Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-03
ECLI:NL:RBDHA:2026:9240
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,842 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9240 text/xml public 2026-04-17T08:55:59 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-03 NL26.17161 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9240 text/html public 2026-04-17T08:55:28 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9240 Rechtbank Den Haag , 03-04-2026 / NL26.17161 Bewaring; vervolgberoep; kennisgeving te vroeg; ten onrechte kennisgeving; handhaaft het beroep; asielaanvraag en in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Vw 2000, omdat hij beschikbaar dient te zijn voor de behandeling van zijn asielaanvraag; Anders dan de gemachtigde van eiser meent is derhalve geen sprake van een bewaring die is gericht op uitzetting; medische klachten maar detentiegeschikt; medische voorzieningen in het detentiecentrum vergelijkbaar met de medische zorg in de vrije maatschappij; Niet is gebleken dat de zorg die eiser nodig heeft in de detentie-instelling niet voorhanden zijn; gelet op gronden bewaring geen lichter middel; meldplicht enkel mogelijk als eiser meewerkt aan zijn terugkeer; geen omstandigheden aangevoerd dat bewaring onevenredig zwaar is; feitencomplex; verzwaarde belangenafweging; eiser had eerder een asielverzoek kunnen indienen dan een dag voor zijn mogelijke uitzetting; frustreren vertrek uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.17161 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. D. Gürses), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: R. Hopman). Procesverloop De minister heeft op 27 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. De rechtbank heeft de rechtmatigheid van deze maatregel van bewaring al eerder getoetst. Uit de uitspraak van deze zittingsplaats van 20 maart 2026 (in de zaak NL26.11617) volgt dat de bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek in die zaak op 16 maart 2026, rechtmatig was. De minister heeft de rechtbank door middel van een (door een administratieve fout te vroeg ingediende) kennisgeving van 27 maart 2026 van de voortduring van de maatregel in kennis gesteld en een voortgangsrapportage overgelegd. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Eiser heeft daarop gereageerd en aangegeven dat hij – hoewel hij onderkent dat de kennisgeving ten onrechte is uitgegaan – het beroep handhaaft. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek op 2 april 2026 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Overwegingen 1. Over wat eiser in beroep heeft aangevoerd overweegt de rechtbank als volgt. Het voortvarendheidsvereiste 2. Eiser is in verband met zijn asielaanvraag, ingediend op 26 februari 2026, in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Vw 2000, omdat hij beschikbaar dient te zijn voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Anders dan de gemachtigde van eiser meent is derhalve geen sprake van een bewaring die is gericht op uitzetting. Het betoog dat de minister (thans) niet voortvarend aan de uitzetting van eiser werkt kan daarom niet slagen. Detentiegeschiktheid 3. Voor zover eiser met zijn stelling over zijn medische klachten beoogt te betogen dat hij detentieongeschikt is, oordeelt de rechtbank dat het op de weg van eiser ligt om (met medische stukken) te onderbouwen dat hij als gevolg van zijn medische klachten detentieongeschikt is. Eiser heeft dit niet gedaan, en heeft zijn standpunt ook niet op andere wijze nader onderbouwd. De rechtbank ziet in het dossier ook geen concrete aanknopingspunten voor de stelling dat eiser detentieongeschikt is. Verder overweegt de rechtbank dat de medische voorzieningen in het detentiecentrum vergelijkbaar moeten worden verondersteld met de medische zorg in de vrije maatschappij. Niet is gebleken dat de zorg die eiser nodig heeft in de detentie-instelling niet voorhanden zijn. De beroepsgrond slaagt niet. Lichter middel 4. De rechtbank is, onder verwijzing naar haar eerdere uitspraak van 20 maart 2026 (in de zaak NL26.11617), rechtsoverweging 6, van oordeel dat de minister zich, gelet op de gronden die met juistheid aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, op het standpunt heeft kunnen stellen dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast. Dit betekent dat het risico dat eiser zich aan het toezicht op vreemdelingen zal onttrekken, onverkort aanwezig is. De minister heeft in zijn verweerschrift van 1 april 2026 verder