding moet betalen. De vordering van [partij A] tot betaling van een gebruiksvergoeding wordt dan ook afgewezen voor zover het de periode betreft tot 1 augustus 2024. 5.30. De rechtbank ziet aanleiding om [partij C] wel te veroordelen tot betaling van een beperkte gebruiksvergoeding voor de periode vanaf 1 augustus 2024. Ervan uitgaand dat de notariële overdracht van het vakantiehuis dit kalenderjaar zal geschieden en rekening houdend met de WOZ-waarde van het vakantiehuis in 2023 (€ 218.000), het aandeel van [partij A] hierin (1/3 deel) en een in redelijkheid te behalen rendement van circa 3%, acht de rechtbank de door [partij C] zelf aan [partij A] aangeboden gebruiksvergoeding van in totaal € 5.000 redelijk en billijk. 5.31.
Volledig
De communicatie met de taxateur moet uitsluitend via e-mail verlopen en alle partijen dienen daarbij in de cc te worden meegenomen. Verder dienen partijen zich te onthouden van het delen in woord of schrift van eerdere waardebepalingen van de woning in [land] met de taxateur. Partijen dienen het taxatierapport in het geding te brengen, waarna zij in de gelegenheid worden gesteld om hierop schriftelijk te reageren. Partijen dienen hierbij aan te geven of zij kunnen instemmen met de getaxeerde waarde en waarom wel of niet en of zij de woning tegen deze waarde willen en kunnen overnemen. Hierbij staat voorop dat de woning – zoals de rechtbank reeds in het tussenvonnis heeft beslist – zal worden toebedeeld aan [partij A] tenzij zij niet in staat of bereid is de woning tegen de vast te stellen waarde over te nemen. Als zij hiertoe niet in staat of bereid is, zal de woning tegen de vast te stellen waarde worden toebedeeld aan [partij B sub 1] , tenzij ook hij niet in staat of bereid is de woning tegen die waarde over te nemen. In dat geval dient de woning in [land] te worden verkocht aan een derde en dient de opbrengst onder de erfgenamen te worden verdeeld. Kosten toedeling 5.16. De rechtbank geeft partijen hierbij vast mee dat de kosten van de overdracht van de woning in [land] , waaronder het “ droit de partage ”, voor rekening komen van de partij aan wie de woning zal worden toebedeeld en dat die partij daarom ook een notaris mag kiezen ten overstaan van wie de overdracht zal plaatsvinden. Onvoorwaardelijke opzegging huurwoning [partij A] 5.17. De bewindvoerder heeft gevorderd te bepalen dat [partij A] bewijs moet leveren van de onvoorwaardelijke opzegging van de huur van haar huidige woning, vóórdat [partij C] en [partij B sub 1] hun medewerking moeten verlenen aan toedeling van de woning aan [land] aan [partij A] . 5.18. Hoewel in dit vonnis nog geen beslissing wordt genomen over het verlenen van medewerking aan de toedeling van de woning in [land] aan [partij A] door [partij B sub 1] en [partij A] , ziet de rechtbank aanleiding om reeds in te gaan op deze de vordering van de bewindvoerder. Deze vordering is niet voor toewijzing vatbaar omdat daarvoor geen wettelijke grondslag bestaat. Het is aan [partij A] zelf om te bepalen of zij na de overdracht van de woning in [land] haar huurwoning in Nederland wil aanhouden of niet. Ad b: het vakantiehuis Toedeling aan [partij C] 5.19. In een eerder stadium van deze procedure waren partijen het eens over verkoop van het vakantiehuis aan een derde, maar nadien heeft de bewindvoerder toedeling van het vakantiehuis aan [partij C] gevorderd. De bewindvoerder heeft toegelicht dat toedeling van het vakantiehuis aan [partij C] met oog op de volledige afwikkeling van de nalatenschap financieel gezien een reële optie is, maar een en ander is wel afhankelijk van de waarde waartegen het vakantiehuis aan [partij C] zal worden toebedeeld. 5.20. Gebleken is dat het taxatierapport van het vakantiehuis nog niet gereed is. De bewindvoerder dient dit zo snel mogelijk aan de rechtbank toe te sturen. De rechtbank zal bij eindvonnis beslissen over de toedeling van het vakantiehuis. Gebruiksvergoeding 5.21. [partij A] stelt zich op het standpunt dat [partij C] een vergoeding verschuldigd is voor het exclusief gebruik van het vakantiehuis vanaf 9 juni 2016 tot heden. Zij vordert in dit verband primair – kort samengevat – : [partij C] te veroordelen tot betaling van een gebruiksvergoeding aan [partij A] van € 12.698,53 voor het gebruik van het vakantiehuis in de periode vanaf 9 juni 2016 tot en met 31 december 2023; [partij C] te veroordelen tot betaling van een gebruiksvergoeding aan [partij A] van € 242,22 per maand vanaf 1 januari 2024 tot de datum van notariële levering van het vakantiehuis; te verklaren voor recht dat [partij C] aan de nalatenschap een bedrag van € 18.957,37 verschuldigd is ter zake de gebruikerslasten van het vakantiehuis; [partij C] te veroordelen tot betaling aan [partij A] van € 8.901,15 aan parkkosten tot en met juni 2025 en een derde deel van de verschuldigde parkkosten vanaf 1 juli 2025 tot de datum van notariële levering van het vakantiehuis. 