Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-17
ECLI:NL:RBDHA:2026:9221
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,777 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9221 text/xml public 2026-04-17T08:46:59 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-17 NL26.12342 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9221 text/html public 2026-04-17T08:46:48 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9221 Rechtbank Den Haag , 17-03-2026 / NL26.12342 Bewaring; vervolgberoep; ongegrond; gelet op uitzettingshandelingen voldoende voortvarend; kopie paspoort bij lp-aanvraag meegezonden; de minister is in afwachting van een origineel document; aanvraag in onderzoek; geen aanleiding te twijfelen aan de door minister verstrekte informatie met betrekking tot de gevoerde correspondentie met de Oostenrijkse alsmede de Algerijnse autoriteiten; geen aanleiding om op dossierniveau te rappelleren; diplomatieke verkeer; geen interesse in een vertrekgesprek; rechtsplicht; uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.12342 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. H. Palanciyan), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. G. Cambier). Procesverloop De minister heeft op 1 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Overwegingen 1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1992. 2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. 3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 13 februari 2026 (in de zaak NL26.5556) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek. 4. Over hetgeen eiser heeft aangevoerd, dat er in de kern op neerkomt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser, overweegt de rechtbank als volgt. Het voortvarendheidsvereiste 5. De minister heeft op 9 februari 2026 een aanvraag om afgifte van een laissez passer (lp) doorgeleid naar de Algerijnse autoriteiten. De minister heeft in zijn verweerschrift van 11 maart 2026 toegelicht dat een kopie van eisers paspoort is meegezonden naar de Algerijnse autoriteiten bij deze aanvraag. De minister is in afwachting van een origineel document van eiser uit Oostenrijk. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de door minister verstrekte informatie met betrekking tot de gevoerde correspondentie met de Oostenrijkse alsmede de Algerijnse autoriteiten. De aanvraag om afgifte van een lp is nog in onderzoek bij de Algerijnse autoriteiten. De minister rappelleert regelmatig bij deze autoriteiten naar de stand van zaken, laatstelijk op 19 februari 2026. De rechtbank overweegt verder dat geen specifieke omstandigheden zijn gesteld of gebleken die de minister nopen om op dossierniveau te rappelleren. Het is in dit verband in hoge mate aan de Algerijnse autoriteiten en aan de minister om te bepalen hoe het diplomatieke verkeer vorm wordt gegeven. De minister heeft daarnaast op 18 februari 2026 getracht een vertrekgesprek te voeren met eiser. Uit het verslag van dit vertrekgesprek blijkt dat eiser te kennen heeft gegeven geen interesse te hebben in een gesprek. De rechtbank benadrukt dat op eiser de rechtsplicht rust om Nederland te verlaten. Deze plicht brengt onder meer mee dat hij actieve en volledige medewerking aan zijn uitzetting dient te verlenen. Tot dusver is niet gebleken dat eiser die medewerking verleent. Gelet op de verrichte uitzettingshandelingen ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. De beroepsgrond slaagt daarom niet. Ambtshalve toetsing 6. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is. Conclusie 7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van N. Dayerizadeh, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 17 maart 2026 Documentcode: [Documentcode] Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9221 text/xml public 2026-04-17T08:46:59 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-17 NL26.12342 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9221 text/html public 2026-04-17T08:46:48 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9221 Rechtbank Den Haag , 17-03-2026 / NL26.12342 Bewaring; vervolgberoep; ongegrond; gelet op uitzettingshandelingen voldoende voortvarend; kopie paspoort bij lp-aanvraag meegezonden; de minister is in afwachting van een origineel document; aanvraag in onderzoek; geen aanleiding te twijfelen aan de door minister verstrekte informatie met betrekking tot de gevoerde correspondentie met de Oostenrijkse alsmede de Algerijnse autoriteiten; geen aanleiding om op dossierniveau te rappelleren; diplomatieke verkeer; geen interesse in een vertrekgesprek; rechtsplicht; uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.12342 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. H. Palanciyan), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. G. Cambier). Procesverloop De minister heeft op 1 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Overwegingen 1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1992. 2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. 3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 13 februari 2026 (in de zaak NL26.5556) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek. 4. Over hetgeen eiser heeft aangevoerd, dat er in de kern op neerkomt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser, overweegt de rechtbank als volgt. Het voortvarendheidsvereiste 5. De minister heeft op 9 februari 2026 een aanvraag om afgifte van een laissez passer (lp) doorgeleid naar de Algerijnse autoriteiten. De minister heeft in zijn verweerschrift van 11 maart 2026 toegelicht dat een kopie van eisers paspoort is meegezonden naar de Algerijnse autoriteiten bij deze aanvraag. De minister is in afwachting van een origineel document van eiser uit Oostenrijk. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de door minister verstrekte informatie met betrekking tot de gevoerde correspondentie met de Oostenrijkse alsmede de Algerijnse autoriteiten. De aanvraag om afgifte van een lp is nog in onderzoek bij de Algerijnse autoriteiten. De minister rappelleert regelmatig bij deze autoriteiten naar de stand van zaken, laatstelijk op 19 februari 2026. De rechtbank overweegt verder dat geen specifieke omstandigheden zijn gesteld of gebleken die de minister nopen om op dossierniveau te rappelleren. Het is in dit verband in hoge mate aan de Algerijnse autoriteiten en aan de minister om te bepalen hoe het diplomatieke verkeer vorm wordt gegeven. De minister heeft daarnaast op 18 februari 2026 getracht een vertrekgesprek te voeren met eiser. Uit het verslag van dit vertrekgesprek blijkt dat eiser te kennen heeft gegeven geen interesse te hebben in een gesprek. De rechtbank benadrukt dat op eiser de rechtsplicht rust om Nederland te verlaten. Deze plicht brengt onder meer mee dat hij actieve en volledige medewerking aan zijn uitzetting dient te verlenen. Tot dusver is niet gebleken dat eiser die medewerking verleent. Gelet op de verrichte uitzettingshandelingen ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. De beroepsgrond slaagt daarom niet. Ambtshalve toetsing 6. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is. Conclusie 7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van N. Dayerizadeh, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 17 maart 2026 Documentcode: [Documentcode] Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.