Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-15
ECLI:NL:RBDHA:2026:9179
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
12,045 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9179 text/xml public 2026-04-29T10:05:20 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-15 NL25.59217 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9179 text/html public 2026-04-23T07:46:31 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9179 Rechtbank Den Haag , 15-04-2026 / NL25.59217 Asiel Syrië - geen gegronde vrees voor vervolging vanwege Koerdische etniciteit - voldoende gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Aleppo - onvoldoende gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM gelet op arrest Sufi en Elmi - beroep gegrond. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL25.59217 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. E.G. Grigorjan), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen van verweerder op zijn asielaanvraag en tegen het alsnog genomen besluit waarin verweerder zijn asielaanvraag heeft afgewezen. 1.1. Eiser heeft op 15 februari 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Op 2 december 2025 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. 1.2. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 3 maart 2026 eisers aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Omdat eiser zich niet kan verenigen met het genomen besluit, is het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit van rechtswege ook gericht tegen dit besluit. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en A. Fawzy als tolk. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? Het asielrelaas 2. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1990. Eiser heeft Syrië in 2013 verlaten vanwege de oorlog en omdat hij geen gehoor heeft gegeven aan de oproep voor de reservistendienst. Bij terugkeer naar Syrië vreest eiser voor problemen vanwege het ontlopen van de reservistendienst en voor discriminatie vanwege zijn Koerdische etniciteit. Het bestreden besluit 3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven: identiteit, nationaliteit en herkomst; problemen vanwege Koerdische etniciteit. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Eisers problemen vanwege zijn Koerdische etniciteit heeft verweerder niet op geloofwaardigheid beoordeeld. De geloofwaardigheid is in het midden gelaten, omdat op voorhand duidelijk is dat eisers verklaringen niet zwaarwegend genoeg zijn. Dat eiser tot de Koerdische bevolkingsgroep behoort, is op zichzelf onvoldoende om een gegronde vrees voor vervolging aan te nemen. Niet is gebleken dat eiser als Koerd zodanig gediscrimineerd is dat het voor hem onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren, en ook niet dat dit bij terugkeer wel het geval zal zijn. Daarnaast is eisers vrees voor rekrutering, zowel vanuit de overheid als vanuit de Koerdische strijdkrachten, niet aannemelijk. Volgens verweerder loopt eiser bij terugkeer naar Syrië ook geen reëel risico op ernstige schade. In Syrië, en meer specifiek in [plaats] waar eiser vandaan komt, is sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. De individuele omstandigheden die eiser heeft aangevoerd leiden niet tot de conclusie dat hij een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van dit geweld. Wat vindt eiser in beroep? 4. Ten eerste heeft verweerder de geloofwaardigheid van eisers problemen vanwege zijn Koerdische etniciteit ten onrechte in het midden gelaten. Er is geen sprake van een situatie die zich leent voor de toepassing van de pilot zwaarwegendheid zoals omschreven in het Informatiebericht (hierna: IB) 2022/102. Ten tweede heeft verweerder niet goed gemotiveerd dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom eiser, en Koerden in het algemeen, niet zodanig gediscrimineerd worden dat zij op sociaal en maatschappelijk niveau niet kunnen functioneren. Ook loopt eiser vanwege zijn etniciteit het risico om vermoord, verdreven, ontvoerd en/of onthoofd te worden. Daarnaast loopt eiser het risico om noodgedwongen vanuit [plaats] naar het DAANES-gebied te moeten vluchten. Daar heeft hij een gegronde vrees voor gedwongen rekrutering door de Koerdische strijdkrachten. Eiser heeft onoverkomelijke gewetensbezwaren tegen het dienen in een leger. Ten derde heeft verweerder niet goed gemotiveerd dat eiser geen reëel risico op ernstige schade loopt. Het is nog altijd onveilig in Syrië. Het huidige regime is even slecht als het Assad-regime; ook aan dit regime kunnen massamoorden, vervolging en grove mensenrechtenschendingen verweten worden. Ook zijn er nog steeds aanslagen en gevechten tussen verschillende groeperingen en het huidige regime, ook in eisers woonomgeving [plaats] , en zijn er landmijnen en andere ontplofbare oorlogsresten achtergebleven in heel Syrië. Verder heeft verweerder de humanitaire omstandigheden onvoldoende betrokken bij het beoordelen van de gradatie van willekeurig geweld. Daarnaast