toegelicht dat de toepassing van een lichter middel, zoals bijvoorbeeld een meldplicht, enkel mogelijk wanneer aannemelijk is dat eiser ook daadwerkelijk zijn volle medewerking verleent aan zijn terugkeerproces zodra de asielprocedure is afgerond. Hiervan is, gezien de inhoud van de met eiser gevoerde vertrekgesprekken, in het geval van eiser geen sprake. Eiser heeft evenmin omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de bewaring onevenredig bezwarend moet worden geacht. Eisers verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 22 januari 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:1305) slaagt gelet op het vorenstaande niet. Over eisers verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi) merkt de rechtbank op dat er geen sprake is van vergelijkbare situatie, omdat aan dat arrest ten grondslag liggende feitencomplex, te weten de duur van de bewaring, anders is dan in deze zaak. De beroepsgrond slaagt daarom niet. Belangenafweging 5. Uit de voortgangsgegevens blijkt dat de minister op 3 maart 2026 een verzwaarde belangenafweging heeft gemaakt. Daarbij heeft de minister meegewogen dat eiser eerder een asielverzoek had kunnen indienen. De minister heeft in zijn verweerschrift van 1 april 2026 toegelicht dat eiser één dag voor zijn mogelijke uitreis op 27 februari 2026 asiel heeft aangevraagd en dat hiermee het voortduren van de maatregel van bewaring voor zijn eigen rekening en risicokomt. Zoals de rechtbank al eerder heeft overwogen in de uitspraak van 20 maart 2026 (in de zaak NL26.11617) heeft de minister in redelijkheid mogen aannemen dat het er alle schijn van heeft dat eiser het asielverzoek heeft ingediend om zijn feitelijk vertrek te frustreren.. Over wat eiser in het kader van de belangenafweging verder aanvoert, oordeelt de rechtbank dat er geen feiten of omstandigheden zijn die – gelet op de duur van deze bewaring – voor de minister aanleiding hadden moeten zijn de bewaring bij een afweging van de belangen op te heffen. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Ambtshalve toetsing 6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was. Conclusie 7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van N. Dayerizadeh, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 03 april 2026 Documentcode: [Documentcode] Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9240 text/xml public 2026-04-17T08:55:59 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-03 NL26.17161 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9240 text/html public 2026-04-17T08:55:28 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9240 Rechtbank Den Haag , 03-04-2026 / NL26.17161 Bewaring; vervolgberoep; kennisgeving te vroeg; ten onrechte kennisgeving; handhaaft het beroep; asielaanvraag en in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Vw 2000, omdat hij beschikbaar dient te zijn voor de behandeling van zijn asielaanvraag; Anders dan de gemachtigde van eiser meent is derhalve geen sprake van een bewaring die is gericht op uitzetting; medische klachten maar detentiegeschikt; medische voorzieningen in het detentiecentrum vergelijkbaar met de medische zorg in de vrije maatschappij; Niet is gebleken dat de zorg die eiser nodig heeft in de detentie-instelling niet voorhanden zijn; gelet op gronden bewaring geen lichter middel; meldplicht enkel mogelijk als eiser meewerkt aan zijn terugkeer; geen omstandigheden aangevoerd dat bewaring onevenredig zwaar is; feitencomplex; verzwaarde belangenafweging; eiser had eerder een asielverzoek kunnen indienen dan een dag voor zijn mogelijke uitzetting; frustreren vertrek uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.17161 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. D. Gürses), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: R. Hopman). Procesverloop De minister heeft op 27 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. De rechtbank heeft de rechtmatigheid van deze maatregel van bewaring al eerder getoetst. Uit de uitspraak van deze zittingsplaats van 20 maart 2026 (in de zaak NL26.11617) volgt dat de bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek in die zaak op 16 maart 2026, rechtmatig was. De minister heeft de rechtbank door middel van een (door een administratieve fout te vroeg ingediende) kennisgeving van 27 maart 2026 van de voortduring van de maatregel in kennis gesteld en een voortgangsrapportage overgelegd. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Eiser heeft daarop gereageerd en aangegeven dat hij – hoewel hij onderkent dat de kennisgeving ten onrechte is uitgegaan – het beroep handhaaft. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek op 2 april 2026 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Overwegingen 1. Over wat eiser in beroep heeft aangevoerd overweegt de rechtbank als volgt. Het voortvarendheidsvereiste 2. Eiser is in verband met zijn asielaanvraag, ingediend op 26 februari 2026, in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Vw 2000, omdat hij beschikbaar dient te zijn voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Anders dan de gemachtigde van eiser meent is derhalve geen sprake van een bewaring die is gericht op uitzetting. Het betoog dat de minister (thans) niet voortvarend aan de uitzetting van eiser werkt kan daarom niet slagen. Detentiegeschiktheid 3. Voor zover eiser met zijn stelling over zijn medische klachten beoogt te betogen dat hij detentieongeschikt is, oordeelt de rechtbank dat het op de weg van eiser ligt om (met medische stukken) te onderbouwen dat hij als gevolg van zijn medische klachten detentieongeschikt is. Eiser heeft dit niet gedaan, en heeft zijn standpunt ook niet op andere wijze nader onderbouwd. De rechtbank ziet in het dossier ook geen concrete aanknopingspunten voor de stelling dat eiser detentieongeschikt is. Verder overweegt de rechtbank dat de medische voorzieningen in het detentiecentrum vergelijkbaar moeten worden verondersteld met de medische zorg in de vrije maatschappij. Niet is gebleken dat de zorg die eiser nodig heeft in de detentie-instelling niet voorhanden zijn. De beroepsgrond slaagt niet. Lichter middel 4. De rechtbank is, onder verwijzing naar haar eerdere uitspraak van 20 maart 2026 (in de zaak NL26.11617), rechtsoverweging 6, van oordeel dat de minister zich, gelet op de gronden die met juistheid aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, op het standpunt heeft kunnen stellen dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast. Dit betekent dat het risico dat eiser zich aan het toezicht op vreemdelingen zal onttrekken, onverkort aanwezig is. De minister heeft in zijn verweerschrift van 1 april 2026 verder toegelicht dat de toepassing van een lichter middel, zoals bijvoorbeeld een meldplicht, enkel mogelijk wanneer aannemelijk is dat eiser ook daadwerkelijk zijn volle medewerking verleent aan zijn terugkeerproces zodra de asielprocedure is afgerond. Hiervan is, gezien de inhoud van de met eiser gevoerde vertrekgesprekken, in het geval van eiser geen sprake. Eiser heeft evenmin omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de bewaring onevenredig bezwarend moet worden geacht. Eisers verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 22 januari 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:1305) slaagt gelet op het vorenstaande niet. Over eisers verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi) merkt de rechtbank op dat er geen sprake is van vergelijkbare situatie, omdat aan dat arrest ten grondslag liggende feitencomplex, te weten de duur van de bewaring, anders is dan in deze zaak. De beroepsgrond slaagt daarom niet. Belangenafweging 5. Uit de voortgangsgegevens blijkt dat de minister op 3 maart 2026 een verzwaarde belangenafweging heeft gemaakt. Daarbij heeft de minister meegewogen dat eiser eerder een asielverzoek had kunnen indienen. De minister heeft in zijn verweerschrift van 1 april 2026 toegelicht dat eiser één dag voor zijn mogelijke uitreis op 27 februari 2026 asiel heeft aangevraagd en dat hiermee het voortduren van de maatregel van bewaring voor zijn eigen rekening en risicokomt. Zoals de rechtbank al eerder heeft overwogen in de uitspraak van 20 maart 2026 (in de zaak NL26.11617) heeft de minister in redelijkheid mogen aannemen dat het er alle schijn van heeft dat eiser het asielverzoek heeft ingediend om zijn feitelijk vertrek te frustreren.. Over wat eiser in het kader van de belangenafweging verder aanvoert, oordeelt de rechtbank dat er geen feiten of omstandigheden zijn die – gelet op de duur van deze bewaring – voor de minister aanleiding hadden moeten zijn de bewaring bij een afweging van de belangen op te heffen. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Ambtshalve toetsing 6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was. Conclusie 7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van N. Dayerizadeh, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 03 april 2026 Documentcode: [Documentcode] Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.