5.22. [partij A] baseert de door haar gevorderde bedragen onder a en b op een verondersteld rendement van 4% over een derde deel van de WOZ-waarde van het vakantiehuis in de afgelopen jaren. 5.23. [partij C] betwist niet dat zij een gebruiksvergoeding is verschuldigd, maar zij vindt de door [partij A] geëiste vergoeding bovenmatig. 5.24. De rechtbank stelt voorop dat dat iedere deelgenoot op grond van het bepaalde in artikel 3:169 BW bevoegd is een gemeenschappelijk goed te gebruiken. De Hoge Raad heeft bepaald dat dit artikel ook meebrengt dat de deelgenoot die het goed met uitsluiting van de ander gebruikt, verplicht is de ander schadeloos te stellen voor het feit dat hij geen gebruik kan maken van zijn eigendom, bijvoorbeeld door het betalen van een gebruiksvergoeding. Deze vergoeding wordt toegekend als de rechter dat redelijk en billijk vindt. Wat redelijk en billijk is, is afhankelijk van alle feiten en omstandigheden van het concrete geval. 5.25. Verder brengt het bepaalde in artikel 3:172 BW mee dat iedere deelgenoot in beginsel naar evenredigheid van zijn of haar aandeel moet bijdragen in de eigenaarslasten van het gemeenschappelijke goed. 5.26. Niet in geschil is dat [partij C] vanaf 9 juni 2016 meerdere lange aaneengesloten periodes in het vakantiehuis heeft gewoond. 5.27. Verder staat vast dat alle lasten van het vakantiehuis steeds zijn betaald vanaf de ervenrekening. Toen deze rekening in 2019 leeg was hebben [partij A] , [partij C] en [partij B sub 1] steeds bedragen bijgestort zodat die lasten vanaf die rekening konden blijven worden betaald. Daarbij heeft [partij B sub 1] de eigenaarslasten van het vakantiehuis, waaronder de erfpachtcanon en de parkkosten, gelijkelijk aan partijen toegerekend (ieder een derde deel) en heeft hij alle gebruikerslasten volledig ten laste van [partij C] gebracht. Dit is tot uitdrukking gebracht in de bedragen die partijen telkens moesten bijstorten op de ervenrekening: [partij C] heeft door de jaren heen een substantieel hoger bedrag bijgestort dan [partij B sub 1] en [partij A] . 5.28. Nu de gebruikerslasten van het vakantiehuis steeds door [partij C] zijn (en nog altijd worden) gedragen via bijstorting op de ervenrekening, heeft [partij A] geen belang bij de door haar gevorderde verklaring voor recht dat [partij C] aan de nalatenschap een bedrag van € 18.957,37 verschuldigd is ter zake de gebruikerslasten van het vakantiehuis. Deze vordering zal dus worden afgewezen. 5.29. Voor de door [partij A] gevorderde gebruiksvergoeding, zoals weergegeven in rechtsoverweging 5.21 onder a en b geldt het volgende. Hoewel [partij C] sinds 2016 langere aaneengesloten periodes in het vakantiehuis heeft gewoond, heeft [partij A] pas bij dagvaarding (23 juli 2024) aanspraak gemaakt op een door [partij C] te betalen gebruiksvergoeding. Gelet op de omstandigheden waaronder [partij C] in het vakantiehuis is gaan wonen, waarbij een rol speelt dat zij kampte met ernstige mentale en fysieke problemen en zij op een gegeven moment ook niet meer beschikte over eigen woonruimte, acht de rechtbank het niet redelijk dat zij met terugwerkende kracht alsnog een gebruiksvergoeding moet betalen. De vordering van [partij A] tot betaling van een gebruiksvergoeding wordt dan ook afgewezen voor zover het de periode betreft tot 1 augustus 2024. 5.30. De rechtbank ziet aanleiding om [partij C] wel te veroordelen tot betaling van een beperkte gebruiksvergoeding voor de periode vanaf 1 augustus 2024. Ervan uitgaand dat de notariële overdracht van het vakantiehuis dit kalenderjaar zal geschieden en rekening houdend met de WOZ-waarde van het vakantiehuis in 2023 (€ 218.000), het aandeel van [partij A] hierin (1/3 deel) en een in redelijkheid te behalen rendement van circa 3%, acht de rechtbank de door [partij C] zelf aan [partij A] aangeboden gebruiksvergoeding van in totaal € 5.000 redelijk en billijk. 5.31.