loopt eiser door zijn individuele omstandigheden een verhoogd risico om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld, omdat hij etnisch Koerd is en dienstplichtweigeraar is. Eiser moet op zijn minst het voordeel van de twijfel krijgen, nu de risico’s bij terugkeer momenteel niet volledig zijn in te schatten door verweerder. Tot slot heeft verweerder ten onrechte een terugkeerbesluit opgelegd. Verweerder heeft de veiligheidssituatie in Syrië onjuist beoordeeld. Verweerder heeft nagelaten om het terugkeerbesluit te toetsen aan het non-refoulementbeginsel met inachtneming van de belangen uit artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn . Wat is het oordeel van de rechtbank? Beroep niet tijdig beslissen 5. Omdat het beroep oorspronkelijk gericht was tegen het niet tijdig nemen van een besluit, zal de rechtbank hier eerst een oordeel over geven. 5.1. Eiser heeft verweerder met de brief van 17 november 2025 in gebreke gesteld. Uit het bestreden besluit blijkt dat tussen partijen niet in geschil is dat op dat moment de beslistermijn was verstreken en de ingebrekestelling gelet daarop geldig was. Hierna zijn meer dan twee weken verstreken voordat eiser op 2 december 2025 beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen. Op 3 maart 2026 heeft verweerder alsnog op eisers aanvraag beslist. Omdat verweerder inmiddels heeft beslist, is het belang van eiser bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag te komen vervallen. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen. 5.2. Nu tussen partijen niet in geschil is dat de beslistermijn door verweerder is overschreden en pas na deze overschrijding een besluit op eisers asielaanvraag is genomen, ziet de rechtbank wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser voor het beroep tegen het niet tijdig beslissen. Afdoening pilot zwaarwegendheid 6. Wanneer verweerder de geloofwaardigheid van het asielrelaas in het midden laat, moet het er bij de rechterlijke toetsing voor gehouden worden dat verweerder de geloofwaardigheid van de gestelde feiten en omstandigheden heeft aangenomen. Zo lang verweerder alle verklaringen van eiser over zijn asielmotieven als uitgangspunt neemt, leidt de pilotwerkwijze in algemene zin niet tot een onzorgvuldige beoordeling van het asielrelaas. De rechtbank zal hierna beoordelen of verweerder heeft kunnen concluderen dat het asielrelaas van eiser onvoldoende zwaarwegend is om een gegronde vrees voor vervolging of reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Gegronde vrees voor vervolging 7.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9179 text/xml public 2026-04-29T10:05:20 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-15 NL25.59217 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9179 text/html public 2026-04-23T07:46:31 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9179 Rechtbank Den Haag , 15-04-2026 / NL25.59217 Asiel Syrië - geen gegronde vrees voor vervolging vanwege Koerdische etniciteit - voldoende gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Aleppo - onvoldoende gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM gelet op arrest Sufi en Elmi - beroep gegrond. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL25.59217 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. E.G. Grigorjan), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen van verweerder op zijn asielaanvraag en tegen het alsnog genomen besluit waarin verweerder zijn asielaanvraag heeft afgewezen. 1.1. Eiser heeft op 15 februari 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Op 2 december 2025 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. 1.2. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 3 maart 2026 eisers aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Omdat eiser zich niet kan verenigen met het genomen besluit, is het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit van rechtswege ook gericht tegen dit besluit. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en A. Fawzy als tolk. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? Het asielrelaas 2. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1990. Eiser heeft Syrië in 2013 verlaten vanwege de oorlog en omdat hij geen gehoor heeft gegeven aan de oproep voor de reservistendienst. Bij terugkeer naar Syrië vreest eiser voor problemen vanwege het ontlopen van de reservistendienst en voor discriminatie vanwege zijn Koerdische etniciteit. Het bestreden besluit 3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven: identiteit, nationaliteit en herkomst; problemen vanwege Koerdische etniciteit. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Eisers problemen vanwege zijn Koerdische etniciteit heeft verweerder niet op geloofwaardigheid beoordeeld. De geloofwaardigheid is in het midden gelaten, omdat op voorhand duidelijk is dat eisers verklaringen niet zwaarwegend genoeg zijn. Dat eiser tot de Koerdische bevolkingsgroep behoort, is op zichzelf onvoldoende om een gegronde vrees voor vervolging aan te nemen. Niet is gebleken dat eiser als Koerd zodanig gediscrimineerd is dat het voor hem onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren, en ook niet dat dit bij terugkeer wel het geval zal zijn. Daarnaast is eisers vrees voor rekrutering, zowel vanuit de overheid als vanuit de Koerdische strijdkrachten, niet aannemelijk. Volgens verweerder loopt eiser bij terugkeer naar Syrië ook geen reëel risico op ernstige schade. In Syrië, en meer specifiek in [plaats] waar eiser vandaan komt, is sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. De individuele omstandigheden die eiser heeft aangevoerd leiden niet tot de conclusie dat hij een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van dit geweld. Wat vindt eiser in beroep? 4. Ten eerste heeft verweerder de geloofwaardigheid van eisers problemen vanwege zijn Koerdische etniciteit ten onrechte in het midden gelaten. Er is geen sprake van een situatie die zich leent voor de toepassing van de pilot zwaarwegendheid zoals omschreven in het Informatiebericht (hierna: IB) 2022/102. Ten tweede heeft verweerder niet goed gemotiveerd dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom eiser, en Koerden in het algemeen, niet zodanig gediscrimineerd worden dat zij op sociaal en maatschappelijk niveau niet kunnen functioneren. Ook loopt eiser vanwege zijn etniciteit het risico om vermoord, verdreven, ontvoerd en/of onthoofd te worden. Daarnaast loopt eiser het risico om noodgedwongen vanuit [plaats] naar het DAANES-gebied te moeten vluchten. Daar heeft hij een gegronde vrees voor gedwongen rekrutering door de Koerdische strijdkrachten. Eiser heeft onoverkomelijke gewetensbezwaren tegen het dienen in een leger. Ten derde heeft verweerder niet goed gemotiveerd dat eiser geen reëel risico op ernstige schade loopt. Het is nog altijd onveilig in Syrië. Het huidige regime is even slecht als het Assad-regime; ook aan dit regime kunnen massamoorden, vervolging en grove mensenrechtenschendingen verweten worden. Ook zijn er nog steeds aanslagen en gevechten tussen verschillende groeperingen en het huidige regime, ook in eisers woonomgeving [plaats] , en zijn er landmijnen en andere ontplofbare oorlogsresten achtergebleven in heel Syrië. Verder heeft verweerder de humanitaire omstandigheden onvoldoende betrokken bij het beoordelen van de gradatie van willekeurig geweld. Daarnaast loopt eiser door zijn individuele omstandigheden een verhoogd risico om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld, omdat hij etnisch Koerd is en dienstplichtweigeraar is. Eiser moet op zijn minst het voordeel van de twijfel krijgen, nu de risico’s bij terugkeer momenteel niet volledig zijn in te schatten door verweerder. Tot slot heeft verweerder ten onrechte een terugkeerbesluit opgelegd. Verweerder heeft de veiligheidssituatie in Syrië onjuist beoordeeld. Verweerder heeft nagelaten om het terugkeerbesluit te toetsen aan het non-refoulementbeginsel met inachtneming van de belangen uit artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn . Wat is het oordeel van de rechtbank? Beroep niet tijdig beslissen 5. Omdat het beroep oorspronkelijk gericht was tegen het niet tijdig nemen van een besluit, zal de rechtbank hier eerst een oordeel over geven. 5.1. Eiser heeft verweerder met de brief van 17 november 2025 in gebreke gesteld. Uit het bestreden besluit blijkt dat tussen partijen niet in geschil is dat op dat moment de beslistermijn was verstreken en de ingebrekestelling gelet daarop geldig was. Hierna zijn meer dan twee weken verstreken voordat eiser op 2 december 2025 beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen. Op 3 maart 2026 heeft verweerder alsnog op eisers aanvraag beslist. Omdat verweerder inmiddels heeft beslist, is het belang van eiser bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag te komen vervallen. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen. 5.2. Nu tussen partijen niet in geschil is dat de beslistermijn door verweerder is overschreden en pas na deze overschrijding een besluit op eisers asielaanvraag is genomen, ziet de rechtbank wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser voor het beroep tegen het niet tijdig beslissen. Afdoening pilot zwaarwegendheid 6. Wanneer verweerder de geloofwaardigheid van het asielrelaas in het midden laat, moet het er bij de rechterlijke toetsing voor gehouden worden dat verweerder de geloofwaardigheid van de gestelde feiten en omstandigheden heeft aangenomen. Zo lang verweerder alle verklaringen van eiser over zijn asielmotieven als uitgangspunt neemt, leidt de pilotwerkwijze in algemene zin niet tot een onzorgvuldige beoordeling van het asielrelaas. De rechtbank zal hierna beoordelen of verweerder heeft kunnen concluderen dat het asielrelaas van eiser onvoldoende zwaarwegend is om een gegronde vrees voor vervolging of reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Gegronde vrees voor vervolging 7.
