Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-09
ECLI:NL:RBDHA:2026:8934
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,651 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:8934 text/xml public 2026-04-14T14:00:55 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2947 Rechtbank Den Haag 2026-04-09 NL25.42325 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Middelburg Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8934 text/html public 2026-04-13T16:26:47 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:8934 Rechtbank Den Haag , 09-04-2026 / NL25.42325 Asiel. Gedwongen aansluiting bij de Ogboni Society niet geloofwaardig geacht. Ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL25.42325 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. R.C. van den Berg), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. H.J. Toonders). Procesverloop Met het besluit van 28 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 in Breda op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] , en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank 1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1985 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Op 2 juni 2023 heeft hij een asielaanvraag ingediend in Nederland. 2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De gestelde problemen vanwege de gedwongen aansluiting bij de Ogboni Society acht verweerder echter niet geloofwaardig. 3. Eiser heeft tegen het bestreden besluit aangevoerd dat verweerder de kern van zijn asielrelaas onjuist heeft beoordeeld. Hij heeft daar consistent over verklaard. Daarbij is ten onrechte tegengeworpen dat hij wisselend heeft verklaard over zijn verblijf in [plaats 1] . Hij stelt ook dat de verklaringen over de dood van zijn vader aansluiten bij de door hem aangehaalde landeninformatie. Hij overlegt ter nadere onderbouwing twee stukken die betrekking hebben op het overlijden van zijn vader. Daarnaast heeft verweerder volgens eiser niet gemotiveerd waarom zijn verklaringen over de escalatie van de bedreigingen door de Ogboni Society en het ontbreken van bescherming niet bijdragen aan de geloofwaardigheid van het relaas. Ook is er voor wat betreft de overgelegde foto’s en documenten een te streng en onjuist bewijscriterium toegepast door verweerder. Tot slot stelt eiser dat verweerder ten onrechte geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling heeft gemaakt. De rechtbank oordeelt als volgt. 4. Eiser heeft wisselende verklaringen afgelegd over waar hij verbleef voorafgaand aan zijn vertrek uit Nigeria. In het aanmeldgehoor heeft hij verklaard dat hij tot aan zijn vertrek naar Nederland in [plaats 2] heeft gewoond. Hij zou naar [plaats 1] zijn gevlucht in februari of maart 2023 en in mei 2023 Nigeria hebben verlaten. Ook later in het gehoor verklaart hij dat hij in februari 2023 zijn laatste woonadres heeft verlaten. In de correcties en aanvullingen stelt eiser echter dat hij al ongeveer twee jaar in [plaats 1] verbleef voor vertrek. In het nader gehoor stelt hij dat hij al vanaf 2020 in [plaats 1] verbleef, drie jaar voor zijn vertrek uit Nigeria. Anders dan eiser stelt, werpt verweerder deze wisselende verklaringen terecht tegen en is dit van belang geacht in het kader van de beoordeling van de geloofwaardigheid van het relaas. Dit raakt immers de kern van het relaas, nu eiser stelt vanwege de problemen met de Ogboni Society te zijn gevlucht van [plaats 2] naar [plaats 1] . 5. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling heeft gemaakt en dat wanneer dit wel was gebeurd, verweerder hem het voordeel van de twijfel had moeten gunnen omdat hij over de kern van zijn relaas consistent heeft verklaard. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder alle relevante feiten en omstandigheden bij de geloofwaardigheidsbeoordeling heeft betrokken en het relaas niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Naast de wisselende verklaringen over zijn verblijf voor vertrek uit Nigeria heeft verweerder erop gewezen dat eisers verklaringen over het handelen van de Ogboni Society niet overeenkomen met openbare bronnen. Daarnaast heeft eiser geen verklaring gegeven voor het feit dat hij pas op 37-jarige leeftijd is gevlucht terwijl de Ogboni Society al vanaf zijn 18e jaar druk op hem zou hebben uitgeoefend om lid te worden. Verder heeft verweerder aan de stukken die eiser heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn relaas niet de waarde hoeven hechten die eiser daaraan gehecht zou willen zien, nu deze grotendeels niet objectief en verifieerbaar zijn. Dat geldt ook voor de in beroep overgelegde stukken die zouden zien op de begrafenis van zijn vader. 6. Tot slot heeft verweerder aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend. Eiser heeft immers verklaard dat hij in Nigeria al het plan had om Nederland een asielaanvraag in te dienen. Daarmee valt niet te rijmen dat hij volgens zijn eigen verklaringen eerst twee weken in een park in Amsterdam heeft gezworven voordat hij zijn asielaanvraag indiende. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 9 april 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. P. 5 van het verslag van het gehoor. P. 6 van het verslag van het gehoor. P. 10 van het verslag van het gehoor. P. 5 van het verslag van het gehoor. P. 4 van het verslag van het nader gehoor.