Volledig
[partij B sub 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat de gebruiksvergoeding ten goede moet komen aan de nalatenschap en niet aan [partij A] , maar de rechtbank gaat aan deze stelling voorbij. Op basis van het bepaalde in artikel 3:169 BW komt een gebruiksvergoeding niet toe aan de gemeenschap maar aan de deelgenoten die een bepaalde periode geen gebruik hebben kunnen maken van hun eigendom. [partij B sub 1] heeft als deelgenoot echter geen vordering jegens [partij C] ingesteld tot betaling van een gebruiksvergoeding. De door [partij A] gevorderde gebruiksvergoeding komt daarmee aan haar persoonlijk toe. De rechtbank zal bepalen dat [partij C] deze vergoeding aan [partij A] moet voldoen ter gelegenheid van de notariële overdracht van het vakantiehuis. 5.32. Ten aanzien van de parkkosten overweegt de rechtbank dat zij geen aanleiding ziet om het aandeel van [partij A] in die kosten voor rekening van [partij C] te laten komen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [partij A] onvoldoende onderbouwd heeft dat de hoogte van de parkkosten afhankelijk zijn van het gebruik. Daarmee moeten zij worden gerekend tot de eigenaarslasten. Daar komt bij dat alle drie de deelgenoten profiteren van de omstandigheid dat het vakantiehuis sinds 2016 door de ontwikkelingen op de woningmarkt fors in waarde is gestegen. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om af te wijken van het in artikel 3:172 BW neergelegde uitgangspunt dat de deelgenoten naar evenredigheid van hun aandeel moeten bijdragen in de eigenaarslasten van het gemeenschappelijke goed. De vordering van [partij A] met betrekking tot de parkkosten zal dus worden afgewezen. Ad c: de ervenrekening 5.33. Vaststaat dat de lasten van de beide woningen in de nalatenschap tot en met 2018 van de ervenrekening zijn betaald en dat partijen – toen die rekening leeg was – steeds hebben bijgestort op de ervenrekening zodat die lasten van die rekening betaald konden blijven worden. 5.34. [partij B sub 1] heeft als producties 21 en 23 tot en met 26 diverse overzichten in het geding gebracht waaruit volgt welke uitgaven ten laste van de nalatenschap zijn gekomen en welke bijdragen de erfgenamen hebben geleverd, dan wel door storting van een bedrag op de ervenrekening dan wel door betaling van een bedrag in privé. 5.35. In de door [partij B sub 1] als productie 23 overgelegde overzichten zijn de eigenaarslasten van de beide woningen en overige kosten steeds gelijkelijk over partijen verdeeld en zijn de gebruikerslasten van de beide woningen doorgerekend aan de daadwerkelijke gebruiker. Zo zijn alle gebruikerslasten van het vakantiehuis ten laste van [partij C] gebracht. Hierbij heeft [partij B sub 1] enkele correcties toegepast, onder andere voor de gebruikerslasten in de periode van 2016 tot en met 2018. 5.36. [partij A] heeft naar voren gebracht dat de door [partij B sub 1] gemaakte overzichten in grote lijnen kunnen dienen als uitgangspunt bij de afwikkeling van de ervenrekening, maar zij heeft in de door haar overgelegde producties 63 en 64 nog enkele posten genoemd die zij zou hebben betaald, maar die niet in deze overzichten zouden zijn verwerkt, te weten: € 339,69 voor de kosten van een loodgieter, reparatiekosten en een staafmixer; € 976 voor belastingen in [land] ; € 450 voor 2 matrassen; € 150 voor drie reparaties. 5.37. [partij B sub 1] heeft toegelicht dat deze posten – met uitzondering van de matrassen – wel degelijk zijn verwerkt in door hem opgestelde overzichten onder de vermelding “ via privérekening WW” : in het in productie 21 opgenomen overzicht ‘ inkomsten en uitgaven 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022 ’ zijn door [partij A] betaalde bedragen van € 976 ( tax foncieres ) en € 523,69 (diverse reparaties) verwerkt; het door [partij A] betaalde bedrag van € 150 voor diverse reparaties is meegenomen in het in productie 21 opgenomen overzicht ‘ inkomsten en uitgaven 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024 ’. 