Volledig
Verweerder heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat uit de landeninformatie niet volgt dat iedere Koerd in Syrië, en specifiek in [plaats] , een gegronde vrees voor vervolging heeft op basis van zijn etniciteit. Uit landeninformatie volgt niet dat Koerden vanwege discriminatie zo ernstig worden beperkt in hun bestaansmogelijkheden dat zij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kunnen functioneren. Verweerder heeft er hierbij op kunnen wijzen dat president Al-Sharaa op 16 januari 2026 een decreet heeft ondertekend waarin hij het staatsburgerschap heeft teruggegeven aan alle Koerdische Syriërs en de officiële status van de Koerdische taal heeft erkend. Hoewel eiser er terecht op heeft gewezen dat formele afspraken niet altijd iets zeggen over de praktijk, geeft dit wel een signaal af over de houding van de huidige regering tegenover de Koerdische bevolking. Dat van eiser, vanwege zijn Koerdische etniciteit, niet verwacht mag worden dat hij zich meldt bij een registratiecentrum en dat hij door het niet melden problemen zal krijgen, volgt de rechtbank gelet hierop niet. 8. Omdat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft in [plaats] vanwege zijn Koerdische etniciteit, heeft verweerder eiser niet hoeven volgen in zijn betoog dat hij bij terugkeer naar Syrië uit [plaats] zal moeten vluchten naar het DAANES-gebied waar hij risico zou lopen. Verweerder heeft ook kunnen concluderen dat eisers vrees om gerekruteerd te worden door de Koerdische strijdkrachten niet aannemelijk is, omdat [plaats] onder controle staat van het regime. Verweerder heeft daarnaast kunnen concluderen dat eisers vrees voor rekrutering door het regime en/of voor problemen vanwege het ontlopen van de reservistendienst niet aannemelijk is. In het controlegebied van de overgangsregering is de dienstplicht opgeheven en de regering kondigde een algemene amnestie aan voor dienstplichtigen in het Syrische leger. Reëel risico op ernstige schade vanwege situatie van willekeurig geweld 9. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn , zoals geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vreemdelingenwet 2000, gaat allereerst over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn kan ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker. Hoe meer een asielzoeker aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming. Bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn valt, moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en specifiek de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers. De Afdeling heeft geoordeeld dat humanitaire omstandigheden ook als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling moeten worden betrokken. Daarbij is van belang dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief betrokken zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling. 9.1. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank kunnen concluderen dat uit het Algemeen Ambtsbericht over Syrië van mei 2025 het beeld naar voren komt dat er gewapende conflicten in het hele land plaatsvinden tussen verschillende gewapende actoren, leidend tot incidentele pieken in geweldsuitbarstingen en gevechten, maar dat de aantallen burgerslachtoffers als gevolg van willekeurig geweld hierbij relatief laag blijven. Verweerder heeft uit het meest recente ambtsbericht van januari 2026 kunnen concluderen dat het aantal geweldsincidenten in Syrië flink is gedaald en ook het aantal burgerdoden is afgenomen. Ook heeft verweerder kunnen concluderen dat het aantal incidenten met ontplofbare oorlogsresten nauwelijks is toegenomen en dat er daarnaast maatregelen worden genomen met betrekking tot het ruimen van ontplofbare oorlogsresten. Verweerder heeft daarbij kunnen concluderen dat de dalende trend in geweldsincidenten ook in [plaats] , het gebied van terugkeer van eiser, te zien is. Uit het ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat het grootste gedeelte van de provincie [plaats] onder controle staat van de overgangsregering. In de verslagperiode fluctueerde het maandelijkse aantal geweldsincidenten tussen 34 (november 2025) en 72 (september 2025). In vergelijking met de voorgaande verslagperiode was sprake van een daling van het aantal geregistreerde geweldsincidenten in [plaats] . Verder waren er in [plaats] meerdere incidenten met ontplofbare oorlogsresten, maar werden deze ook geruimd. In de verslagperiode was sprake van ontheemding in [plaats] , maar het is niet duidelijk in hoeverre dit verband hield met conflictgerelateerd geweld. Wel leidden spanningen in december 2025 in de stad [plaats] tot ontheemding. In de verslagperiode keerden echter ook meer dan 700.000 binnenlands ontheemden terug naar hun oorspronkelijke woonplaats in [plaats] . 9.1.1. Wat betreft de humanitaire omstandigheden heeft verweerder er terecht op gewezen dat de hoofdveroorzaker van de slechte humanitaire omstandigheden, zoals die beschreven staan in het Algemeen Ambtsbericht over Syrië uit mei 2025, het regime van Assad was, dat inmiddels geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat het meest recente ambtsbericht van januari 2026 geen reden geeft voor een andere conclusie op dit punt. Weliswaar heeft ook het handelen van de huidige partijen impact op de humanitaire situatie, maar verweerder heeft kunnen concluderen dat de slechte humanitaire situatie in hoofdzaak niet is te wijten aan huidig handelen van de nu nog actieve partijen. Verweerder heeft ook gewezen op de EUAA Country Guidance over Syrië waarin staat dat vóór de val van het Assad-regime gerapporteerd werd dat strijdende partijen bewust gezondheidsvoorzieningen aanvielen en ook de aanvoer van basisvoorzieningen tegenhielden, maar dat er geen informatie is die erop wijst dat dit nog steeds het geval is. Eiser heeft geen landeninformatie overgelegd waaruit volgt dat de partijen die momenteel actief betrokken zijn in het gewapende conflict de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië in het algemeen en [plaats] in het bijzonder veroorzaken en/of in stand houden. Eiser heeft in reactie op het verweerschrift weliswaar gesteld dat het huidige regime nog steeds betrokken is bij gevechten en aanslagen op verschillende gebieden en bevolkingsgroepen en dat dit maakt dat het huidige regime ook een actor is die de slechte humanitaire omstandigheden heeft veroorzaakt en/of in stand laat, maar eiser heeft onvoldoende verband gelegd tussen het geweld van de huidige strijdende partijen en de slechte humanitaire omstandigheden. 9.2. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder, met inachtneming van dat wat in deze zaak is aangevoerd, voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in [plaats] . 9.3.
