Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-10
ECLI:NL:RBDHA:2026:9058
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,755 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9058 text/xml public 2026-04-14T14:09:05 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-10 NL25.48091 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9058 text/html public 2026-04-14T14:08:49 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9058 Rechtbank Den Haag , 10-04-2026 / NL25.48091 Beroep niet tijdig, asiel, Dublinverordening, Duitsland, besluitmoratorium Syrië, beroep niet-ontvankelijk, geen bestuurlijke dwangsom uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.48091 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. G. Ocak), en de minister van Asiel en Migratie, de minister. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag). Overwegingen De rechtbank vindt een zitting niet nodig en heeft partijen gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.1 Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2 Is het beroep van eiser ontvankelijk? 3. De minister dient uiterlijk zes maanden na ontvangst van een asielaanvraag een beschikking te geven.3 Indien de minister onderzoekt of de aanvraag niet in behandeling dient te worden genomen4, vangt de zesmaandentermijn aan op het moment waarop 1. Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb. 3 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). 4 Artikel 30 van de Vw. overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.5 4. Eiser heeft op 15 februari 2024 zijn asielaanvraag in Nederland ingediend. Op 29 februari 2024 heeft de minister Duitsland verzocht om informatie over eiser aan te leveren.6 De Duitse autoriteiten hebben op 4 maart 2024 op dit verzoek gereageerd en de gevraagde informatie overgelegd. 5. De rechtbank stelt vast dat de minister vervolgens niet binnen drie maanden na de aanvraag, dus uiterlijk op 15 mei 2024, Duitsland heeft verzocht om eiser over te nemen. De minister is daarom per 16 mei 2024 verantwoordelijk geworden voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.7 Dit betekent dat de minister in beginsel uiterlijk op 16 november 2024 op de aanvraag had moeten beslissen.8 6. Eiser komt echter uit Syrië. Met ingang van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025 gold voor Syrië een besluitmoratorium.9 Gedurende de tijd dat het besluitmoratorium van kracht was, besliste de minister niet op asielaanvragen van vreemdelingen uit dat land. De beslistermijn voor asielaanvragen die vóór of tijdens de werking van het besluitmoratorium werden ontvangen, is verlengd met één jaar tot ten hoogste 21 maanden.10 7. Het moratorium is mede van toepassing op asielaanvragen waarvan de beslistermijn van zes maanden is verstreken op het moment van de inwerkingtreding van het moratorium.11 De aanvraag van eiser valt onder deze situatie en daarmee dus onder het toepassingsbereik van het moratorium. 8. De minister diende uiterlijk op 15 november 2025 te beslissen op de aanvraag (16 mei 2024 + zes maanden + één jaar, tot in totaal ten hoogste 21 maanden). Eiser heeft de minister op 26 augustus 2025 in gebreke gesteld. De beslistermijn was op dat moment nog niet verstreken. De ingebrekestelling is dus te vroeg ingediend. Het beroep is daarmee niet-ontvankelijk. 9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 10. Het beroep is niet-ontvankelijk. Al om die reden komt de rechtbank niet toe aan het vaststellen van een eventuele verbeurde bestuurlijke dwangsom. 5 Artikel 42, zesde lid, van de Vw. 6 Artikel 34 van de Dublinverordening. 7 ECLI:NL:RBDHA:2025:3378. 8 Artikel 42, eerste lid, van de Vw. 9 Stct. 2024, 41538. 10 Artikel 43, eerste lid, van de Vw en artikel 2 van het Besluit instelling besluitmoratorium en vertrekmoratorium vreemdelingen afkomstig uit Syrië. 11 Vgl. ECLI:NL:RVS:2025:3082 en ECLI:NL:RVS:2019:3600, onder 5.3. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. van Eerden, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 10 april 2026 Mr. R.J.A. Schaaf A.W. van Eerden Rechter Griffier Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland Documentcode: [Documentcode] Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9058 text/xml public 2026-04-14T14:09:05 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-10 NL25.48091 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9058 text/html public 2026-04-14T14:08:49 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9058 Rechtbank Den Haag , 10-04-2026 / NL25.48091 Beroep niet tijdig, asiel, Dublinverordening, Duitsland, besluitmoratorium Syrië, beroep niet-ontvankelijk, geen bestuurlijke dwangsom uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.48091 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. G. Ocak), en de minister van Asiel en Migratie, de minister. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag). Overwegingen De rechtbank vindt een zitting niet nodig en heeft partijen gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.1 Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2 Is het beroep van eiser ontvankelijk? 3. De minister dient uiterlijk zes maanden na ontvangst van een asielaanvraag een beschikking te geven.3 Indien de minister onderzoekt of de aanvraag niet in behandeling dient te worden genomen4, vangt de zesmaandentermijn aan op het moment waarop 1. Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb. 3 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). 4 Artikel 30 van de Vw. overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.5 4. Eiser heeft op 15 februari 2024 zijn asielaanvraag in Nederland ingediend. Op 29 februari 2024 heeft de minister Duitsland verzocht om informatie over eiser aan te leveren.6 De Duitse autoriteiten hebben op 4 maart 2024 op dit verzoek gereageerd en de gevraagde informatie overgelegd. 5. De rechtbank stelt vast dat de minister vervolgens niet binnen drie maanden na de aanvraag, dus uiterlijk op 15 mei 2024, Duitsland heeft verzocht om eiser over te nemen. De minister is daarom per 16 mei 2024 verantwoordelijk geworden voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.7 Dit betekent dat de minister in beginsel uiterlijk op 16 november 2024 op de aanvraag had moeten beslissen.8 6. Eiser komt echter uit Syrië. Met ingang van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025 gold voor Syrië een besluitmoratorium.9 Gedurende de tijd dat het besluitmoratorium van kracht was, besliste de minister niet op asielaanvragen van vreemdelingen uit dat land. De beslistermijn voor asielaanvragen die vóór of tijdens de werking van het besluitmoratorium werden ontvangen, is verlengd met één jaar tot ten hoogste 21 maanden.10 7. Het moratorium is mede van toepassing op asielaanvragen waarvan de beslistermijn van zes maanden is verstreken op het moment van de inwerkingtreding van het moratorium.11 De aanvraag van eiser valt onder deze situatie en daarmee dus onder het toepassingsbereik van het moratorium. 8. De minister diende uiterlijk op 15 november 2025 te beslissen op de aanvraag (16 mei 2024 + zes maanden + één jaar, tot in totaal ten hoogste 21 maanden). Eiser heeft de minister op 26 augustus 2025 in gebreke gesteld. De beslistermijn was op dat moment nog niet verstreken. De ingebrekestelling is dus te vroeg ingediend. Het beroep is daarmee niet-ontvankelijk. 9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 10. Het beroep is niet-ontvankelijk. Al om die reden komt de rechtbank niet toe aan het vaststellen van een eventuele verbeurde bestuurlijke dwangsom. 5 Artikel 42, zesde lid, van de Vw. 6 Artikel 34 van de Dublinverordening. 7 ECLI:NL:RBDHA:2025:3378. 8 Artikel 42, eerste lid, van de Vw. 9 Stct. 2024, 41538. 10 Artikel 43, eerste lid, van de Vw en artikel 2 van het Besluit instelling besluitmoratorium en vertrekmoratorium vreemdelingen afkomstig uit Syrië. 11 Vgl. ECLI:NL:RVS:2025:3082 en ECLI:NL:RVS:2019:3600, onder 5.3. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. van Eerden, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 10 april 2026 Mr. R.J.A. Schaaf A.W. van Eerden Rechter Griffier Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland Documentcode: [Documentcode] Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.