Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-01
ECLI:NL:RBDHA:2026:9236
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,882 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9236 text/xml public 2026-04-17T08:53:29 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-01 NL26.16802 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9236 text/html public 2026-04-17T08:53:08 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9236 Rechtbank Den Haag , 01-04-2026 / NL26.16802 Bewaring; vervolgberoep; zicht op uitzetting naar Marokko; De minister heeft tot op heden geen bericht van de Marokkaanse autoriteiten ontvangen dat geen lp voor eiser zal worden afgegeven. De rechtbank merkt daarbij op dat de minister voor wat betreft het plannen van een presentatie afhankelijk is van de Marokkaanse autoriteiten en hier beperkt invloed op kan uitoefenen; eiser wenst niet terug te keren naar Marokko; meerdere aliassen; Dit bemoeilijkt het onderzoek; rechtsplicht; uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.16802 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A.K.E. van den Heuvel), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: ). Procesverloop De minister heeft op 11 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Overwegingen 1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1998. 2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. 3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 5 februari 2026 (in de zaak NL26.4414) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek. 4. Over hetgeen eiser heeft aangevoerd, dat er op neerkomt dat er geen zicht op uitzetting is naar Marokko en dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting, overweegt de rechtbank als volgt. Zicht op uitzetting en voortvarendheidsvereiste 5. Zoals de rechtbank in de uitspraak van 5 februari 2026 heeft overwogen is het zicht op uitzetting naar Marokko is in beginsel aanwezig. De minister heeft dit in het verweerschrift nog nader onderbouwd. In het geval van eiser blijkt uit de voortgangsgegevens van 26 maart 2026 dat het onderzoek bij de Marokkaanse autoriteiten loopt en dat de minister laatstelijk op 19 februari 2026 en 12 maart 2026 heeft gerappelleerd bij deze autoriteiten met betrekking tot de afgifte van een laissez passer (lp). Dat het onderzoek al enige tijd duurt is op zichzelf niet doorslaggevend. De minister heeft tot op heden geen bericht van de Marokkaanse autoriteiten ontvangen dat geen lp voor eiser zal worden afgegeven. De rechtbank merkt daarbij op dat de minister voor wat betreft het plannen van een presentatie afhankelijk is van de Marokkaanse autoriteiten en hier beperkt invloed op kan uitoefenen. Verder heeft de minister op 9 februari 2026 en 12 maart 2026 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Uit de verslagen van deze vertrekgesprekken blijkt dat eiser niet wenst terug te keren naar Marokko. Op eiser rust de plicht om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen en om ook zelf de nodige, controleerbare inspanningen te verrichten om dergelijke gegevens te verkrijgen. Niet gebleken is dat eiser invulling heeft gegeven aan die medewerkingsplicht. Eiser heeft geen documenten overgelegd en maakt, zo blijkt uit de voortgangsgegevens en het verweerschrift, gebruik van meerdere aliassen. Dit bemoeilijkt het onderzoek. Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen zicht op uitzetting is naar Marokko in eisers geval of dat de minister onvoldoende voortvarend handelt bij voorbereiding van eisers uitzetting. De beroepsgronden slagen daarom niet. Ambtshalve toetsing 6. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is. Conclusie 7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van N. Dayerizadeh, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 01 april 2026 Documentcode: [Documentcode] Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9236 text/xml public 2026-04-17T08:53:29 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-01 NL26.16802 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9236 text/html public 2026-04-17T08:53:08 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9236 Rechtbank Den Haag , 01-04-2026 / NL26.16802 Bewaring; vervolgberoep; zicht op uitzetting naar Marokko; De minister heeft tot op heden geen bericht van de Marokkaanse autoriteiten ontvangen dat geen lp voor eiser zal worden afgegeven. De rechtbank merkt daarbij op dat de minister voor wat betreft het plannen van een presentatie afhankelijk is van de Marokkaanse autoriteiten en hier beperkt invloed op kan uitoefenen; eiser wenst niet terug te keren naar Marokko; meerdere aliassen; Dit bemoeilijkt het onderzoek; rechtsplicht; uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.16802 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A.K.E. van den Heuvel), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: ). Procesverloop De minister heeft op 11 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Overwegingen 1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1998. 2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. 3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 5 februari 2026 (in de zaak NL26.4414) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek. 4. Over hetgeen eiser heeft aangevoerd, dat er op neerkomt dat er geen zicht op uitzetting is naar Marokko en dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting, overweegt de rechtbank als volgt. Zicht op uitzetting en voortvarendheidsvereiste 5. Zoals de rechtbank in de uitspraak van 5 februari 2026 heeft overwogen is het zicht op uitzetting naar Marokko is in beginsel aanwezig. De minister heeft dit in het verweerschrift nog nader onderbouwd. In het geval van eiser blijkt uit de voortgangsgegevens van 26 maart 2026 dat het onderzoek bij de Marokkaanse autoriteiten loopt en dat de minister laatstelijk op 19 februari 2026 en 12 maart 2026 heeft gerappelleerd bij deze autoriteiten met betrekking tot de afgifte van een laissez passer (lp). Dat het onderzoek al enige tijd duurt is op zichzelf niet doorslaggevend. De minister heeft tot op heden geen bericht van de Marokkaanse autoriteiten ontvangen dat geen lp voor eiser zal worden afgegeven. De rechtbank merkt daarbij op dat de minister voor wat betreft het plannen van een presentatie afhankelijk is van de Marokkaanse autoriteiten en hier beperkt invloed op kan uitoefenen. Verder heeft de minister op 9 februari 2026 en 12 maart 2026 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Uit de verslagen van deze vertrekgesprekken blijkt dat eiser niet wenst terug te keren naar Marokko. Op eiser rust de plicht om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen en om ook zelf de nodige, controleerbare inspanningen te verrichten om dergelijke gegevens te verkrijgen. Niet gebleken is dat eiser invulling heeft gegeven aan die medewerkingsplicht. Eiser heeft geen documenten overgelegd en maakt, zo blijkt uit de voortgangsgegevens en het verweerschrift, gebruik van meerdere aliassen. Dit bemoeilijkt het onderzoek. Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen zicht op uitzetting is naar Marokko in eisers geval of dat de minister onvoldoende voortvarend handelt bij voorbereiding van eisers uitzetting. De beroepsgronden slagen daarom niet. Ambtshalve toetsing 6. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is. Conclusie 7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van N. Dayerizadeh, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 01 april 2026 Documentcode: [Documentcode] Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.