Volledig
Verweerder heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat uit de landeninformatie niet volgt dat iedere Koerd in Syrië, en specifiek in [plaats] , een gegronde vrees voor vervolging heeft op basis van zijn etniciteit. Uit landeninformatie volgt niet dat Koerden vanwege discriminatie zo ernstig worden beperkt in hun bestaansmogelijkheden dat zij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kunnen functioneren. Verweerder heeft er hierbij op kunnen wijzen dat president Al-Sharaa op 16 januari 2026 een decreet heeft ondertekend waarin hij het staatsburgerschap heeft teruggegeven aan alle Koerdische Syriërs en de officiële status van de Koerdische taal heeft erkend. Hoewel eiser er terecht op heeft gewezen dat formele afspraken niet altijd iets zeggen over de praktijk, geeft dit wel een signaal af over de houding van de huidige regering tegenover de Koerdische bevolking. Dat van eiser, vanwege zijn Koerdische etniciteit, niet verwacht mag worden dat hij zich meldt bij een registratiecentrum en dat hij door het niet melden problemen zal krijgen, volgt de rechtbank gelet hierop niet. 8. Omdat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft in [plaats] vanwege zijn Koerdische etniciteit, heeft verweerder eiser niet hoeven volgen in zijn betoog dat hij bij terugkeer naar Syrië uit [plaats] zal moeten vluchten naar het DAANES-gebied waar hij risico zou lopen. Verweerder heeft ook kunnen concluderen dat eisers vrees om gerekruteerd te worden door de Koerdische strijdkrachten niet aannemelijk is, omdat [plaats] onder controle staat van het regime. Verweerder heeft daarnaast kunnen concluderen dat eisers vrees voor rekrutering door het regime en/of voor problemen vanwege het ontlopen van de reservistendienst niet aannemelijk is. In het controlegebied van de overgangsregering is de dienstplicht opgeheven en de regering kondigde een algemene amnestie aan voor dienstplichtigen in het Syrische leger. Reëel risico op ernstige schade vanwege situatie van willekeurig geweld 9. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn , zoals geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vreemdelingenwet 2000, gaat allereerst over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn kan ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker. Hoe meer een asielzoeker aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming. Bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn valt, moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en specifiek de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers. De Afdeling heeft geoordeeld dat humanitaire omstandigheden ook als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling moeten worden betrokken. Daarbij is van belang dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief betrokken zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling. 9.1. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank kunnen concluderen dat uit het Algemeen Ambtsbericht over Syrië van mei 2025 het beeld naar voren komt dat er gewapende conflicten in het hele land plaatsvinden tussen verschillende gewapende actoren, leidend tot incidentele pieken in geweldsuitbarstingen en gevechten, maar dat de aantallen burgerslachtoffers als gevolg van willekeurig geweld hierbij relatief laag blijven. Verweerder heeft uit het meest recente ambtsbericht van januari 2026 kunnen concluderen dat het aantal geweldsincidenten in Syrië flink is gedaald en ook het aantal burgerdoden is afgenomen. Ook heeft verweerder kunnen concluderen dat het aantal incidenten met ontplofbare oorlogsresten nauwelijks is toegenomen en dat er daarnaast maatregelen worden genomen met betrekking tot het ruimen van ontplofbare oorlogsresten. Verweerder heeft daarbij kunnen concluderen dat de dalende trend in geweldsincidenten ook in [plaats] , het gebied van terugkeer van eiser, te zien is. Uit het ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat het grootste gedeelte van de provincie [plaats] onder controle staat van de overgangsregering. In de verslagperiode fluctueerde het maandelijkse aantal geweldsincidenten tussen 34 (november 2025) en 72 (september 2025). In vergelijking met de voorgaande verslagperiode was sprake van een daling van het aantal geregistreerde geweldsincidenten in [plaats] . Verder waren er in [plaats] meerdere incidenten met ontplofbare oorlogsresten, maar werden deze ook geruimd. In de verslagperiode was sprake van ontheemding in [plaats] , maar het is niet duidelijk in hoeverre dit verband hield met conflictgerelateerd geweld. Wel leidden spanningen in december 2025 in de stad [plaats] tot ontheemding. In de verslagperiode keerden echter ook meer dan 700.000 binnenlands ontheemden terug naar hun oorspronkelijke woonplaats in [plaats] . 