5.38. De door [partij A] gekochte matrassen zijn niet meegenomen in de overzichten en in dat kader heeft [partij B sub 1] een correctie toegepast voor de kosten van het door hem gekochte Auping bed dat hij aanvankelijk ten laste van de nalatenschap heeft gebracht. Volgens hem zou nadien door partijen zijn afgesproken om de kosten van matrassen die partijen zelf hebben gekocht niet ten laste van de nalatenschap te brengen. 5.39. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door [partij B sub 1] opgestelde overzichten tot vertrekpunt nemen en bepalen dat partijen – zolang de overdracht van de beide woningen nog niet heeft plaatsgevonden – op de ervenrekening moeten blijven bijstorten, waarbij voor de berekening van het door de erfgenamen bij te storten bedrag als uitgangspunt geldt dat de eigenaarslasten en overige kosten gelijkelijk over de drie erfgenamen worden verdeeld en dat de gebruikerslasten worden doorgerekend aan de daadwerkelijke gebruiker. Zodra de notariële overdracht van de beide woningen heeft plaatsgevonden, kan op basis van deze uitgangspunten een eindafrekening worden opgesteld en kan de ervenrekening worden opgeheven. Door [partij A] gestelde vorderingen op [partij B sub 1] en [partij C] 5.40. [partij A] stelt zich op het standpunt dat erflaters in het verleden hypothecaire leningen hebben verstrekt aan [partij C] en [partij B sub 1] en dat de hierop gebaseerde vorderingen op [partij B sub 1] en [partij C] nog altijd bestaan en tot de nalatenschap behoren. 5.41. [partij B sub 1] en de bewindvoerder betwisten dat de door [partij A] genoemde vorderingen nog bestaan. 5.42. De rechtbank stelt voorop dat het aan [partij A] is, die heeft aangevoerd dat de vorderingen op [partij B sub 1] en [partij C] tot de nalatenschap behoren, om te stellen en (bij betwisting) te bewijzen dat de vorderingen na het overlijden van erflaters nog bestonden. Naar het oordeel van de rechtbank is zij daarin niet geslaagd. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij tot dit oordeel is gekomen. 5.43. Tussen partijen is niet in geschil dat erflaters hypothecaire leningen hebben verstrekt aan [partij B sub 1] en aan [partij C] . Uit de hypotheekakte van 17 december 1998 blijkt dat erflaters aan [partij B sub 1] en zijn echtgenote een geldlening hebben verstrekt van fl. 186.250 (€ 84.516,57) en dat hierover een rente verschuldigd was van 4% per jaar. Uit de hypotheekakte van 24 december 1998 blijkt dat [partij C] een bedrag van fl. 191.315 (€ 86.814,96) van erflaters heeft geleend en dat zij hierover eveneens een rente verschuldigd was van 4% per jaar. Het recht van hypotheek verbonden aan de lening aan [partij C] , is doorgehaald bij akte doorhaling hypotheek van 1 december 2003 en het recht van hypotheek verbonden aan de lening aan [partij B sub 1] en zijn echtgenote, is doorgehaald bij akte doorhaling hypotheek van 23 februari 2018. 5.44. [partij A] stelt zich op het standpunt dat uit een viertal rentebetalingen door [partij C] in de maanden juli tot en met oktober 2016 – en dus na het overlijden van zowel erflater als erflaatster – volgt dat de lening van [partij C] op het moment dat erflaatster overleed grotendeels niet was afgelost. Volgens haar volgt uit de doorhaling van de hypotheek van [partij B sub 1] in 2018 dat ook deze lening nog bestond op het moment dat erflaatster overleed. 5.45. [partij B sub 1] en de bewindvoerder hebben gemotiveerd betwist dat de leningen nog bestonden op het moment van overlijden van erflaatster. Zij erkennen dat erflaters hypothecaire leningen hebben verstrekt aan [partij B sub 1] en [partij C] , maar zij stellen dat erflaters deze leningen in 2015 bij de verdeling van het vermogen op de beleggingsrekening in Luxemburg (hierna: het familievermogen) hebben verrekend. Zij voeren hiertoe aan dat erflaters tijdens een familieberaad in april 2015 met hun drie kinderen hebben afgesproken om alle eerdere voorschotten op de erfenis, in welke vorm dan ook, te verrekenen.
