Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-04-03
ECLI:NL:RBDHA:2026:9367
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 23/782 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2026 in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr. L. Orie) en het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard, het college ([gemachtigde]). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering die eiser op grond van de Participatiewet (Pw) heeft ontvangen. Eiser is het er niet mee eens dat zijn bijstandsuitkering is ingetrokken en teruggevorderd. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de bijstandsuitkering van eiser terecht heeft ingetrokken en teruggevorderd. Het college heeft echter het terugvorderingsbedrag over de periode van 1 juni 2021 tot en met 30 juni 2021 onjuist vastgesteld. Eiser krijgt dus gedeeltelijk gelijk. Dit betekent dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft . Procesverloop 2. Bij besluit van 28 december 2021 (primair besluit 1) heeft het college de bijstandsuitkering van eiser ingetrokken met ingang van 1 juli 2021 omdat eiser onvoldoende inzage heeft gegeven in zijn boekhouding waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. 2.1. Bij besluit van 13 juli 2022 (primair besluit 2) heeft het college primair besluit 1 ingetrokken. Het college heeft het recht op bijstand ingetrokken met ingang van 1 juni 2021 en heeft het recht op bijstand beëindigd vanaf 1 juli 2021. Ook heeft het college € 1.075,44 aan te veel ontvangen bijstand over de maand juni 2021 teruggevorderd. Verder komt eiser vanaf 1 september 2021 niet opnieuw in aanmerking voor bijstand omdat zijn vermogen boven de norm uitkomt. 2.2. Met het bestreden besluit van 21 december 2022 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven. 2.3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hierbij was de gemachtigde van het college aanwezig. Eiser en zijn gemachtigde hebben deelgenomen met behulp van een beeldverbinding. Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Eiser ontving sinds 22 maart 2019 een bijstandsuitkering. Eiser verrichtte daarbij seizoensgebonden werkzaamheden voor zwembad [naam]. De inkomsten werden met zijn bijstandsuitkering verrekend. Op 11 mei 2021 heeft eiser toestemming gekregen om met behoud van zijn bijstandsuitkering een eigen bedrijf te starten voor de periode van 21 mei 2021 tot en met 31 december 2021. Bij brief van 28 oktober 2021 heeft het college aan eiser verzocht om uiterlijk 4 november 2021 zijn boekhouding met betrekking tot zijn werkzaamheden over te leggen. Bij brief van 9 november 2021 heeft het college eiser nogmaals verzocht om zijn boekhouding. Bij brief van 30 november 2021 heeft het college aan eiser medegedeeld dat niet alle gevraagde gegevens zijn overgelegd. Vervolgens heeft het college de primaire besluiten genomen. 3.1. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de inkomsten van eiser in de maanden juni, juli en augustus van 2021 hoger waren dan de voor hem geldende bijstandsnorm. In deze periode bestond er daarom geen recht op bijstand. Bij incidenteel inkomen boven de bijstandsnorm wordt de bijstandsuitkering in principe na twee maanden beëindigd. Het college ziet geen reden om hier in het geval van eiser van af te wijken. Dat verzuimd is om middels overleg tot maatwerk te komen, doet niets af aan het wettelijk kader dat vereist dat de ontvanger van bijstand in bijstandsbehoevende omstandigheden moet verkeren. Hiervan was bij eiser kennelijk geen sprake, nu hij inkomen boven de bijstandsnorm had en hij naar eigen zeggen pas in december 2021 opmerkte dat hij geen bijstand meer ontving. Er is daarom terecht besloten de bijstandsuit Uit artikel 5.4.1 van de Uitvoeringsrichtlijnen en werkinstructies Werk, Participatie en Inkomen 2022 volgt dat het college de gedragsregel hanteert dat als gedurende twee maanden sprake is van inkomen boven de bijstandsnorm, de bijstandsuitkering (met terugwerkende kracht) wordt ingetrokken. In de situatie dat er sprake is van een wisselend inkomen, is overleg met de inwoner noodzakelijk. Op die manier is het mogelijk om direct in te spelen op eventueel gewijzigde omstandigheden en samen me de inwoner tot een goede oplossing te komen. 