9.1.1. Wat betreft de humanitaire omstandigheden heeft verweerder er terecht op gewezen dat de hoofdveroorzaker van de slechte humanitaire omstandigheden, zoals die beschreven staan in het Algemeen Ambtsbericht over Syrië uit mei 2025, het regime van Assad was, dat inmiddels geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat het meest recente ambtsbericht van januari 2026 geen reden geeft voor een andere conclusie op dit punt. Weliswaar heeft ook het handelen van de huidige partijen impact op de humanitaire situatie, maar verweerder heeft kunnen concluderen dat de slechte humanitaire situatie in hoofdzaak niet is te wijten aan huidig handelen van de nu nog actieve partijen. Verweerder heeft ook gewezen op de EUAA Country Guidance over Syrië waarin staat dat vóór de val van het Assad-regime gerapporteerd werd dat strijdende partijen bewust gezondheidsvoorzieningen aanvielen en ook de aanvoer van basisvoorzieningen tegenhielden, maar dat er geen informatie is die erop wijst dat dit nog steeds het geval is. Eiser heeft geen landeninformatie overgelegd waaruit volgt dat de partijen die momenteel actief betrokken zijn in het gewapende conflict de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië in het algemeen en [plaats] in het bijzonder veroorzaken en/of in stand houden. Eiser heeft in reactie op het verweerschrift weliswaar gesteld dat het huidige regime nog steeds betrokken is bij gevechten en aanslagen op verschillende gebieden en bevolkingsgroepen en dat dit maakt dat het huidige regime ook een actor is die de slechte humanitaire omstandigheden heeft veroorzaakt en/of in stand laat, maar eiser heeft onvoldoende verband gelegd tussen het geweld van de huidige strijdende partijen en de slechte humanitaire omstandigheden. 9.2. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder, met inachtneming van dat wat in deze zaak is aangevoerd, voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in [plaats] . 9.3.
Volledig
Verweerder heeft ook kunnen concluderen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op grond van zijn individuele omstandigheden een verhoogd risico loopt om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiser heeft aangevoerd dat hij een verhoogd risico loopt vanwege zijn Koerdische etniciteit en vanwege zijn dienstplichtweigering, maar deze omstandigheden houden verband met een vrees voor gericht geweld in plaats van een verhoogd risico op willekeurig geweld. De rechtbank heeft onder 7. en 8. al overwogen dat verweerder heeft kunnen concluderen dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege zijn Koerdische etniciteit en dienstplichtweigering. 9.4. Hoewel eiser kan worden gevolgd dat niet zeker is hoe de situatie in Syrië zich in de toekomst ontwikkelt, is er inmiddels meer dan een jaar verstreken sinds het regime van Assad is gevallen en zijn er twee Algemeen Ambtsberichten uitgebracht. Verweerder mocht – zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen – op basis van deze ambtsberichten dan ook tot de conclusie komen dat sprake is van relatief lager niveau van willekeurig geweld in [plaats] . Terugkeerbesluit 10. Eiser heeft er terecht op gewezen dat verweerder in het kader van het terugkeerbesluit moet toetsen aan het non-refoulementbeginsel. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 23 februari 2026 geoordeeld dat verweerder in het kader van het terugkeerbesluit moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM . Verweerder kan voor deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Het Hof van Justitie van de EU heeft eerder al geoordeeld dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van het EVRM verschillen qua inhoud en dat de uitlegging van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn autonoom moet plaatsvinden. 10.1. Daarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi twee situaties onderscheidt: - In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor. - In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor. In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor eiser daarmee hoger. 