Volledig
[partij B sub 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat de gebruiksvergoeding ten goede moet komen aan de nalatenschap en niet aan [partij A] , maar de rechtbank gaat aan deze stelling voorbij. Op basis van het bepaalde in artikel 3:169 BW komt een gebruiksvergoeding niet toe aan de gemeenschap maar aan de deelgenoten die een bepaalde periode geen gebruik hebben kunnen maken van hun eigendom. [partij B sub 1] heeft als deelgenoot echter geen vordering jegens [partij C] ingesteld tot betaling van een gebruiksvergoeding. De door [partij A] gevorderde gebruiksvergoeding komt daarmee aan haar persoonlijk toe. De rechtbank zal bepalen dat [partij C] deze vergoeding aan [partij A] moet voldoen ter gelegenheid van de notariële overdracht van het vakantiehuis. 5.32. Ten aanzien van de parkkosten overweegt de rechtbank dat zij geen aanleiding ziet om het aandeel van [partij A] in die kosten voor rekening van [partij C] te laten komen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [partij A] onvoldoende onderbouwd heeft dat de hoogte van de parkkosten afhankelijk zijn van het gebruik. Daarmee moeten zij worden gerekend tot de eigenaarslasten. Daar komt bij dat alle drie de deelgenoten profiteren van de omstandigheid dat het vakantiehuis sinds 2016 door de ontwikkelingen op de woningmarkt fors in waarde is gestegen. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om af te wijken van het in artikel 3:172 BW neergelegde uitgangspunt dat de deelgenoten naar evenredigheid van hun aandeel moeten bijdragen in de eigenaarslasten van het gemeenschappelijke goed. De vordering van [partij A] met betrekking tot de parkkosten zal dus worden afgewezen. Ad c: de ervenrekening 5.33. Vaststaat dat de lasten van de beide woningen in de nalatenschap tot en met 2018 van de ervenrekening zijn betaald en dat partijen – toen die rekening leeg was – steeds hebben bijgestort op de ervenrekening zodat die lasten van die rekening betaald konden blijven worden. 5.34. [partij B sub 1] heeft als producties 21 en 23 tot en met 26 diverse overzichten in het geding gebracht waaruit volgt welke uitgaven ten laste van de nalatenschap zijn gekomen en welke bijdragen de erfgenamen hebben geleverd, dan wel door storting van een bedrag op de ervenrekening dan wel door betaling van een bedrag in privé. 5.35. In de door [partij B sub 1] als productie 23 overgelegde overzichten zijn de eigenaarslasten van de beide woningen en overige kosten steeds gelijkelijk over partijen verdeeld en zijn de gebruikerslasten van de beide woningen doorgerekend aan de daadwerkelijke gebruiker. Zo zijn alle gebruikerslasten van het vakantiehuis ten laste van [partij C] gebracht. Hierbij heeft [partij B sub 1] enkele correcties toegepast, onder andere voor de gebruikerslasten in de periode van 2016 tot en met 2018. 5.36. [partij A] heeft naar voren gebracht dat de door [partij B sub 1] gemaakte overzichten in grote lijnen kunnen dienen als uitgangspunt bij de afwikkeling van de ervenrekening, maar zij heeft in de door haar overgelegde producties 63 en 64 nog enkele posten genoemd die zij zou hebben betaald, maar die niet in deze overzichten zouden zijn verwerkt, te weten: € 339,69 voor de kosten van een loodgieter, reparatiekosten en een staafmixer; € 976 voor belastingen in [land] ; € 450 voor 2 matrassen; € 150 voor drie reparaties. 5.37. [partij B sub 1] heeft toegelicht dat deze posten – met uitzondering van de matrassen – wel degelijk zijn verwerkt in door hem opgestelde overzichten onder de vermelding “ via privérekening WW” : in het in productie 21 opgenomen overzicht ‘ inkomsten en uitgaven 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022 ’ zijn door [partij A] betaalde bedragen van € 976 ( tax foncieres ) en € 523,69 (diverse reparaties) verwerkt; het door [partij A] betaalde bedrag van € 150 voor diverse reparaties is meegenomen in het in productie 21 opgenomen overzicht ‘ inkomsten en uitgaven 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024 ’. 5.38. De door [partij A] gekochte matrassen zijn niet meegenomen in de overzichten en in dat kader heeft [partij B sub 1] een correctie toegepast voor de kosten van het door hem gekochte Auping bed dat hij aanvankelijk ten laste van de nalatenschap heeft gebracht. Volgens hem zou nadien door partijen zijn afgesproken om de kosten van matrassen die partijen zelf hebben gekocht niet ten laste van de nalatenschap te brengen. 5.39. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door [partij B sub 1] opgestelde overzichten tot vertrekpunt nemen en bepalen dat partijen – zolang de overdracht van de beide woningen nog niet heeft plaatsgevonden – op de ervenrekening moeten blijven bijstorten, waarbij voor de berekening van het door de erfgenamen bij te storten bedrag als uitgangspunt geldt dat de eigenaarslasten en overige kosten gelijkelijk over de drie erfgenamen worden verdeeld en dat de gebruikerslasten worden doorgerekend aan de daadwerkelijke gebruiker. Zodra de notariële overdracht van de beide woningen heeft plaatsgevonden, kan op basis van deze uitgangspunten een eindafrekening worden opgesteld en kan de ervenrekening worden opgeheven. Door [partij A] gestelde vorderingen op [partij B sub 1] en [partij C] 5.40. [partij A] stelt zich op het standpunt dat erflaters in het verleden hypothecaire leningen hebben verstrekt aan [partij C] en [partij B sub 1] en dat de hierop gebaseerde vorderingen op [partij B sub 1] en [partij C] nog altijd bestaan en tot de nalatenschap behoren. 5.41. [partij B sub 1] en de bewindvoerder betwisten dat de door [partij A] genoemde vorderingen nog bestaan. 5.42. De rechtbank stelt voorop dat het aan [partij A] is, die heeft aangevoerd dat de vorderingen op [partij B sub 1] en [partij C] tot de nalatenschap behoren, om te stellen en (bij betwisting) te bewijzen dat de vorderingen na het overlijden van erflaters nog bestonden. Naar het oordeel van de rechtbank is zij daarin niet geslaagd. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij tot dit oordeel is gekomen. 5.43. Tussen partijen is niet in geschil dat erflaters hypothecaire leningen hebben verstrekt aan [partij B sub 1] en aan [partij C] . Uit de hypotheekakte van 17 december 1998 blijkt dat erflaters aan [partij B sub 1] en zijn echtgenote een geldlening hebben verstrekt van fl. 186.250 (€ 84.516,57) en dat hierover een rente verschuldigd was van 4% per jaar. Uit de hypotheekakte van 24 december 1998 blijkt dat [partij C] een bedrag van fl. 191.315 (€ 86.814,96) van erflaters heeft geleend en dat zij hierover eveneens een rente verschuldigd was van 4% per jaar. Het recht van hypotheek verbonden aan de lening aan [partij C] , is doorgehaald bij akte doorhaling hypotheek van 1 december 2003 en het recht van hypotheek verbonden aan de lening aan [partij B sub 1] en zijn echtgenote, is doorgehaald bij akte doorhaling hypotheek van 23 februari 2018. 5.44. [partij A] stelt zich op het standpunt dat uit een viertal rentebetalingen door [partij C] in de maanden juli tot en met oktober 2016 – en dus na het overlijden van zowel erflater als erflaatster – volgt dat de lening van [partij C] op het moment dat erflaatster overleed grotendeels niet was afgelost. Volgens haar volgt uit de doorhaling van de hypotheek van [partij B sub 1] in 2018 dat ook deze lening nog bestond op het moment dat erflaatster overleed. 5.45. [partij B sub 1] en de bewindvoerder hebben gemotiveerd betwist dat de leningen nog bestonden op het moment van overlijden van erflaatster. Zij erkennen dat erflaters hypothecaire leningen hebben verstrekt aan [partij B sub 1] en [partij C] , maar zij stellen dat erflaters deze leningen in 2015 bij de verdeling van het vermogen op de beleggingsrekening in Luxemburg (hierna: het familievermogen) hebben verrekend. Zij voeren hiertoe aan dat erflaters tijdens een familieberaad in april 2015 met hun drie kinderen hebben afgesproken om alle eerdere voorschotten op de erfenis, in welke vorm dan ook, te verrekenen.
Volledig
Dit resulteerde in een ongelijke verdeling van het familievermogen, waarbij [partij A] een substantieel groter bedrag van erflaters heeft ontvangen dan [partij B sub 1] en [partij C] : [partij A] heeft namelijk een bedrag van € 191.643 ontvangen, terwijl aan [partij B sub 1] en [partij C] bedragen van respectievelijk € 134.144 en € 131.634 zijn uitgekeerd. Hoe die verdeling van het familievermogen exact tot stand is gekomen en welke eerdere schenkingen en leningen zij daarbij hebben betrokken, hebben erflaters niet inzichtelijk gemaakt. In ieder geval was het hun bedoeling dat met deze verdeling van het familievermogen de rest van de nalatenschap na hun overlijden gelijkelijk tussen de erfgenamen kon worden verdeeld. 5.46. Dat [partij C] na de verdeling van het familievermogen nog rentebetalingen heeft gedaan, komt volgens [partij B sub 1] omdat zij – door administratieve onzorgvuldigheid – is vergeten de periodieke overboekingen stop te zetten. De na het overlijden van erflaatster door [partij C] betaalde bedragen zijn bovendien aan haar terugbetaald. 5.47. [partij B sub 1] heeft verder nog toegelicht dat hij na het overlijden van erflaatster werd geconfronteerd met de omstandigheid dat het recht van hypotheek verbonden aan zijn lening bij erflaters nog niet was doorgehaald. Hij heeft vervolgens de doorhaling van de hypotheek via de notaris bewerkstelligd, waarbij hij heeft gehandeld met een volmacht van [partij A] en [partij C] . 5.48. In het licht van de gemotiveerde betwisting door [partij B sub 1] en de bewindvoerder, had het op de weg van [partij A] gelegen om nader bewijs te leveren van haar stelling dat de vorderingen op [partij B sub 1] en [partij C] wel degelijk tot de nalatenschap behoren. Dat heeft zij niet gedaan. [partij A] heeft tegenover de concrete toelichting van de gang van zaken rond de verdeling van het familievermogen in 2015 door [partij B sub 1] en de bewindvoerder, geen andersluidende sluitende verklaring kunnen geven voor de ongelijke verdeling van het familievermogen. Tegen die achtergrond zijn de rentebetalingen door [partij C] – die inmiddels onder bewind is gesteld – en de omstandigheid dat de hypotheek van [partij B sub 1] na het overlijden van erflaters is doorgehaald, onvoldoende om te kunnen oordelen dat de door [partij A] gestelde vorderingen op [partij B sub 1] en [partij C] tot de nalatenschap behoren. De vorderingen van [partij A] om voor recht te verklaren dat tot de nalatenschap opeisbare vorderingen behoren op [partij B sub 1] en [partij C] , zullen daarom worden afgewezen. Hoe nu verder? 5.49. De rechtbank zal iedere verdere beslissing in conventie en in reconventie aanhouden in afwachting van het taxatierapport van het vakantiehuis, het taxatierapport van de woning in [land] en de reactie hierop van partijen. 5.50. De zaak zal hiertoe worden verwezen naar de rol van 10 juni 2026. 6 De beslissing De rechtbank: in conventie en in reconventie 6.1. draagt partijen om de heer [naam] , expert immobilier bij Inter-france, binnen twee weken na heden opdracht te geven om de woning in [land] te taxeren op kosten van de nalatenschap en hiervan een gedetailleerd taxatierapport op te stellen. De opname van het pand dient plaats te vinden op een door de taxateur te bepalen dag, binnen twee maanden na heden. Partijen mogen daarbij aanwezig zijn. Bij de uit te voeren taxatie moeten de volgende uitgangspunten worden gehanteerd: de waarde van de woning in [land] moet worden getaxeerd tegen de reële marktwaarde; er moet een uitgebreid expertiserapport worden opgesteld conform de EVS; er moet een vergelijk worden gemaakt met referentie-objecten in de omgeving van de woning in [land] ; [partij A] heeft percelen grond, gelegen aan het perceel waarop de woning in [land] staat en die toegang geven tot de openbare weg, in eigendom, en niet in geschil is dat de eigendom van deze percelen een waardeverhogend effect heeft op de waarde van de woning in [land] . De taxateur dient de waarde van de woning in [land] vast te stellen inclusief het waardeverhogend effect dat van de eigendom van deze percelen uitgaat en dit waardeverhogend effect inzichtelijk te maken in het rapport; 6.2. verwijst de zaak naar de rol van 10 juni 2026 voor het nemen van een akte door partijen, waarbij één van partijen het taxatierapport in het geding moet brengen en partijen schriftelijk en gemotiveerd kunnen aangegeven of zij al dan niet kunnen instemmen met de getaxeerde waarde of zij de woning in [land] tegen deze waarde willen en kunnen overnemen; hierna zal de rechtbank eindvonnis wijzen 6.3. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Hartendorp en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026. 1366 HR 26 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8521, r.o. 3.5, en HR 16 december 2022, ECLI:NL:HR: 2022:1873, r.o. 3.3. Hoge Raad 22 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA9143