7.3. De gedragsregel die het college hanteert is niet in strijd met de Pw. 7.4. De inkomsten van eiser uit zijn werkzaamheden voor het zwembad lagen in ieder geval in de maanden juli 2021 en augustus 2021 boven de voor hem geldende bijstandsnorm. Het college heeft daarom het recht op bijstand mogen intrekken met ingang van 1 juli 2021. Het is de rechtbank niet gebleken dat het college niet in redelijkheid aan zijn gedragsregel mocht vasthouden. Voor zover er afspraken zijn gemaakt tussen eiser en het college zagen deze op de werkzaamheden die eiser zou gaan uitvoeren als zelfstandige. Het zou daarbij gaan om IT-activiteiten en webdesign. Deze afspraken zijn neergelegd in het besluit van 11 mei 2021. De evaluatie aan het eind van het kalenderjaar was bedoeld om in het kader van de re-integratie na te aan of volledige uitstroom mogelijk was. Dat eiser zijn seizoensgebonden werkzaamheden bij het zwembad ook onder zijn bedrijf zou scharen en dat hij als ZZP’er een hoger tarief kon en zou gaan vragen, was niet bij het college bekend. Eiser heeft hiervoor zijn inschrijving bij de Kamer van Koophandel al webdesigner gebruikt. Met de IT-activiteiten heeft eiser vervolgens geen inkomen verworven. Het college is hier pas later mee bekend geworden. Voor zover eiser de bedoeling had om het inkomen van mei 2021 tot en met december 2021 te middelen, zijn hier geen afspraken over bekend. 7.5. Daarbij heeft het college getracht maatwerk te leveren door bij de intrekking van het recht op bijstand na te gaan of eiser vanaf 1 september 2021 opnieuw in aanmerking zou kunnen komen voor een bijstandsuitkering. In dit kader heeft het college overwogen dat het vermogen van eiser op 1 september 2021 (ver) boven de vermogensgrens uitkwam, waardoor er geen recht op bijstand bestond. Spaargeld opgebouwd tijdens bijstandsverlening 8. Eiser voert aan dat spaargeld dat hij heeft opgebouwd in de periode dat hij een bijstandsuitkering ontving niet mag worden aangemerkt als vermogen. Bij het vaststellen van de bezittingen moet het vermogen gecorrigeerd worden met het bedrag dat aantoonbaar uit de bijstand is gespaard. Dit valt te controleren aan de hand van de bankafschriften. 8.1. Het betoog van eiser slaagt niet. Het bepaalde in artikel 34, tweede lid, aanhef en onder c, van de Pw is namelijk niet van toepassing op tijdens een eerdere bijstandsperiode opgebouwde spaargelden, maar uitsluitend op spaargelden die tijdens een nog lopende bijstandsperiode worden opgebouwd. Omdat de bijstandsuitkering van eiser is ingetrokken per 1 juli 2021 is er geen sprake van een lopende bijstandsperiode. Dit betekent dat het college bij de beoordeling van de vraag of eiser vanaf 1 september 2021 in aanmerking zou komen voor een bijstandsuitkering heeft kunnen concluderen dat het vermogen van eiser van € 13.964,09 boven het vrij te laten vermogen uitkwam, en dat er daarom geen recht op bijstand bestond. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is gegrond omdat aan het bestreden besluit een gebrek kleeft. Het college heeft namelijk het terugvorderingsbedrag over de periode van 1 juni 2021 tot en met 30 juni 2021 onjuist vastgesteld. Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit voor zover dit ziet op de terugvordering over de periode van 1 juni 2021 tot en met 30 juni 2021. Dat betekent dat de intrekking over de periode van 1 juli 2021 tot en met 31 augustus 2021 in stand blijft. Omdat aan het besluit van 13 juli 2022 hetzelfde gebrek kleeft a