10.2. In het verweerschrift heeft verweerder erop gewezen dat het EHRM in september 2025 een getroffen voorlopige voorziening ten aanzien van een Syrische man niet heeft verlengd. Ook heeft verweerder erop gewezen dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi heeft overwogen dat van schending van artikel 3 van het EVRM wegens humanitaire omstandigheden die niet worden veroorzaakt door het doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor, slechts sprake kan zijn bij ‘very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’. Eiser heeft volgens verweerder niet aangevoerd dat hij bij terugkeer naar Syrië terecht zal komen in een zodanig schrijnende humanitaire situatie. 10.3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Dit motiveringsgebrek is in het verweerschrift onvoldoende hersteld. Ten eerste heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom in dit geval moet worden aangesloten bij de ‘zwaardere’ toets van het arrest Sufi en Elmi in plaats van de ‘lichtere’ toets. Wanneer de humanitaire crisis in overwegende mate veroorzaakt is door de strijdende partijen, moet namelijk gekeken worden naar eisers ‘ability to cater for his most basic needs, such as food, hygiene and shelter, his vulnerability to ill-treatment and the prospect of his situation improving within a reasonable time-frame.’ Verweerder heeft, in het kader van artikel 3 van het EVRM, niet gemotiveerd dat de humanitaire crisis niet in overwegende mate veroorzaakt is door de strijdende partijen. Hoewel verweerder dit in het kader van de 15c-beoordeling wel heeft gemotiveerd, heeft verweerder niet gemotiveerd dat en waarom dezelfde argumentatie ook in het kader van artikel 3 van het EVRM opgaat. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen moet de uitleg van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en de uitleg van artikel 3 van het EVRM autonoom plaatsvinden. Ten tweede heeft verweerder, ook als moet worden uitgegaan van de ‘zwaardere’ toets van het arrest Sufi en Elmi, onvoldoende gemotiveerd dat hieraan niet wordt voldaan. Eiser heeft er terecht op gewezen dat hij in de correcties en aanvullingen op het nader gehoor heeft gesteld dat hij er in Syrië volledig alleen voor komt te staan zonder woning, zonder medische zorg en zonder basale voorzieningen. Verder staat in het verweerschrift ook dat voor het gouvernement [plaats] geldt dat 84% van de bevolking behoort tot de categorie ‘people in need’, en dat die groep uit mensen bestaat waarvoor geldt dat hun fysieke veiligheid, basisrechten, waardigheid, levensomstandigheden of bestaansmiddelen worden bedreigd of verstoord en waarvan de huidige toegang tot basisdiensten, goederen en sociale bescherming ontoereikend is om tijdig en zonder aanvullende hulp weer normale levensomstandigheden te kunnen opbouwen met de middelen die zij gewend zijn. Dit had verweerder ook moeten betrekken bij zijn beoordeling van de vraag of eiser bij terugkeer naar [plaats] in een situatie terecht zal komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. De enkele verwijzing naar het opheffen van de voorlopige voorziening ten aanzien van een Syrische man door het EHRM, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. Het EHRM heeft de voorziening opgeheven omdat niet is aangetoond dat de Syrische man, gelet op de huidige veiligheidssituatie in Syrië en de individuele omstandigheden van de zaak, bij terugkeer naar Syrië een reëel en onmiddellijk risico zou lopen op onherstelbare schending van zijn rechten zoals gewaarborgd door de artikelen 2 en 3 van het EVRM. Het EHRM heeft echter niet nader gemotiveerd waarom het in die zaak tot dit oordeel is gekomen en welke individuele omstandigheden er speelden. Verweerder moet zelf een individuele beoordeling maken van de vraag of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Conclusie en gevolgen 11. Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen. 12. Het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit, is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, omdat sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder zal een nieuw besluit op eisers aanvraag moeten nemen en daarbij rekening moeten houden met de overwegingen van deze uitspraak. 13. Omdat verweerder te laat heeft beslist en omdat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 2.335,-. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen, niet-ontvankelijk; verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit, gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak; veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier.