Volledig
Dit resulteerde in een ongelijke verdeling van het familievermogen, waarbij [partij A] een substantieel groter bedrag van erflaters heeft ontvangen dan [partij B sub 1] en [partij C] : [partij A] heeft namelijk een bedrag van € 191.643 ontvangen, terwijl aan [partij B sub 1] en [partij C] bedragen van respectievelijk € 134.144 en € 131.634 zijn uitgekeerd. Hoe die verdeling van het familievermogen exact tot stand is gekomen en welke eerdere schenkingen en leningen zij daarbij hebben betrokken, hebben erflaters niet inzichtelijk gemaakt. In ieder geval was het hun bedoeling dat met deze verdeling van het familievermogen de rest van de nalatenschap na hun overlijden gelijkelijk tussen de erfgenamen kon worden verdeeld. 5.46. Dat [partij C] na de verdeling van het familievermogen nog rentebetalingen heeft gedaan, komt volgens [partij B sub 1] omdat zij – door administratieve onzorgvuldigheid – is vergeten de periodieke overboekingen stop te zetten. De na het overlijden van erflaatster door [partij C] betaalde bedragen zijn bovendien aan haar terugbetaald. 5.47. [partij B sub 1] heeft verder nog toegelicht dat hij na het overlijden van erflaatster werd geconfronteerd met de omstandigheid dat het recht van hypotheek verbonden aan zijn lening bij erflaters nog niet was doorgehaald. Hij heeft vervolgens de doorhaling van de hypotheek via de notaris bewerkstelligd, waarbij hij heeft gehandeld met een volmacht van [partij A] en [partij C] . 5.48. In het licht van de gemotiveerde betwisting door [partij B sub 1] en de bewindvoerder, had het op de weg van [partij A] gelegen om nader bewijs te leveren van haar stelling dat de vorderingen op [partij B sub 1] en [partij C] wel degelijk tot de nalatenschap behoren. Dat heeft zij niet gedaan. [partij A] heeft tegenover de concrete toelichting van de gang van zaken rond de verdeling van het familievermogen in 2015 door [partij B sub 1] en de bewindvoerder, geen andersluidende sluitende verklaring kunnen geven voor de ongelijke verdeling van het familievermogen. Tegen die achtergrond zijn de rentebetalingen door [partij C] – die inmiddels onder bewind is gesteld – en de omstandigheid dat de hypotheek van [partij B sub 1] na het overlijden van erflaters is doorgehaald, onvoldoende om te kunnen oordelen dat de door [partij A] gestelde vorderingen op [partij B sub 1] en [partij C] tot de nalatenschap behoren. De vorderingen van [partij A] om voor recht te verklaren dat tot de nalatenschap opeisbare vorderingen behoren op [partij B sub 1] en [partij C] , zullen daarom worden afgewezen. Hoe nu verder? 5.49. De rechtbank zal iedere verdere beslissing in conventie en in reconventie aanhouden in afwachting van het taxatierapport van het vakantiehuis, het taxatierapport van de woning in [land] en de reactie hierop van partijen. 5.50. De zaak zal hiertoe worden verwezen naar de rol van 10 juni 2026. 6 De beslissing De rechtbank: in conventie en in reconventie 6.1. draagt partijen om de heer [naam] , expert immobilier bij Inter-france, binnen twee weken na heden opdracht te geven om de woning in [land] te taxeren op kosten van de nalatenschap en hiervan een gedetailleerd taxatierapport op te stellen. De opname van het pand dient plaats te vinden op een door de taxateur te bepalen dag, binnen twee maanden na heden. Partijen mogen daarbij aanwezig zijn. Bij de uit te voeren taxatie moeten de volgende uitgangspunten worden gehanteerd: de waarde van de woning in [land] moet worden getaxeerd tegen de reële marktwaarde; er moet een uitgebreid expertiserapport worden opgesteld conform de EVS; er moet een vergelijk worden gemaakt met referentie-objecten in de omgeving van de woning in [land] ; [partij A] heeft percelen grond, gelegen aan het perceel waarop de woning in [land] staat en die toegang geven tot de openbare weg, in eigendom, en niet in geschil is dat de eigendom van deze percelen een waardeverhogend effect heeft op de waarde van de woning in [land] . De taxateur dient de waarde van de woning in [land] vast te stellen inclusief het waardeverhogend effect dat van de eigendom van deze percelen uitgaat en dit waardeverhogend effect inzichtelijk te maken in het rapport; 6.2. verwijst de zaak naar de rol van 10 juni 2026 voor het nemen van een akte door partijen, waarbij één van partijen het taxatierapport in het geding moet brengen en partijen schriftelijk en gemotiveerd kunnen aangegeven of zij al dan niet kunnen instemmen met de getaxeerde waarde of zij de woning in [land] tegen deze waarde willen en kunnen overnemen; hierna zal de rechtbank eindvonnis wijzen 6.3. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Hartendorp en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026. 1366 HR 26 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8521, r.o. 3.5, en HR 16 december 2022, ECLI:NL:HR: 2022:1873, r.o. 3.3. Hoge Raad 22 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA9143