Volledig
Verweerder heeft ook kunnen concluderen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op grond van zijn individuele omstandigheden een verhoogd risico loopt om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiser heeft aangevoerd dat hij een verhoogd risico loopt vanwege zijn Koerdische etniciteit en vanwege zijn dienstplichtweigering, maar deze omstandigheden houden verband met een vrees voor gericht geweld in plaats van een verhoogd risico op willekeurig geweld. De rechtbank heeft onder 7. en 8. al overwogen dat verweerder heeft kunnen concluderen dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege zijn Koerdische etniciteit en dienstplichtweigering. 9.4. Hoewel eiser kan worden gevolgd dat niet zeker is hoe de situatie in Syrië zich in de toekomst ontwikkelt, is er inmiddels meer dan een jaar verstreken sinds het regime van Assad is gevallen en zijn er twee Algemeen Ambtsberichten uitgebracht. Verweerder mocht – zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen – op basis van deze ambtsberichten dan ook tot de conclusie komen dat sprake is van relatief lager niveau van willekeurig geweld in [plaats] . Terugkeerbesluit 10. Eiser heeft er terecht op gewezen dat verweerder in het kader van het terugkeerbesluit moet toetsen aan het non-refoulementbeginsel. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 23 februari 2026 geoordeeld dat verweerder in het kader van het terugkeerbesluit moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM . Verweerder kan voor deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Het Hof van Justitie van de EU heeft eerder al geoordeeld dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van het EVRM verschillen qua inhoud en dat de uitlegging van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn autonoom moet plaatsvinden. 10.1. Daarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi twee situaties onderscheidt: - In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor. - In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor. In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor eiser daarmee hoger. 10.2. In het verweerschrift heeft verweerder erop gewezen dat het EHRM in september 2025 een getroffen voorlopige voorziening ten aanzien van een Syrische man niet heeft verlengd. Ook heeft verweerder erop gewezen dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi heeft overwogen dat van schending van artikel 3 van het EVRM wegens humanitaire omstandigheden die niet worden veroorzaakt door het doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor, slechts sprake kan zijn bij ‘very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’. Eiser heeft volgens verweerder niet aangevoerd dat hij bij terugkeer naar Syrië terecht zal komen in een zodanig schrijnende humanitaire situatie. 10.3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Dit motiveringsgebrek is in het verweerschrift onvoldoende hersteld. Ten eerste heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom in dit geval moet worden aangesloten bij de ‘zwaardere’ toets van het arrest Sufi en Elmi in plaats van de ‘lichtere’ toets. Wanneer de humanitaire crisis in overwegende mate veroorzaakt is door de strijdende partijen, moet namelijk gekeken worden naar eisers ‘ability to cater for his most basic needs, such as food, hygiene and shelter, his vulnerability to ill-treatment and the prospect of his situation improving within a reasonable time-frame.’ Verweerder heeft, in het kader van artikel 3 van het EVRM, niet gemotiveerd dat de humanitaire crisis niet in overwegende mate veroorzaakt is door de strijdende partijen. Hoewel verweerder dit in het kader van de 15c-beoordeling wel heeft gemotiveerd, heeft verweerder niet gemotiveerd dat en waarom dezelfde argumentatie ook in het kader van artikel 3 van het EVRM opgaat. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen moet de uitleg van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en de uitleg van artikel 3 van het EVRM autonoom plaatsvinden. Ten tweede heeft verweerder, ook als moet worden uitgegaan van de ‘zwaardere’ toets van het arrest Sufi en Elmi, onvoldoende gemotiveerd dat hieraan niet wordt voldaan. Eiser heeft er terecht op gewezen dat hij in de correcties en aanvullingen op het nader gehoor heeft gesteld dat hij er in Syrië volledig alleen voor komt te staan zonder woning, zonder medische zorg en zonder basale voorzieningen. Verder staat in het verweerschrift ook dat voor het gouvernement [plaats] geldt dat 84% van de bevolking behoort tot de categorie ‘people in need’, en dat die groep uit mensen bestaat waarvoor geldt dat hun fysieke veiligheid, basisrechten, waardigheid, levensomstandigheden of bestaansmiddelen worden bedreigd of verstoord en waarvan de huidige toegang tot basisdiensten, goederen en sociale bescherming ontoereikend is om tijdig en zonder aanvullende hulp weer normale levensomstandigheden te kunnen opbouwen met de middelen die zij gewend zijn. Dit had verweerder ook moeten betrekken bij zijn beoordeling van de vraag of eiser bij terugkeer naar [plaats] in een situatie terecht zal komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. De enkele verwijzing naar het opheffen van de voorlopige voorziening ten aanzien van een Syrische man door het EHRM, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. Het EHRM heeft de voorziening opgeheven omdat niet is aangetoond dat de Syrische man, gelet op de huidige veiligheidssituatie in Syrië en de individuele omstandigheden van de zaak, bij terugkeer naar Syrië een reëel en onmiddellijk risico zou lopen op onherstelbare schending van zijn rechten zoals gewaarborgd door de artikelen 2 en 3 van het EVRM. Het EHRM heeft echter niet nader gemotiveerd waarom het in die zaak tot dit oordeel is gekomen en welke individuele omstandigheden er speelden. Verweerder moet zelf een individuele beoordeling maken van de vraag of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Conclusie en gevolgen 11. Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen. 12. Het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit, is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, omdat sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder zal een nieuw besluit op eisers aanvraag moeten nemen en daarbij rekening moeten houden met de overwegingen van deze uitspraak. 13. Omdat verweerder te laat heeft beslist en omdat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 2.335,-. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen, niet-ontvankelijk; verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit, gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak; veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier.